Ambtshalve toepassing van EU-recht
Einde inhoudsopgave
Ambtshalve toepassing van EU-recht (BPP nr. XIV) 2012/4.3.4:4.3.4 Feitelijke grondslag
Ambtshalve toepassing van EU-recht (BPP nr. XIV) 2012/4.3.4
4.3.4 Feitelijke grondslag
Documentgegevens:
Mr. A.G.F. Ancery, datum 01-08-2012
- Datum
01-08-2012
- Auteur
Mr. A.G.F. Ancery
- JCDI
JCDI:ADS305848:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
163.
De Pénzügyi-zaak betrof een geval waarin een consument, de heer Schneider, een overeenkomst van geldlening had gesloten met Pénzügyi voor de aanschaf van een auto. Ook deze overeenkomst bevatte een forumkeuzebeding dat een rechter bevoegd verklaarde die niet ressorteerde in het ressort van de consument. Nadat een geschil ontstond, werd de heer Schneider door Pénzügyi gedagvaard voor die rechter. Pas na het toewijzende vonnis komt de heer Schneider in verzet. De behandelende rechter merkte op dat het forumkeuzebeding niet de rechter van de woonplaats van de gedaagde aanwees, hield de zaak aan en verwees een aantal vragen naar het HvJ EU. Een groot aantal van die vragen werd reeds beantwoord met het Pannon-arrest, maar de vraag die resteerde is zeker niet minder interessant:
“Wanneer de nationale rechter zelf bemerkt dat een contractueel beding eventueel oneerlijk is, kan hij dan, hoewel partijen geen verzoek daartoe hebben gedaan, ambtshalve een onderzoek instellen teneinde de voor die beoordeling noodzakelijke feitelijke en juridische omstandigheden vast te stellen, indien het nationale procesrecht een dergelijk onderzoek enkel op verzoek van partijen toestaat?”1
Wat voor de rechter in de Pénzügyi-zaak vooral van belang was om te weten, was of hij zijn lijdelijke rol ten aanzien van de bewijsvoering kon behouden, of dat hij als gevolg van de consumentenbeschermende EU-richtlijn ambtshalve bewijsverrichtingen moest gaan gelasten om het voor de (on)eerlijkheidstoets noodzakelijke feitelijke materiaal vergaard te krijgen. Het was voor de verwijzende rechter dus vooral een bewijskwestie.2 Deze prejudiciële vraag roept echter ook de vraag op of de verplichting van de nationale rechter met betrekking tot consumentenzaken wellicht niet al ophoudt bij het buiten de grenzen van de rechtsstrijd treden, maar ook vereist dat de rechter ambtshalve onderzoek doet. In dat geval zou een blik in het dossier niet langer volstaan.
164.
Om te beginnen onderscheidde het HvJ EU twee stadia in de beoordeling van een potentieel oneerlijk beding. Het eerste stadium betreft de vaststelling of de zaak onder de werkingssfeer van de Richtlijn valt, terwijl de eigenlijke oneerlijkheidstoets pas in het tweede stadium plaatsvindt. Voor de rechter betekent dit:
“(…) [D]e nationale rechter [is] verplicht (…) om ambtshalve maatregelen van instructie te nemen teneinde te kunnen vaststellen of een in een overeenkomst tussen een verkoper en een consument opgenomen exclusief territoriaal forumkeuzebeding dat het voorwerp vormt van het aan hem voorgelegde geding, binnen de werkingssfeer van de richtlijn valt, en zo ja, ambtshalve te toetsen of een dergelijk beding eventueel oneerlijk is.”3
Met het Pénzügyi-arrest doet de instructieplicht zijn intrede in het nationale proces. Wat betekent die plicht eigenlijk. En hoever reikt die plicht dan precies? Betreft deze slechts de fase waarin moet worden vastgesteld of de zaak onder de werkingssfeer van de Richtlijn valt, of ook de fase waarin de oneerlijkheidstoets moet worden uitgevoerd? Het spreekt voor zich dat in het laatste geval de gevolgen voor de nationale rechtsstelsels beduidend groter zijn, dan wanneer een dergelijke plicht is beperkt tot de eerste fase. Hoe dan ook, er rust in zaken die mogelijkerwijs onder de Richtlijn oneerlijke bedingen vallen in ieder geval een onderzoeksplicht op de rechter om te bepalen of zij daadwerkelijk onder de reikwijdte van deze Richtlijn vallen.