Einde inhoudsopgave
De enquêtegerechtigden bij de NV en de BV (VDHI nr. 153) 2018/8.5.3
8.5.3 Synthese
mr. K. Spruitenburg, datum 01-08-2018
- Datum
01-08-2018
- Auteur
mr. K. Spruitenburg
- JCDI
JCDI:ADS380638:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie hierover Van Solinge (2017) 492-493 en Timmerman (2008), p. 150
Zie onder meer Van Solinge (1998), Van Solinge (2017), Van Calker (2017), p. 544, Borrius (2016), p. 65-71.
Er is slechts eenmaal gedreigd met de inzet van het enquêterecht. In de BCCH-beschikking maakt de curator bezwaar tegen de toewijzing van het verzoek van de oorspronkelijke verzoeker om de enquêteprocedure te beëindigen. Volgens de curator zijn “het beleid en de gang van zaken binnen BCCH zodanig […] gefrustreerd dat (de ondernemingen van) BCCH en haar dochtervennootschappen schade is berokkend, met de faillissementen als gevolg.” De crediteuren hebben er zijns inziens recht op en belang bij om te weten of er sprake is van wanbeleid en of dat inderdaad tot de ondergang van BCCH heeft geleid. De daaropvolgende vraag aan wie dat te wijten is kan volgens de curator bij uitstek worden beantwoord door middel van het onderzoek. Dit laatste is naar zijn mening ook van belang bij een eventuele aansprakelijkstelling van het bestuur en/of andere partijen. De curator heeft daarnaast nog aangevoerd dat hij – zou het onderzoek worden beëindigd – zeker van zijn sinds 1 januari 2013 geldende enquêtebevoegdheid gebruik zal maken en “dat de basis van dat verzoekschrift in de kern exact dezelfde is als de basis van het verzoekschrift dat in deze kwestie is ingediend”, zie OK 24 februari 2014, ARO 2014/54 (Body Control Concepts Holding), r.o. 3.3. Door het ontbreken van rechtspraak is thans nog onduidelijk wanneer de curator van zijn enquêtebevoegdheid gebruik moet of mag maken. Kunnen derden de curator dwingen van de bevoegdheid gebruik te maken via de weg van art 69 Fw, ook als hij daarvoor niet voelt? Art. 69 Fw biedt de gefailleerde en de schuldeisers de mogelijkheid om invloed uit te oefenen op het beheer van de failliete boedel. Het handelen van de curator wordt dan vol getoetst. Dat betekent per saldo de rechter- commissaris of (in beroep) de rechtbank beslist over de vraag of de curator een enquêteverzoek moet indienen. De rechter-commissaris zal slechts overgaan tot een dergelijk bevel wanneer hier een boedelbelang bij gebaat is, dat wil zeggen wanneer de te verwachten baten groter zullen zijn dan de te verwachten kosten van de enquêteprocedure. Gelet op het feit dat de enquêteprocedure de afwikkeling van het faillissement vertraagt, kostenverhogend werkt, en niet zeker is of de bevindingen in de enquêteprocdure zullen leiden tot een aansprakelijkstelling en dus tot een vergroting van de boedel, zal een rechter-commissaris daartoe mijns inziens niet spoedig besluiten. Indien de curator zelf besluit om van zijn enquêtebevoegdheid gebruik te maken, heeft hij daartoe de machtiging van de rechtercommissaris nodig (art. 68 lid 3 Fw).
Rapport Lafarre/Schippers/Van den Bosch/Van der Elst/Van der Sangen (2018).
Zie § 7.3.3.
Rapport Lafarre/Schippers/Van den Bosch/Van der Elst/Van der Sangen (2018), p. 74.
Rapport Lafarre/Schippers/Van den Bosch/Van der Elst/Van der Sangen (2018), p. 76.
Rapport Lafarre/Schippers/Van den Bosch/Van der Elst/Van der Sangen (2018), p. 77-78.
