PJ 2018/74
De verjaring op grond van art. 3:308 BW vangt aan bij opeisbaarheid van pensioenpremies en dat is volgens het uitvoeringsreglement bij elke loonperiode.
Hof Den Haag 03-04-2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:570, m.nt. Prof. dr. E. Lutjens
- Instantie
Hof Den Haag
- Datum
3 april 2018
- Magistraten
Mrs. R.S. van Coevorden, C.A. Joustra, M.V. Ulrici
- Zaaknummer
200.206.533/01
- Noot
Prof. dr. E. Lutjens
- JCDI
JCDI:ADS183040:1
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
- Brondocumenten
ECLI:NL:GHDHA:2018:570, Uitspraak, Hof Den Haag, 03‑04‑2018
- Wetingang
Art. 3:308 BW
Essentie
De verjaring op grond van art. 3:308 BW vangt aan bij opeisbaarheid van pensioenpremies en dat is volgens het uitvoeringsreglement bij elke loonperiode.
Samenvatting
Verschuldigdheid pensioenpremies. Verjaring?
In 2013 maakt verplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds aanspraak op pensioenpremies verschuldigd over 2007. Het uitvoeringsreglement bepaalt dat premies na elke loonperiode betaald moeten zijn. De premies zijn dus na het einde van de loonperiode opeisbaar en dan vangt de verjaring aan. De premievordering over 2007 is dus verjaard.
Partij(en)
[appellant], advocaat: mr. H. Orduseven- Semerci te Rotterdam,
tegen
- 1.
Stichting Opleidings- en Ontwikkelingsfonds Bouw & Infra, gevestigd te Harderwijk, hierna ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.