Einde inhoudsopgave
Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden 2021/IV.2.6.3
IV.2.6.3 Gezichtspunten voor andere gevalstypen
mr. T.R. Bleeker LLM, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
mr. T.R. Bleeker LLM
- JCDI
JCDI:ADS460295:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie o.a. Westenbroek 2017, p. 346 e.v.; AG Timmerman in nr. 3.10 voor HR 30 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY0662, RvdW 2012/1524 (Vansenne/Banque Artesia) en AG Timmerman in nr. 3.12 voor HR 27 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:499, NJ 2015/240, m.nt. Van Schilfgaarde (ING Bank/X). Zie ook Hof Arnhem-Leeuwarden 15 oktober 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:7697, JOR 2014/3 (Kampschoër/Le Roux Fruit Exporters), m.nt. Bartman & Van Leeuwen r.o. 4.9, waarin het hof overweegt dat niet is vereist dat het gedrag van de bestuurder ‘precies zou vallen in een van beide categorieën zoals vermeld in (onder meer) het arrest HR 8 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0758, NJ 2006/659; Ondernemingsrecht 2007/36, m.nt. Wezeman (Ontvanger/Roelofsen). Gevonden in Assink 2016b/7.II, nr. 14.
Zo blijkt uit de zinsnede “wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden” die onder meer wordt gebruikt in HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2627, NJ 2015/22, m.nt. Van Schilfgaarde (RCI Financial Services), r.o. 4.3.
Zie o.a. Timmerman 2016b, nr. 13; Timmerman 2019, p. 245; Schild 2015; Assink 2016b/7.I en VI; Hammerstein 2021, p. 365. Zie voorts Assink e.a. 2011, p. 31-32, en 63, waarin de objectieve wetenschapmaatstaf een ‘verworvenheid’ wordt genoemd. Zie verder Van Dunné 2019, par. 4.2 en A-G Drijber in zijn conclusie bij HR 30 maart 2018, HR 30 maart 2018, ECLI:NL:PHR:2017:1419, onder nr. 2.2.6.
Timmerman 2016b, p. 328.
In deze zin: Assink 2017/7.1.IV en Timmerman 2016b, p. 328.
HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2627, NJ 2015/22, m.nt. Van Schilfgaarde (RCI Financial Services), r.o. 4.3; HR 30 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:470 (concl. A-G Drijber), NJ 2018/330, m.nt van Schilfgaarde; Ondernemingsrecht 2018/81, m.nt. Lennarts; AA20180502. m.nt. Assink (X/TMF), r.o. 3.3.2.
HR 29 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE7011, NJ 2003/455 (Berghuizer Papierfabriek), r.o. 3.4.5. Het gaat hierbij om een bewijsvermoeden; de bestuurder kan dit ontkrachten door aannemelijk te maken dat het negeren van de statutaire voorschriften in het belang van de vennootschap was. Wezeman 1998, p. 69; Huizink 2009, par. 2.1.
Overigens zou het mijns inziens beter zijn om te spreken van een status normale, aangezien de toepassing van de ernstig verwijt-toets juist de uitzondering is in het onrechtmatige daadsrecht.
HR 30 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:470 (concl. A-G Drijber), NJ 2018/330, m.nt van Schilfgaarde; Ondernemingsrecht 2018/81, m.nt. Lennarts; AA20180502. m.nt. Assink (X/TMF), r.o. 3.4.2.
HR 30 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:470 (concl. A-G Drijber), NJ 2018/330, m.nt van Schilfgaarde; Ondernemingsrecht 2018/81, m.nt. Lennarts; AA20180502, m.nt. Assink (X/TMF), r.o. 3.5.2. Ook in het ING/X-arrest overwoog de Hoge Raad dat onbekendheid met een bepaalde wettelijke regel in dit verband mede van belang is. HR 27 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:499 (concl. A-G Timmerman), NJ 2015/240, m.nt. van Schildgaarde (ING Bank/X.), r.o. 3.3.3. Terzijde wil ik opmerken dat het me onwenselijk lijkt dat bekendheid met het verboden karakter van een handeling (in het strafrecht ook wel ‘boos opzet’ genoemd) zou gelden als een noodzakelijk vereiste voor een ernstig verwijt zijdens bestuurder. Iets kan immers ook uiterst verwijtbaar zijn, zonder dat de bestuurder zich bewust is van het verboden karakter. Een andere conclusie strookt niet met het beginsel dat men wordt geacht de wet te kennen, noch met het geobjectiveerde karakter van het ernstig verwijt-criterium.