Zie over het schrappen van art. 2:354 BW onder meer Van der Grinten & Kroeze (1997), p. 13; Van der Vlis (1997), p. 227-230; Van Solinge (1998), p. 57; Geerts, diss. (2004), p. 239; Van Brunschot (2008), p. 248; Van Solinge (2017), p. 507 en Van Calker (2017), p. 525. Van Solinge (2017), p. 507 en Van der Grinten en Kroeze (1997), p. 13 menen dat de vernietiging van dechargebesluiten niet thuishoort in de enquêteprocedure. Ook is ervoor gepleit om een tweede feitelijke instantie in de enquêteprocedure te introduceren, zie Josephus Jitta (2004), p. 17 en SER-advies 08/01, p. 52. Daarnaast gaan er stemmen op om van de enquêteprocedure een dagvaardingsprocedure te maken, zie Van Brunschot (2008), p. 248 en Van der Korst & Wassenaar (2010), p. 207-223. De minister wil zo ver echter niet gaan. Hij vreest dat dit ten koste zal gaan van de, alom geprezen, snelheid van de procedure, zie Kamerstukken II 2010-2011, 32 887, nr. 3 (MvT), p. 23.
Van Solinge (2017), p. 519.
Ook Geerts, diss. (2004), p. 87, is een voorstander van de enquêtebevoegdheid voor de bewindvoerder.
Asser-Maeijer 2-III, (2000), nr. 520.
De enquêtebevoegdheid is aan de curator verleend ter voorbereiding op en versterking van zijn positie in een aansprakelijkheidsprocedure tegen bestuurders en commissarissen. Die functie is op zichzelf niet in strijd met de doeleinden van het enquêterecht. In het verlengde van die doeleinden ligt immers de mogelijkheid om de rechtspersoon en diegenen die verantwoordelijk zijn voor eventueel wanbeleid in rechte aan te spreken tot vergoeding van de schade. Of de processuele waarborgen voor bestuurders en commissarissen voldoende zijn, is echter de vraag. Duidelijk is in ieder geval dat deze minder zijn dan bij de normale aansprakelijkheidsprocedures. Dat de curator de enquêteprocedure gebruikt om de oorzaken van het faillissement te achterhalen, daar heb ik op zichzelf niet zoveel tegen. De enquêteprocedure is daarvoor immers een nuttig middel. Wel meen ik dat belangrijk is om voor ogen te houden dat de enquêteprocedure geen aansprakelijkheidsprocedure is en als zodanig niet mag worden gebruikt.1 Dat karakter blijft gewaarborgd zolang de OK zich niet uitlaat of bemoeit met de aansprakelijkheid en een oordeel daarover aan de aansprakelijkheidsrechter overlaat. De tendens is echter dat steeds meer elementen van aansprakelijkheid in de enquêteprocedure sluipen.2 Nu de curator talrijke bevoegdheden heeft om zelf de oorzaken van het faillissement te achterhalen en de slagingskans van een aansprakelijkstelling te beoordelen, waarbij hij de regie over en de kosten van dat onderzoek in eigen hand houdt, verdient het mijns inziens de voorkeur dat hij daarvan gebruikmaakt. Dat gevoelen leeft onder de curatoren zelf vermoedelijk ook; zij hebben tot op heden nimmer gebruikgemaakt van de in art. 2:346 lid 3 BW vervatte enquêtebevoegdheid.3
Ook in de praktijk is de enquêtebevoegdheid van de curator minder goed ontvangen dan die van het bestuur en de raad van commissarissen onderscheidenlijk de niet uitvoerende bestuurders in een one tier board. Dit blijkt uit het rapport ‘Doelbereiking en effectiviteit van de wet aanpassing enquêterecht in de praktijk’.4 Bij de beoordeling van de enquêtebevoegdheid van het bestuur is bijna 80% van de respondenten positief. Hetzelfde geldt voor de beoordeling van de enquêtebevoegdheid van de raad van commissarissen.5 Daarentegen geeft ongeveer 51% van de respondenten een positieve beoordeling van de enquêtebevoegdheid van de curator. Volgens het rapport kan hieruit worden geconcludeerd dat de beoordeling van de enquêtebevoegdheid voor het bestuur en de raad van commissarissen positief is, terwijl de beoordeling voor de curator neutraal-positief is.6
