Ontwikkelingen in het civielrechtelijk conservatoir beslag in Nederland
Einde inhoudsopgave
Ontwikkelingen in het civielrechtelijk conservatoir beslag in Nederland (BPP nr. XV) 2013/5.6:5.6 Samenvatting en conclusie
Ontwikkelingen in het civielrechtelijk conservatoir beslag in Nederland (BPP nr. XV) 2013/5.6
5.6 Samenvatting en conclusie
Documentgegevens:
mr. M. Meijsen, datum 27-05-2013
- Datum
27-05-2013
- Auteur
mr. M. Meijsen
- JCDI
JCDI:ADS499517:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het landelijk aantal afgegeven beslagverloven laat, na een stijging in de jaren 2008/2009 vanaf 2010 een aanzienlijke daling zien, hetgeen vrijwel zeker wordt veroorzaakt door de verhoging van de griffiegelden. Eenzelfde beeld wordt zichtbaar bij rechtbank Amsterdam, waar jaarlijks de meeste beslagverloven worden afgegeven.
Het beeld uit 2006 dat het grootste aantal verzoekschriften conservatoir beslag wordt ingediend door en is gericht tegen een partij die handelt in het kader van de uitoefening van een beroep of bedrijf verandert niet wezenlijk in de jaren daarna. Op basis van de gegevens van rechtbank Amsterdam kan worden uitgegaan van een tendens waarbij het aandeel zakelijke geschillen waarvoor een beslagrekest wordt ingediend, stijgt en het aandeel bij een beslag betrokken natuurlijke personen, zowel als verzoeker als beoogd beslagene, daalt. Een oorzaak kan gelegen zijn in de verhoging van de griffierechten.
Het grootste aantal conservatoire beslagen bestaat uit derdenbeslag algemeen en de species daarvan, derdenbeslag onder een financiële instelling, zo bleek in 2006. De gegevens van rechtbank Amsterdam, waar op grond van ongewijzigd beleid het leggen van bankbeslag wordt gefaciliteerd door geen vermelding van bankrekeningnummers te verlangen, laten in 2011/2012 een stijging van het aantal bankbeslagen zien.
De verhouding tussen enkelvoudig en meervoudig verlof lijkt op basis van de gegevens van rechtbank Amsterdam de laatste jaren iets te verschuiven van meervoudig naar enkelvoudig. Een goede verklaring hiervoor is moeilijk te geven. De hoogte van de vordering die aan het beslag ten grondslag wordt gelegd lijkt op grond van de gegevens van rechtbank Amsterdam de laatste jaren iets te stijgen.
Onbetaalde facturen zijn en blijven de belangrijkste categorie zaak waarin conservatoir beslag wordt gelegd. Het aantal zaken waarin in de hoofdzaak een geldlening/kredietrelatie hier aanleiding toe is, stijgt in Amsterdam.
Uit het kwalitatieve onderzoek in 2008 is gebleken dat conservatoir beslag in veel gevallen niet alleen werd gelegd om verhaal of levering zeker te stellen: het leggen van druk op de wederpartij speelt vaak (mede) een rol. Ook blijkt het risico van beroepsaansprakelijkheid en tuchtrechtelijke laakbaarheid van de advocaat een rol te spelen bij de afweging of beslag wordt gelegd. De uitspraken op dit gebied laten zien dat hierbij de beroepsregels advocatuur een rol van betekenis spelen, dat op grond hiervan verwacht wordt dat de advocaat met de cliënt overlegt over te voeren beleid en dat, als hier aanleiding voor is, met het leggen van beslag niet onnodig lang gewacht moet worden.
De financiële en/of emotionele belastendheid van een beslag is gebleken niet zozeer afhankelijk van de aard van het beslag te zijn als wel van de omvang en meervoudigheid hiervan en de omstandigheden waarin de beslagene verkeert.
Omdat een beslagrekest slechts door de verzoeker die conservatoir beslag wenst te leggen verstrekte informatie bevat, vindt de summiere beoordeling door de voorzieningenrechter van een beslagrekest plaats op basis van eenzijdig informatie. De aankomend beslagene wordt in de meeste gevallen niet gehoord. Sedert de inwerkingtreding van de Beslagsyllabus juni 2011 dient de verzoeker meer informatie in en bij het beslagrekest te verstrekken dan voorheen. Het gaat hierbij om bewijsstukken en stellingen waaruit de vordering die aan het beslag ten grondslag wordt gelegd blijken, het verweer van de beoogd beslagene en de redenen voor het beslag. De Beslagsyllabus attendeert de verzoeker al langer op het algemene artikel 21 Rv, op grond waarvan de voorzieningenrechter volledig en naar waarheid geïnformeerd dient te worden. Dit maakt het minder gemakkelijk om feiten en/of omstandigheden uit het verzoekschrift weg te laten op grond waarvan de voorzieningenrechter tot het oordeel zou kunnen komen dat (mogelijk) sprake is van een onnodig of vexatoir beslag of een belangenafweging zou kunnen maken waarin het belang van de aankomend beslagene meeweegt, dan wel de beoogd beslagene in verband hiermee zou kunnen gaan horen of een voorlopig verlof afgeven. Indien een verzoeker bewust een verkeerde voorstelling van zaken geeft dan loopt deze het reële risico dat het verlof niet wordt toegewezen dan wel dat het beslag in een opheffingskortgeding wordt opgeheven.
In het beslagrekest dient de verzoeker een waarheidsgetrouwe, volledige, plausibele, consistente, juridische logische en met bewijsstukken onderbouwde uiteenzetting van de vordering die aan het beslag ten grondslag wordt gelegd te geven, waarin tevens het verweer van de beoogd beslagene is opgenomen. Ook dienen de redenen voor het beslag te worden vermeld, waarbij wordt beoogd om een beoordeling van de proportionaliteit en subsidiariteit in het kader van de belangenafweging mogelijk te maken. De voorzieningenrechter kan zich met deze informatie ten behoeve van de beoordeling in ieder geval een diepgaander beeld van de vordering en de omstandigheden rondom het beslag vormen. Alhoewel het hier om een niet eenvoudige opgave gaat, en de verzoeker ook niet steeds over hiervoor benodigde informatie zal beschikken zal, naar men mag aannemen, de beoordelend voorzieningenrechter door de aanscherping van de vereisten waaraan een beslagrekest dient te voldoen, beter in staat moeten worden geacht om situaties te herkennen waarin nader onderzoek gepleegd moet worden voordat verlof verleend kan worden.
Een en ander neemt niet weg dat de procedure van verlofverlening eenzijdig is, en ook na de wijzigingen in de Beslagsyllabus juni 2011 blijft, omdat, behoudens de situaties waarin de beslagene wordt gehoord (al dan niet na het verlenen van voorlopig verlof of in het kader van een grijsmaking) de beoogd beslagene zelf in dit stadium geen mogelijkheden heeft om zelf zijn kant van de zaak bij de beoordelend voorzieningenrechter naar voren te brengen. De waarborgaspecten voor de beslagene die de (wettelijke) regeling kent, te weten het feit dat een voorzieningenrechter verlof moet verlenen en de termijn voor het instellen van de hoofdzaak, maken niet dat daarmee een evenwichtige positie tussen beslaglegger en beoogd beslagene ontstaat. Daar staat tegenover dat het horen van de beoogd beslagene, voorafgaand aan het verlenen van verlof, het risico in zich heeft dat deze vermogensbestanddelen laat verdwijnen en zo beslaglegging onmogelijk maakt. Dit leidt tot de omstandigheid dat onevenwichtigheid binnen de eerste pijler inherent is aan verlofverlening.