Rb. Noord-Nederland, 27-03-2026, nr. 18/285504-23 ontneming
ECLI:NL:RBNNE:2026:974
- Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
- Datum
27-03-2026
- Zaaknummer
18/285504-23 ontneming
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBNNE:2026:974, Uitspraak, Rechtbank Noord-Nederland, 27‑03‑2026; (Eerste aanleg - meervoudig, Op tegenspraak)
Einduitspraak: ECLI:NL:RBNNE:2026:973
Uitspraak 27‑03‑2026
Inhoudsindicatie
Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel na veroordeling voor medeplichtigheid aan het meermalen plegen van afpersing en afdreiging en voor het medeplegen van witwassen. De rechtbank stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 5.123,60 en de betalingsverplichting op € 4.973,60.
Partij(en)
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Groningen
parketnummer 18/285504-23
beslissing van de meervoudige strafkamer d.d. 27 maart 2026 op een vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel
in de zaak tegen
[veroordeelde] ,
geboren op [geboortedatum] 1987 te [geboorteplaats] , nu gedetineerd in de [instelling] ,
hierna: “veroordeelde”.
Procesverloop
De officier van justitie heeft d.d. 10 februari 2026 schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag vast zal stellen waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht, wordt geschat en dat de rechtbank aan voornoemde veroordeelde de verplichting zal opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag van 5.123,60 ter ontneming van het uit het in de
zaak met parketnummer 18/285504-23 voortvloeiende, wederrechtelijk verkregen voordeel.
De behandeling heeft plaatsgevonden ter terechtzitting van 13 maart 2026, waarbij zijn gehoord de officier van justitie, mr. S. Broekstra, veroordeelde en zijn raadsman,
mr. H.A. Koning.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld moet worden op 5.123,60. Hiervan moet de materiële schade die is toegewezen aan benadeelde partij [benadeelde partij] afgetrokken worden. Dit betreft een bedrag van 150,00. De betalingsverplichting komt daarmee uit op een bedrag van
4.973,60.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat niet vast is komen te staan dat de Tikkie betalingen op de bankrekening van veroordeelde een criminele herkomst hebben. Dit kan enkel bewezen worden ten aanzien van 1.250,00. Hiervan dient de materiële schade die is toegewezen aan benadeelde partij [benadeelde partij] afgetrokken te worden. Er resteert daarna
1.100,00. Veroordeelde heeft verklaard dat hij van iedere 50,00 die werd verdiend,
10,00 kreeg. Hij heeft dus 20% gekregen van de 1.100,00 die op zijn bankrekening is gestort. Het wederrechtelijk verkregen voordeel is derhalve 220,00. Daarop dient een korting te worden toegepast wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM.
Bewijsmiddelen
De rechtbank baseert de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel op de volgende bewijsmiddelen:
de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 13 maart 2026;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 15 februari 2023, opgenomen op pagina 336 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende het relaas van verbalisant;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 13 april 2023, opgenomen op pagina 343 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende het relaas van verbalisant;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 22 december 2022, opgenomen op pagina 95 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van verdachte.
Beoordeling
De rechtbank heeft veroordeelde bij vonnis van 27 maart 2026 in de zaak met parketnummer 18/285504-23 veroordeeld ter zake medeplegen van witwassen, medeplichtigheid aan afpersing, meermalen gepleegd, en medeplichtigheid aan afdreiging, meermalen gepleegd.
Op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen is komen vast te staan dat veroordeelde voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van de door hem gepleegde strafbare feiten. Veroordeelde is medeplichtig geweest aan een groot aantal afpersingen en afdreigingen door onder meer zijn bankrekening ter beschikking te stellen aan medeverdachte [medeverdachte] , Tikkie betaalverzoeken aan te maken en geld te pinnen. [medeverdachte] heeft de slachtoffers bedreigd en gechanteerd en ze zo gedwongen tot het betalen van Tikkies. Het geld is vervolgens op de bankrekening van veroordeelde terechtgekomen. Veroordeelde heeft vervolgens het geld gepind en hij mocht hier 20% van houden.
Berekening wederrechtelijk verkregen voordeel
Uit het onderzoek naar de bankrekening van veroordeelde is gebleken dat er in de periode 17 mei 2022 tot en met 30 juni 2022 door middel van 113 Tikkie betalingen in totaal 9.521,00 is bijgeschreven. In de periode van 30 juni 2022 tot en met 30 september 2022 is er door middel van 135 Tikkie betalingen in totaal 16.097,00 bijgeschreven. Het gaat dus in totaal om een bedrag van 25.618,00.
De rechtbank is van oordeel dat ten aanzien van dit gehele bedrag vastgesteld kan worden dat dit wederrechtelijk verkregen voordeel betreft. Bij bijna alle bewezenverklaarde afpersingen en afdreigingen is gebruikt gemaakt van Tikkie betaalverzoeken. Veroordeelde heeft daarnaast tegenover de politie gezegd dat hij en [medeverdachte] heel veel mensen hebben opgelicht. Bovendien heeft veroordeelde geen alternatieve verklaring gegeven voor de Tikkie betalingen op zijn bankrekening.
Van het totale bedrag heeft veroordeelde 20% gekregen. De rechtbank komt daarmee tot een wederrechtelijk verkregen voordeel van 5.123,60.
Benadeelde partij
Op grond van artikel 36e, negende lid, van het Wetboek van Strafrecht worden bij de bepaling van de omvang van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, aan benadeelde derden in rechte toegekende vorderingen in mindering gebracht, om te voorkomen dat de veroordeelde hetzelfde wederrechtelijk verkregen voordeel meermalen zou moeten terugbetalen. Blijkens jurisprudentie van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2014:3097) moet het gaan om onherroepelijk toegekende vorderingen.
Omdat nog geen sprake is van een onherroepelijke in rechte toegekende vordering is er geen verplichting om deze in mindering te brengen op het wederrechtelijk verkregen voordeel. De rechtbank zal dat in dit geval wel doen. De toegekende materiële schade aan benadeelde partij [benadeelde partij] betreft een bedrag van 150,00.
Ten slotte is de rechtbank van oordeel dat de redelijke termijn weliswaar is overschreden, maar dat deze overschrijding al voldoende is gecompenseerd door matiging van de in de strafzaak aan de veroordeelde opgelegde straf wegens schending van de redelijke termijn. De rechtbank vindt daarin aanleiding in onderhavige ontnemingszaak te volstaan met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op art. 6, eerste lid, EVRM.
Betalingsverplichting
De rechtbank stelt het bedrag dat door veroordeelde dient te worden betaald aan de staat, vast op 4.973,60 ( 5.123,60 - 150,00) en zal derhalve aan veroordeelde de verplichting tot betaling van dit bedrag aan de staat opleggen.
Toepassing van de wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
Beslissing
Stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op 5.123,60.
Legt [veroordeelde] voornoemd de verplichting op tot betaling van een geldbedrag van 4.973,60 (zegge: vierduizend negenhonderd drieënzeventig euro en zestig cent) aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 99 dagen.
Deze uitspraak is gegeven door mr. H. van der Werff, voorzitter, mr. M.B.W. Venema en
mr. E.P. van Sloten, rechters, bijgestaan door mr. G. Langius, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 27 maart 2026.
mr. Van der Werff is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.