Einde inhoudsopgave
Executele (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2007/VII.G.5
VII.G.5. Faciliteiten in de Successiewet 1956 voor de wettelijke verdeling Wettelijke analogie?
Prof.mr. B.M.E.M. Schols, datum 07-12-2007
- Datum
07-12-2007
- Auteur
Prof.mr. B.M.E.M. Schols
- JCDI
JCDI:ADS402668:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie onder meer W BURGERHART, B.M.E.M. SCHOLS en FWJ.M. SCHOLS,'De ventielbepaling'; het successierechtelijk opblazen en laten leeglopen van erfrechtelijke verkrijgingen, FBN 2003 nr. 23 en recentelijk hierover B.M.E.M. SCHOLS en J.P.M. STUBBE, Erflater spreekt, ook over de rente!, FBN 2007 nr. 34. In deze laatste bijdrage wordt ingegaan op de beperkte uitleg van de belastingdienst van het fenomeen 'ventieltechniek' en wordt het ministerie opgeroepen om duidelijkheid te verschaffen.
Art. 1lid3 SW 1956.
Zie art. 30 lid 1 SW 1956, alsmede EstateTip Review 2004-32, De stekker uit de verdelingtrekken is geen handeling in de zin van art. 30 SW, oftewel neem in ieder flexibel langstlevendentestament een verdeling op, Boom Juridische uitgevers Den Haag.
M.J. HOOGEVEEN, Quasi-wettelijke verdeling: art. 10 SW 1956 proof?, NTFR 2006, 1306 suggereert in de betreffende opinie dat de quasi-wettelijke verdeling onder art. 10 SW 1956 zou kunnen vallen. Anders J.P.M. STUBBE, Reactie. De toepassing van de fictie van art. 10 SW 1956 leidt wel tot erg veel misverstand, NTFR 2006, 1373. Mijns inziens kunnen de navolgende argumenten worden ingebracht tegen de stelling dat art. 10 SW 1956 van toepassing zou kunnen zijn op de quasi-wettelijke verdeling (en andere langstlevendetestamen-ten).Ten eerste. Art. 10 SW 1956 ziet niet op eenzijdige rechtshandelingen zoals een uiterste wilsbeschikking. Ten tweede. Uit art. 4: 201 BW blijkt dat legaten (lees: de vorderingen) van rechtswege verkregen worden. Ten derde. Indien art. 10 SW 1956 van toepassing zou zijn, zou er sprake zijn van 'dubbele heffing'. Art. 10 lid 4 SW 1956 kent geen faciliteit voor teruggaaf van successierecht verschuldigd bij het 'eerste' overlijden. Ten vierde. In MvT 27 245, nr. 3, p. 20 wordt in het kader van de fiscale behandeling van de wilsrechten geconstateerd dat de rechten van de kinderen rechtstreeks voortvloeien uit de wet en derhalve geen sprake is van een rechtshandeling in de zin van art. 10 SW 1956.Voor 'wet' mag mijns inziens ook gelezen worden: (voortvloeien uit) de uiterste wilsbeschikking.
Aldus ook nog een keer uitdrukkelijk vermeld in de parlementaire geschiedenis, TK 27 245,nr. 3 p. 20.
De praktijk loopt geen risico en redt zich thans met de zogeheten'handmatige ventieltechniek'gebaseerdop het successierechtelijke beginsel: 'erflater spreekt'.
Dit speelt als men zich op het standpunt stelt dat uiterste wilsbeschikking in art. 1 lid 5 SW 1956 gelezen dient te worden als een in een uiterste wilsbeschikking bevestigde wettelijke verdeling. Men zou ook kunnen stellen dat de faciliteiten ten behoeve van de wettelijke verdeling alleen gegeven worden, omdat het 'versterferfrecht' is en geen uiterste wilsbeschikking.
Welke faciliteiten zijn er in de fiscale aanpassingswet op grond van het nieuwe erfrecht in de Successiewet 1956 opgenomen voor de wettelijke verdeling?
Allereerst de 'ventieltechniek'1 van art. 1 lid2 SW 1956 oftewel de mogelijkheid om na het overlijden de rente over de vordering van overbedeling nog te wijzigen zonder schenkingsperikelen en waarbij deze nadere overeenkomst voor de heffing van het successierecht gevolgd wordt.
Een ander interessant feit is dat de ongedaanmakingshandeling van art. 4:18 BW geen schenking2 is en geen handeling is in de zin van art. 30 SW 1956.3 Daarnaast worden onderbedelingsvorderingen renteloos gewaardeerd bij het eerste overlijden zelfs al is er een 'kleine' rente op grond van de wet, en het omzetten van vererfbaar vermogen in niet vererfbaar vermogen gaat via de brug van de wilsrechten voor art. 10 SW 1956 vrijuit.4 Immers, hetgeen wordt verkregen krachtens uitoefening van een wilsrecht, wordt voor de toepassing van de Successiewet niet aangemerkt als een verkrijging krachtens erfrecht aldus de slotzin van art. 1 lid 2 SW 1956.5
De vraag is of al deze faciliteiten ook van toepassing zouden zijn op de 'quasi-wettelijke verdeling'.