Bij de opgave van redenen stelt een grote meerderheid van de respondenten dat de curator er belang bij kan hebben dat wordt vastgesteld of voorafgaand aan het faillissement wanbeleid heeft plaatsgevonden, maar wordt tevens veelvuldig aangegeven dat de curator ook zonder enquêtebevoegdheid reeds voldoende middelen heeft om aansprakelijkheidsacties voor te bereiden.7 Daarnaast hebben de respondenten de mogelijkheid gekregen om eigen redenen op te geven bij de beoordeling van de enquêtebevoegdheid van de curator. Vijf van de veertien respondenten menen dat de waarde van deze bevoegdheid in de praktijk klein zal zijn, bijvoorbeeld omdat de boedel ontoereikend kan zijn om een onderzoek te bekostigen. Een aantal respondenten is van mening dat de curator reeds een eigen onderzoek uitvoert in een faillissementssituatie, waardoor de toegevoegde waarde van de wetswijziging onduidelijk is en zelfs de Faillissementswet zou doorkruisen. Een aantal respondenten kaart aan dat deze bevoegdheid onwenselijk is ten aanzien van de tweede fase van een enquêteprocedure; zij stellen dat de vaststelling van aansprakelijkheid niet thuishoort in het enquêterecht omdat de enquêteprocedure niet met voldoende waarborgen omkleed zou zijn. Ook zou de curator de enquêteprocedure als oneigenlijk drukmiddel kunnen inzetten. Voorts stelt een tweetal respondenten aan de orde dat de bevoegdheid van de curator buiten de (oorspronkelijke) doeleinden van het enquêterecht valt. Tot slot komen slechts twee respondenten met een positieve opgaaf van eigen redenen; zij menen dat het onderzoek dat de curator uitvoert anders is dan een (onafhankelijk) onderzoek, waardoor de enquêtebevoegdheid de curator in staat stelt om een compleet beeld te krijgen van de gang van zaken in een rechtspersoon.8
Dit alles roept de vraag op of de enquêtebevoegdheid van de curator niet beter geschrapt kan worden. Aan de enquêteprocedure in de huidige vorm kleven mijns inziens de nodige bezwaren dat gebruikmaking daarvan door de curator in een breder kader dan waarvoor de procedure bedoeld is (aansprakelijkstelling), onwenselijk is. In de literatuur zijn reeds voorstellen gedaan om de vermenging van de enquêteprocedure en de aansprakelijkheidsprocedure tegen te gaan. Zo is voorgesteld dat de OK niet langer moet kunnen oordelen over het kostenverhaal en de vernietiging van dechargebesluiten.9 Voorts zou het oordeel wanbeleid geen bindende kracht en ook geen bewijsnadeel voor bestuurders en commissarissen in de aansprakelijkheidsprocedure moeten hebben. Het idee is dat de civiele rechter ‘zelfstandig’ zonder het oordeel wanbeleid van de OK-toets of er sprake is van een onbehoorlijke taakvervulling.10 Zou met dergelijke ingrepen de huidige vorm van de enquêteprocedure veranderen, dan heb ik minder moeite met de gebruikmaking daarvan door de curator. Het punt is echter dat de enquêteprocedure in dat geval weinig tot geen meerwaarde heeft voor de curator. De onderdelen waar het hem met name om te doen is (de doorwerking van het oordeel wanbeleid en de individualisering van wanbeleid), zijn er dan immers uit. De curator zal dus geen heil zien in het gebruik van zijn enquêtebevoegdheid (voor zover hij dat thans al ziet). De enquêtebevoegdheid van de curator kan wat mij betreft dan ook worden geschrapt.
Indien de wetgever de mogelijkheid van een enquête wil behouden ten aanzien van een vennootschap die in betalingsproblemen verkeert, dan gaat mijn voorkeur eerder uit naar de bewindvoerder ingeval de vennootschap surseance van betaling is verleend.11 Voor de bewindvoerder geldt dat hij het enquêterecht kan gebruiken om de gezonde verhoudingen te herstellen. De bewindvoerder beschikt bovendien over minder bevoegdheden dan de curator om de oorzaken betreffende de surseance te achterhalen (art. 223b Fw). De in surseance verkerende vennootschap is onbevoegd een daad van beheer of beschikking met betrekking tot de boedel te verrichten zonder medewerking, machtiging of bijstand van de bewindvoerder (art. 228 Fw), maar de organen van de rechtspersoon kunnen nog invloed uitoefenen op het beleid en de gang van zaken van de rechtspersoon. Daarnaast heeft ook de bewindvoerder bij het verrichten van zijn taak de medewerking nodig van de rechtspersoon. Indien die medewerking bij herhaling niet wordt verleend, kan een enquête naar het beleid en de gang van zaken zoals bepaald door de organen van de vennootschap, zinvol zijn.12