Aldus ook Lennarts in haar annotatie onder HR 30 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:470, Ondernemingsrecht 2018/81, p. 469.
Het zou best kunnen dat de handvatten uit het Ontvanger/Roelofsen-arrest adequaat functioneren in gevallen die overeenkomen met de situaties uit het Beklamel-arrest en het Oosterhof-arrest; dit proefschrift is niet de plaats om te beoordelen of deze handvatten voldoende richtinggevend zijn voor bijvoorbeeld de beoordeling van gevallen waarin bestuurders nakoming frustreren of lichtzinnig nieuwe verplichtingen namens de vennootschap aangaan. Wat echter opvalt in het kader van dit onderzoek naar de milieuaansprakelijkheid van bestuurders, is dat de maatstaven uit het Ontvanger/Roelofsen-arrest niet behulpzaam – zelfs niet toepasselijk – lijken te zijn voor andersoortige situaties.
Bijvoorbeeld: bij de beoordeling van de persoonlijke aansprakelijkheid van een bestuurder voor het schenden van veiligheids- of milieunormen, is het criterium ‘dat een bestuurder bij het aangaan van de verplichting behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen’ niet relevant.
De gevalstypen die worden bestreken door Ontvanger/Roelofsen zijn echter niet limitatief.1 Hierna tracht ik enkele gezichtspunten uit de jurisprudentie van de Hoge Raad te destilleren die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van bestuurdersaansprakelijkheid in andersoortige situaties.
Een aanwijzing van de Hoge Raad die in verschillende arresten terugkeert, is dat bij de vaststelling van een ernstig verwijt, een geobjectiveerde wetenschapstoets ten aanzien van de benadeling van anderen dient te worden aangelegd.2 Ook in de literatuur gaat men hiervan uit.3 De rechter dient dus te kijken naar zowel de bij de betrokken bestuurder aanwezige feitelijke wetenschap van de benadeling, als naar wat de bestuurder redelijkerwijs had behoren te begrijpen. Timmerman wijst erop dat met de geobjectiveerde wetenschapstoets kan worden voorkomen dat bestuurders ‘wegkijken’.4 In de literatuur wordt de kanttekening geplaatst dat de maatman-bestuurder waarmee wordt gewerkt wel ‘realistische proporties’ moet blijven behouden: ook bestuurders zijn maar mensen.5 De geobjectiveerde toets werd reeds gehanteerd in het Beklamel-arrest voor de aansprakelijkheid van een bestuurder in een ‘zinkend schip’-scenario, maar deze vuistregel leent zich voor een bredere toepassing.
In het RCI-arrest overweegt de Hoge Raad, dat ‘het antwoord op de vraag of de bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt, afhankelijk is van de aard en ernst van de normschending en de overige omstandigheden van het geval’.6 Daarmee rijst de vraag wanneer de aard van een normschending zodanig is, dat er (eerder) sprake is van een ernstig verwijt? Welke type normen komen hiervoor in aanmerking? In het kader van interne bestuurdersaansprakelijkheid uit 2:9 BW wordt sinds het Berghuizer Papierfabriek-arrest aangenomen dat het schenden van statutaire en wettelijke bepalingen die de rechtspersoon beogen te beschermen, (het vermoeden van) een ernstig verwijt opleveren.7 De Hoge Raad heeft echter nog geen antwoord gegeven op de vraag welk soort normschendingen vanwege hun aard of ernst extra aanleiding vormen voor een ernstig verwijt in het kader van externe bestuurdersaansprakelijkheid uit onrechtmatige daad.
