De rol en positie van de raad van toezicht van de stichting
Einde inhoudsopgave
De rol en positie van de raad van toezicht van de stichting (IVOR nr. 112) 2018/4.4.1:4.4.1 Inleiding
De rol en positie van de raad van toezicht van de stichting (IVOR nr. 112) 2018/4.4.1
4.4.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. M.J. van Uchelen-Schipper, datum 04-02-2018
- Datum
04-02-2018
- Auteur
mr. M.J. van Uchelen-Schipper
- JCDI
JCDI:ADS383694:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Ondernemingsrecht / Economische ordening
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook artikel 6WS 1956. Kamerstukken II 1953-1954, 3463, nr. 3, p. 9.
Artikel 2:43 lid 2, 2:211 lid 1 en 2:231 lid 1 BW.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De statuten van de stichting, die in aanvang door de oprichter zijn vastgesteld, kunnen slechts gewijzigd worden door een stichtingsorgaan indien de statuten daartoe opening bieden (artikel 2:293 BW). De statuten dienen uitdrukkelijk te voorzien in de mogelijkheid van wijziging van één, meerdere of alle bepalingen; die bevoegdheid wordt niet verondersteld.1 De oprichter kan in de statuten de mogelijkheid van statutenwijziging verlenen aan het bestuur, maar ook aan een ander stichtingsorgaan, zoals de raad van toezicht. De oprichter kan er voor kiezen het mogelijk te maken de statuten geheel te wijzigen of slechts bepaalde delen te wijzigen. Zo kan hij in de statuten bepalen dat wijziging van het doel van de stichting niet toegestaan is.
De stichting onderscheidt zich van andere rechtspersonen doordat doelwijziging statutair kan worden uitgesloten. Voor alle andere (corporatieve) rechtspersonen geldt dat elke statutaire bepaling, dus ook het statutaire doel, door de algemene vergadering kan worden gewijzigd. Voor zover de bevoegdheid tot wijziging van het doel bij een corporatieve rechtspersoon al bij de statuten is uitgesloten, is wijziging door de algemene vergadering niettemin mogelijk met algemene stemmen.2 Leden of aandeelhouders van corporatieve rechtspersonen hebben dus bij de bepaling van het doel in feite het laatste woord, ook als de statuten doelwijziging uitsluiten.
Indien het stichtingsbestuur (en/of de raad van toezicht, indien deze is ingesteld) wel bevoegd is om het doel te wijzigen, is het vervolgens de vraag of het doorvoeren van een (ingrijpende) doelwijziging geoorloofd is. Met welke belangen dient het wijzigingsbevoegde orgaan dan rekening te houden en welke rol heeft de raad van toezicht in verband met doelwijziging?