Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden
Einde inhoudsopgave
Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden 2021/IV.5.1:IV.5.1 Inleiding
Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden 2021/IV.5.1
IV.5.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. T.R. Bleeker LLM, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
mr. T.R. Bleeker LLM
- JCDI
JCDI:ADS460261:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In dit hoofdstuk onderzoek ik de mogelijkheid voor een derde om een leidinggevende civielrechtelijk aansprakelijk te stellen voor een milieuovertreding. Zoals toegelicht in par. IV.2.2.3, is de onrechtmatige daad (artikel 6:162 BW) de aangewezen grondslag voor de milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden. In die paragraaf noemde ik ook al de vijf constitutieve vereisten die gelden voor een vordering tot schadevergoeding op grond van onrechtmatige daad, te weten 1) onrechtmatigheid, 2) toerekenbaarheid, 3) relativiteit, 4) schade, en 5) causaal verband. Op basis van mijn onderzoek in paragraaf IV.2-IV.4 ga ik ervan uit dat deze vereisten gelden voor de milieuaansprakelijkheid van alle leidinggevenden, dus ook voor die van bestuurders van rechtspersonen.
Nu de voorvraag is beantwoord welk aansprakelijkheidsregime moet worden toegepast, richt ik me in deze paragraaf op de toepassing van de vereisten van de onrechtmatige daad in het kader van de milieuaansprakelijkheid van deze personen. Per vereiste sta ik stil bij de vragen die opkomen wanneer een leidinggevende aansprakelijk wordt gesteld op grond van de onrechtmatige daad voor een milieuovertreding en geef ik handvatten voor de beantwoording van deze vragen. Ik ga achtereenvolgens in op de onrechtmatigheidstoets (par. IV.5.3), toerekenbaarheid (par. IV.5.4), relativiteit (par. IV.5.5), schade (par. IV.5.6), en causaal verband (par. IV.5.7).
Voor de milieuaansprakelijkheid van de leidinggevende, speelt de onrechtmatigheidsvraag een belangrijke rol. Deze vraag legt een verband tussen het handelen van de leidinggevende en de geschonden norm. In het kader van de milieuaansprakelijkheid van een leidinggevende moeten enkele specifieke vragen worden beantwoord, zoals de vraag of de geschonden milieunorm ook is gericht tot de aangesproken leidinggevende en de vraag wanneer een leidinggevende gehouden is om in te grijpen als zich een verboden situatie voordoet. Daarom zal ik in deze paragraaf vrij uitvoerig ingaan op het onrechtmatigheidsvereiste. Bepaalde andere vereisten, zoals schade en causaal verband, komen slechts in vogelvlucht aan bod. De reden daarvoor is dat deze vereisten in het kader van de milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden geen nieuwe, specifieke vragen oproepen. Voor deze vereisten kan dus worden volstaan met een verwijzing naar de algemene literatuur over het buitencontractuele aansprakelijkheidsrecht en milieuprivaatrecht.
Voordat ik inga op de toepassing en nadere invulling van de vereisten van de onrechtmatige daad in het kader van de milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden, bespreek ik hierna eerst hoe ik tot deze nadere invulling ben gekomen (par. IV.5.2). Deze paragraaf wordt afgesloten met een conclusie, waarin ook kort wordt teruggeblikt op de ernstig verwijt-doctrine, om te laten zien hoe de hier voorgestane methode afwijkt van die doctrine, en welke voordelen deze methode met zich brengt (par. 5.8).