Het maken van een onderscheid op basis van bepaalde kenmerken van een normschending, is het algemene aansprakelijkheidsrecht niet vreemd. Zo geldt in het kader van artikel 6:98 BW dat de schade die het gevolg is van het schenden van een verkeers- of veiligheidsnorm ruimer moet worden toegerekend.8 Ter concretisering van de regel uit het RCI-arrest komen verschillende soorten kenmerken in aanmerking. Er zou bijvoorbeeld kunnen worden gekeken naar de typen belangen die door de geschonden norm worden behartigd (algemeen dan wel vennootschappelijk), de oorsprong van de norm (bijvoorbeeld contractueel of wettelijk), naar normadressaatschap (was het een algemene norm, of is er sprake van een norm die specifiek is gericht tot de bestuurder?), enzovoorts. Dergelijke vuistregels zouden de betekenis van de ‘aard en ernst van de normschending’ kunnen verduidelijken, maar ik heb zulke vuistregels niet kunnen destilleren uit de sleuteljurisprudentie van de Hoge Raad. Het X/TMF-arrest raakte wel aan deze thematiek, maar geeft geen uitsluitsel.
In het X/TMF-arrest heeft de eiser tot cassatie de vraag opgeworpen of het schenden van een norm van financieel recht door de vennootschap een vermoeden van een ernstig verwijt kan opleveren in het kader van bestuurdersaansprakelijkheid uit onrechtmatige daad. In dit arrest werd een (rechtspersoon-)bestuurder aansprakelijk gesteld voor het niet toezien op de naleving van artikelen 3 en artikelen 7 (oud) van de Wet toezicht effectenverkeer 1995, oftewel het zonder prospectus en zonder vergunning optreden als effectenbemiddelaar. De bestuurder had dus toegelaten dat de rechtspersoon wettelijke voorschriften ter bescherming van het beleggend publiek heeft geschonden.
Hierover schrijft AG Drijber in zijn conclusie dat “[o]p zichzelf niet [valt] uit te sluiten dat het niet-naleven van bepaalde wettelijke voorschriften door een vennootschap naar zijn aard een zodanige mate van ernst vertoont dat de aansprakelijkheid van de vennootschap voor de daardoor veroorzaakte schade in de regel gepaard zal gaan met persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder(s). Het zonder vergunning verrichten van een vergunningplichtige activiteit kan daarvan een voorbeeld zijn, indien dat tot een voorzienbaar risico van schade zou hebben geleid. Dit zal echter per geval moeten worden vastgesteld.” Echter, Drijber vindt de geschonden bepalingen uit de Wft onvoldoende onderscheidend om deze status aparte9 te gunnen. Hij vreest dat als aan de Wft zodanig gewicht wordt toegekend dat bestuurders in beginsel aansprakelijk zijn als zij een overtreding daarvan hebben laten gebeuren, dat dan een hele reeks andere voorschriften ook tot dit vermoeden zouden moeten leiden, en dan zou het einde zoek zijn.
De Hoge Raad volgt de conclusie, en overweegt zonder nadere onderbouwing dat “ook als een vennootschap wettelijke voorschriften ter bescherming van het beleggend publiek schendt, (..) vereist is dat de bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt,” en “[d]aarmee verdraagt zich niet dat (..) die aansprakelijkheid wordt aangenomen op grond van een vermoeden van een persoonlijk ernstig verwijt.”10 Hier lijkt de Hoge Raad dus juist niets te willen weten van een uitbreiding van het bewijsvermoeden. Mogelijk had dit oordeel er ook mee te maken dat ‘niet is gebleken dat TMF wist of redelijkerwijs had behoren te begrijpen dat in strijd met Nederlandse regelgeving werd gehandeld’.11 Ook dit oordeel wordt niet toegelicht of onderbouwd door de Hoge Raad. Dit had mijns inziens wel voor de hand had gelegen, want men kan zich afvragen of TMF op deze manier niet te gemakkelijk vrijuit gaat. Immers, de naleving van de regelgeving vraagt de bijzondere aandacht van het bestuur, TMF begaf zich op zwaar gereguleerd terrein, en toch heeft TMF nagelaten om deskundig advies in te winnen over deze kwestie.12
Het X/TMF-arrest levert dus helaas geen nieuwe aanwijzingen op ten aanzien van welk soort normschendingen vanwege de aard of ernst eerder aanleiding geven voor een ernstig verwijt, en welke mate van bewustzijn van de normschending zijdens bestuur is vereist.