De Successiewet 1956 biedt een mooi aanknopingspunt voor analoge toepassing van deze faciliteiten op de 'quasi-wettelijke verdeling'. En wel in art. 1 lid5 SW1956:
'Indien ten gevolge van uiterste wilsbeschikkingen die inhoudelijk overeenkomen met het bepaalde in afdeling 1 van titel 3 van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek geldvorderingen of wilsrechten opkomen, worden die voor de toepassing van deze wet op dezelfde wijze behandeld als de geldvorderingen en wilsrechten bedoeld in artikel 13, derde lid, onderscheidenlijk de artikelen 19, 20, 21 en 22 van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek.' (Curs. BS)
Ook hier weer de gevleugelde woorden 'inhoudelijk overeenkomen'.Woorden die we herkennen uit de conceptversie van art. 5.4 Wet IB 2001. Als leidraad voor art. 1 lid 5 SW 1956 ligt het dan ook voor de hand om aan te sluiten bij de hierboven aangestipte criteria: alle goederen naar de langstlevende, alle schulden, krachtens verdeling van de nalatenschap.
Tot nader bericht kan men het er op houden dat de wetgever met art. 1 lid 5 SW 1956 de deur ook open heeft gezet voor een analoge toepassing van de faciliteiten op bepaalde uiterste wilsbeschikkingen. Zo niet, dan blijft de flexibiliteit van de 'quasi-wettelijke verdeling' nog steeds overeind.6
Toch de vraag hoe de 'quasi-wettelijke verdeling' in het systeem van de Successiewet ingepast zou worden als de analogiegedachte van art. 1 lid 5 SW 1956 niet zou bestaan (dan wel niet van toepassing zou zijn).7 Bij de beantwoording van deze belangrijke vraag ontkomt men niet aan de vraag naar de plaats van de zuivere contractuele verdeling in de Successiewet. Zeker nu Monteiro in haar commentaar onder het besluit van 12 augustus 2004 in het NTFR 2004/1298 het volgende opmerkt:
'Voormelde antwoorden doen de vraag rijzen hoever de fiscale wetgever wenst te gaan met het facilieren van verdelingen die een soortgelijke uitkomst hebben als de wettelijke verdeling. In de Estate Planningspraktijk kent men bijvoorbeeld het instrument van de''quasi-wettelijke verdeling''. [...] De quasi-wettelijke verdeling vloeit niet voort uit de wet en wordt anders dan de ouderlijke boedelverdeling niet van rechtswege per tijdstip van overlijden geeffectueerd, maar pas op een later tijdstip tot stand gebracht. Of de uitkomst van een dergelijke quasi-wettelijke verdeling -al dan niet partieel uitgeoefend- successierechtelijk wordt gevolgdis onderwerp van discussie. Mijns inziens zou het niet goed binnen het systeem van de SW 1956 passen om de uitkomst van een quasi-wettelijke verdeling te volgen, nu in het successierecht de hoofdregel geldt dat niet de uitkomst van een verdeling wordt gevolgd, maar dat de erfrechtelijke gerechtigdheid per overlijdensdatum bepalend is.' (Curs. BS)
Nogmaals: als de 'quasi-wettelijke verdeling' reeds rechtstreeks onder de analogiegedachte van art. 1 lid 5 SW 1956 valt, komen we aan de door Monteiro opgeworpen 'systeemkwestie', waarbij zij zich laat leiden door de 'erfrechtelijke gerechtigdheid per overlijdensdatum', in beginsel niet meer toe.Vooraf merk ik op, dat men anders dan Monteiro lijkt te doen, steeds voor ogen dient te houden dat een quasi-wettelijke verdeling uit de aard een uiterste wilsbeschikking is en geen contractuele regeling tussen erfgenamen. Hierna, in de volgende paragrafen, zal ik argumenten aandragen waarmee naar mijn mening de stelling van Monteiro weerlegd kan worden.
Hiervoor kan inspiratie worden opgedaan bij de successierechtelijke benadering door de Duitse Successiewetgever van de 'Adam en Eva' van de 'quasi-wettelijke verdeling', te weten de 'Teilungsanordnung''(§ 2048 BGB). Een instrument dat in de loop der jaren 'body' heeft gekregen met het vlees en bloedvan de Testamentsvollstrecker (§ 2208 BGB). Ingredienten die ons zonder meer doen denken aan het verdelen van de nalatenschap door een executeur- afwikkelingsbewindvoerder.
Overigens wordt een Teilungsanordnung ook nog al eens opgetuigd met een 'Auflage' (§1940 BGB), waarbij gedacht moet worden aan onze testamentaire last.
Het is goed om op te merken dat een Teilungsanordnung net als een 'quasi-wettelijke verdeling' slechts verbintenisrechtelijk van aardis en niet zoals de ouderlijke boedelverdeling goederenrechtelijk van aard. Aan de Teilungsa-nordnung dient dan ook na het overlijden nog uitvoering te worden gegeven. Dit valt vanzelfsprekend onder de 'core business' van deTestamentsvollstrecker.