De geschillenregeling ten gronde
Einde inhoudsopgave
De geschillenregeling ten gronde (VDHI nr. 108) 2011/I.4:I.4 Het plan van behandeling
De geschillenregeling ten gronde (VDHI nr. 108) 2011/I.4
I.4 Het plan van behandeling
Documentgegevens:
prof.mr. C.D.J. Bulten, datum 28-04-2011
- Datum
28-04-2011
- Auteur
prof.mr. C.D.J. Bulten
- JCDI
JCDI:ADS382193:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Ik besteed terughoudend aandacht aan de gedwongen overgang van stemrecht van de stemgerechtigde pandhouder of vruchtgebruiker (art. 2:342 BW). Zie voor een bespreking van de vordering § 1V.5.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Dit boek bestaat uit acht hoofdstukken. Na een algemene beschouwing in hoofdstuk II, volgt de opbouw van het boek grofweg de lijn van een geschillenregelingprocedure. De variaties op de geschillenregeling in hoofdstuk VII complementeren het geheel.
In hoofdstuk II analyseer ik de aard en de achtergrond van de wettelijke geschillenregeling. Ik ga uitgebreid in op de totstandkomingsgeschiedenis van de procedure. Ook het wetsvoorstel Flex-BV en de daarbij behorende voorbereidende documenten komen aan bod. Het toepassing sbereik in art. 2:335 BW weerspiegelt de achtergrond van de reden van invoering van de geschillenregeling: een uitkomst bieden voor geschillen tussen aandeelhouders indien de aandelen niet eenvoudig verhandelbaar of verkoopbaar zijn. Van belang is de vraag of de geschillenregeling naar haar aard een vorm van onteigening is. In het verlengde hiervan valt de toets of sprake is van een inbreuk op de verdragsrechtelijke bescherming van het recht op het ongestoord genot van eigendom (art. 1 Eerste Protocol EVRM). Tot slot bestudeer ik de uitgangspunten voor een wettelijke regeling. Welke kenmerken en beginselen dienen mijns inziens aan een gedwongen aandelenoverdracht ten grondslag te liggen?
In hoofdstuk III verken ik de toetsingscriteria voor de toewijzing van de drie vorderingen.1 De elementen van de norm voor uitstoting (art. 2:336 lid 1 BW) en uittreding (art. 2:343 lid 1 BW) alsook de wijze van invulling van de norm — in de jurisprudentie — zijn de vertrekpunten. Het vervolgtraject in dit hoofdstuk wordt gevormd door de zoektocht naar een ander toetsingscriterium voor zowel de uitstoting als de uittreding.
De mogelijke partijen staan centraal in hoofdstuk IV. De eerste betrokkene is de initiërende aandeelhouder. Een gedagvaarde buitenlandse aandeelhouder strooit wellicht zand in de uitstotings- of uittredingsmachine, omdat de vordering mogelijk niet behandeld mag worden door de geadieerde rechter. De positie van de vennootschap in een geschillenregelingprocedure is fascinerend en onduidelijk tegelijkertijd. Is de vennootschap eigenlijk wel een partij? De gewijzigde status van de vennootschap in het wetsvoorstel Flex-BV geeft aanleiding tot onderzoek naar de (on)mogelijke inkoop van de aandelen.
Naast deze hoofdrolspelers — de aandeelhouders en de vennootschap — zijn er overige betrokkenen denkbaar. Ten eerste zijn er de pandhouder en de vruchtgebruiker. Heeft zo'n beperkt gerechtigde het stemrecht, dan kan dit hem onder omstandigheden worden ontnomen (art. 2:342 BW). Daarnaast kan het beperkte recht ook rusten op de in het geding zijnde aandelen. Een ander apart stel is de aandeelhouder ten titel van beheer (vaak een stichting administratiekantoor) en de certificaathouder. De ondernemingsraad sluit de rij van de overige betrokkenen.
De waardering en de overdracht van de aandelen — de tweede fase van de procedure komen in hoofdstuk V aan bod. Ik belicht in dit verband ook de rol van de deskundige. Hij brengt een bericht over de waarde uit en maakt dus deel uit van die waardering. De prijs van de aandelen wordt vervolgens vastgesteld door de rechter. De peildatum — de dag waartegen de aandelen gewaardeerd moeten worden — is een belangrijk element van de prijs van de aandelen. Een uitgebreide beschouwing over de thans gehanteerde peildatum en de wenselijke peildatum vormt de afsluiting van de beschouwingen over de waardering. De levering en de betaling zijn het sluitstuk van de procedure. Omdat de wettelijke bepalingen verre van eenvoudig zijn, bezie ik of de procedure van levering en betaling is te vereenvoudigen.
In dit boek is met hoofdstuk VI veel aandacht voor de procesrechtelijke aspecten van de wettelijke geschillenregeling. Na een bespreking van het subsidiaire karakter van de regeling, bekijk ik of de geschillenregeling per se een dagvaardingsprocedure moet zijn. Na deze algemene kenmerken zoom ik in op de bijzonderheden, zoals onder meer de betekeningsregels, de incidenten, de vonnissen, de uitvoerbaarheid bij voorraad, het hoger beroep en de het derdenverzet. In het wetsvoorstel Flex-BV wordt de procedure van de geschillenregeling onder handen genomen. Een analyse en beoordeling van de voorgestelde wijzigingen zijn eveneens opgenomen.
In hoofdstuk VII kijk ik over de grenzen van wettelijke geschillenregeling heen met een bespreking van de alternatieve(n) en connexe vorderingen. Welke (procedurele) wegen kunnen aandeelhouders bewandelen om tot een definitieve oplossing van hun geschil te komen, waarbij de aandelen worden overgedragen? In de eerste plaats is dat een eigen regeling. Ik licht niet de finesses en technicalities van diverse soorten eigen regelingen door, maar onderzoek in het algemeen waar een eigen regeling aan moet voldoen. In het bijzonder besteed ik aandacht aan arbitrage.
In de praktijk wordt voor een verstoorde verhouding tussen aandeelhouders regelmatig een oplossing gezocht met het enquêterecht. Achtereenvolgens komen de in het verleden voorziene aanvulling van de beide procedures, de gesignaleerde feitelijke samenloop en de mogelijk gewenste overlap aan de orde. Ik geef eveneens antwoord op de vraag of en zo ja, hoe, gedwongen aandelenoverdracht bij wijze van definitieve voorziening in een enquêteprocedure moet kunnen worden bevolen.
De gedragingen van een aandeelhouder kunnen eveneens aanleiding geven tot het instellen van een schadevergoedingsvordering op grond van onrechtmatige daad. In dit verband speelt het leerstuk van afgeleide schade.
De toepassing van de geschillenregeling in kort geding is het laatste te bespreken alternatief. Ik bestudeer de voorwaarden die gelden voor het bevelen van de uitstoting of uittreding bij wijze van voorlopige voorziening.
Ieder hoofdstuk sluit ik af met een synthese. De samenvatting van hoofdstuk VIII behelst een verkorte weergave van deze syntheses, alsook een opsomming van de door mij gedane aanbevelingen.
Het onderzoek is afgesloten op 1 januari 2011. Nadien verschenen literatuur en jurisprudentie heb ik zoveel mogelijk verwerkt.