Einde inhoudsopgave
De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer (Verzekeringsrecht) 2010/4.7.3
4.7.3 De juridische positie van de schaderegelaar: lastgeving
mr. F.J. Blees, datum 29-04-2010
- Datum
29-04-2010
- Auteur
mr. F.J. Blees
- JCDI
JCDI:ADS398389:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
HvJ EG 13 december 2007, nr. C-463/06 (FBTO Schadeverzekeringen NV/Jack Odenbreit), Jur. 2007, p. 1-11321, RvdW 2008, 135, NJ 2009, 144 m.n. PV.
Althans voor zover het de slachtoffers zelf betreft. Ten aanzien van partijen die niet als 'zwakkere' kunnen worden betiteld heeft het hof in zijn arrest van 17 september 2009, nr. C-347/08 (Vorarlberger Gebietskrankenkasse/WGV-Schwdbische Algemeine Versicherungs AG), Jur. 2009, MEG 267/22, beslist dat zij geen beroep kunnen doen op de bijzondere jurisdictiebepaling van art. 11 lid 2 van Brussel L
Zie voor de positie van de benoemde correspondent par. 4.5.72 tot en met 4.5.7.4.
Zoals zal blijken bij de bespreking van het schadevergoedingsorgaan (par. 4.8), speelt deze instantie een wezenlijk andere rol dan het Bureau in het kader van het groenekaartstelsel.
De Richtlijn bepaalt in art. 21 lid 5 dat de schaderegelaar "over voldoende bevoegdheden beschikt om de verzekeringsonderneming in de in art. 20, lid 1 genoemde gevallen ten aanzien van benadeelden te vertegenwoordigen en om hun verzoeken volledig af te handelen". Dat duidt erop dat de schaderegelaar als vertegenwoordiger van de verzekeraar optreedt en daarmee niet vereenzelvigd wordt. Dat beeld wordt bevestigd door het zesde lid, dat bepaalt dat de aanwijzing van een schaderegelaar niet wordt beschouwd als de opening van een bijkantoor in de zin van art. 1 onder b van de 3e Richtlijn Schade, noch dat de schaderegelaar wordt beschouwd als een vestiging in de zin van art. 2 onder c 2e Richtlijn Schade en evenmin als een vestiging in de zin van Verordening Brussel L
Dit betekent dat de schaderegelaar niet in persoon kan worden gedagvaard, maar dat een eventuele dagvaarding moet worden uitgebracht tegen de verzekeraar. Vanzelfsprekend geldt dat de benadeelde zelf op grond van het Odenbreit-arrest van het HvJ EU1 wel in eigen land tegen de verzekeraar kan procederen.2 Zie paragraaf 4.4.4.2.
Art. 21 lid 1, tweede alinea van de Richtlijn bepaalt dat de schaderegelaar 'wordt belast' met de behandeling en afwikkeling van vorderingen ten gevolge van de in art. 20 lid 1 bedoelde ongevallen. Dat duidt erop dat de schaderegelaar als lasthebber van de verzekeraar moet worden gezien. Hij krijgt van de verzekeraar de opdracht om in diens naam en voor diens rekening rechtshandelingen te verrichten, namelijk het tot afwikkeling brengen van schadevergoedingsaanspraken.
De verzekeraar heeft daarbij niet de mogelijkheid om de schaderegeling geheel aan zich te trekken. De benadeelde die zich tot de schaderegelaar wendt, kan verlangen dat deze de schade met hem regelt. De benadeelde heeft wel de bevoegdheid om de schaderegelaar te passeren en rechtstreeks met de verzekeraar te onderhandelen. Zie art. 21 lid 4, tweede alinea van de Richtlijn.
De vraag of de schaderegelaar - anders dan de benoemde correspondent in het kader van het groenekaartstelsel3 - eventuele instructies van de verzekeraar in acht heeft te nemen, komt aan de orde in paragraaf 4.7.4, maar hier kan reeds worden opgemerkt dat de schaderegelaars in de praktijk dergelijke instructies plegen te accepteren, met name bij grotere en gecompliceerde schadegevallen.
Anders dan in het kader van het groenekaartstelsel, waar de correspondent dergelijke aanwijzingen niet kan accepteren, is hier in het kader van de '4e Richtlijn' op praktische gronden wellicht minder bezwaar tegen. De correspondent in het kader van het groenekaartstelsel past immers in de overgrote meerderheid van de door hem behandelde gevallen zijn eigen nationale aansprakelijkheids- en schadevergoedingsrecht toe.
In het kader van een groenekaartschade regelt de correspondent de schade die door een bezoekend motorrijtuig is veroorzaakt, en in het algemeen is de benadeelde een inwoner van de lidstaat van het ongeval. Op grond van de lex loci delicti-regel die zowel onder het Haags Verkeersongevallenverdrag als onder Rome II de hoofdregel is, past de correspondent dus het recht toe van het land waar hij zelf werkzaam is.
Slechts onder zeer uitzonderlijke omstandigheden zal hij wellicht vreemd recht moeten toepassen. Denk aan het geval van het aansprakeljke voertuig dat in hetzelfde land is geregistreerd als dat van de woonplaats van de benadeelde, terwijl het ongeval in een ander land plaatsvindt. Als de benadeelde ervoor kiest om het Bureau van het land van het ongeval aan te spreken in plaats van de verzekeraar van de aansprakelijke rechtstreeks, zal dat Bureau - althans onder het Haags Verdrag - het recht van het land van woonplaats van de benadeelde en dat van registratie van het voertuig moeten toepassen.
De schaderegelaar zal op basis van hetzelfde principe van de lex loci delicti doorgaans het recht van de staat van vestiging van de verzekeraar hebben te hanteren. Uit oogpunt van zuivere toepassing van dat recht is ervoor te pleiten de verzekeraar toe te staan de schaderegelaar daaromtrent te instrueren. Juridische argumenten aan de Richtlijn ontleend, pleiten echter tegen een dergelijke vrijheid. Zie paragraaf 4.7.4.
Ook in ander opzicht verschilt de positie van de schaderegelaar van die van de benoemde correspondent. Terwijl de laatste 'knecht van twee meesters' is, in die zin dat hij zowel als gevolmachtigde van het 'regelend' Bureau optreedt als in de hoedanigheid van lasthebber van de verzekeraar, is de schaderegelaar alleen lasthebber van de verzekeraar van de aansprakelijke partij. In het kader van de bescherming van bezoekende slachtoffers ontbreekt een met het Bureau vergelijkbare centrale instantie.4 Het schadevergoedingsorgaan beschikt niet over de mogelijkheid om de schaderegelaar instructies te geven, de behandeling van de schade aan zich te trekken en het heeft evenmin een rol als de verzekeraar de door de schaderegelaar aan de benadeelde betaalde schade niet restitueert.
De verhouding tussen de schaderegelaar en de verzekeraar wordt buiten de Richtlijn niet van kaders voorzien en beide partijen zijn, zolang zij de voorschriften van de Richtlijn (en de nationale wetgeving waarin de Richtlijn is omgezet) in acht nemen, geheel vrij de lastgevingsverhouding vorm te geven. De indruk bestaat wel dat de verzekeraars en de schaderegelaars zich daarbij laten inspireren door hetgeen in het kader van het groenekaartstelsel gebruikelijk is. Dat geldt weliswaar niet voor het 'verbod' om instructies te geven en te aanvaarden, maar wel onder meer voor het honorarium van de schaderegelaar en de termijnen waarbinnen hij restitutie van door hem voorgeschoten schadevergoedingen aan de benadeelde kan verlangen.