De officier van justitie had blijkens de bestreden beschikking ook aangevoerd dat de airpods waren vernietigd, maar de rechtbank heeft dat niet bevestigd.
HR, 02-04-2024, nr. 22/02202 B
ECLI:NL:HR:2024:510
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
02-04-2024
- Zaaknummer
22/02202 B
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2024:510, Uitspraak, Hoge Raad, 02‑04‑2024; (Cassatie, Beschikking)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:163
ECLI:NL:PHR:2024:163, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 13‑02‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:510
- Vindplaatsen
RvdW 2024/430
Uitspraak 02‑04‑2024
Inhoudsindicatie
Beklag, beslag ex art. 94 Sv op horloges, tassen, schoenen, portemonnees, airpods, telefoon, administratie en contant geld onder klagers t.z.v. verdenking van grootschalige invoer van en handel in verdovende middelen en witwassen. Ontvankelijkheid cassatieberoep i.v.m. vernietiging van airpods (voorwerp 36), art. 134.2.c jo. 117 Sv. HR: Om redenen vermeld in CAG, kan HR het cassatieberoep van klagers v.zv. dit ziet op voorwerp 36 niet in behandeling nemen. CAG: Uit gegevens van OM blijkt dat airpods inmiddels zijn vernietigd en beslag daardoor alsnog is beëindigd, zodat klagers niet kunnen worden ontvangen in cassatieberoep v.zv. gericht tegen n-o verklaring van klaagschrift t.z.v. airpods. Klagers (partieel) n-o t.a.v. airpods.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/02202 B
Datum 2 april 2024
BESCHIKKING
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Overijssel van 20 mei 2022, nummers RK 22/50 en 22/51, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv, ingediend
door
[klager] ,
geboren te [geboorteplaats ] op [geboortedatum ] 1980
en
[klaagster]
geboren te [geboorteplaats ] op [geboortedatum ] 1981,
hierna: de klagers.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de klagers. Namens deze heeft N. van Schaik, advocaat te Utrecht, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd deels tot niet-ontvankelijk verklaring van de klagers in het beroep in cassatie en deels tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep naar aanleiding van het eerste cassatiemiddel
De Hoge Raad kan het cassatieberoep van de klagers voor zover dit ziet op het inbeslaggenomen voorwerp met nummer 36 niet in behandeling nemen. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 3. Het cassatiemiddel blijft daarom onbesproken.
3. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van de rechtbank beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover het gericht is tegen de beslissing van de rechtbank dat het klaagschrift ten aanzien van voorwerp nummer 36 (Apple airpods) niet-ontvankelijk is;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren T.B. Trotman en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 april 2024.
Conclusie 13‑02‑2024
Inhoudsindicatie
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 22/02202 B
Zitting 13 februari 2024
CONCLUSIE
P.M. Frielink
In de zaak
[klager 1] en [klager 2]
geboren te [geboorteplaats]
op respectievelijk [geboortedatum] 1980 en [geboortedatum] 1981
hierna: de klagers
1. Het cassatieberoep
1.1
De rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, heeft bij beschikking van 20 mei 2022 het op grond van art. 552a Sv ingediende klaagschrift van de klagers, strekkende tot teruggave van 37 voorwerpen, ten aanzien van 13 voorwerpen niet-ontvankelijk verklaard en ten aanzien van de resterende voorwerpen ongegrond verklaard.
1.2
Op 23 mei 2022 is namens de klagers beroep in cassatie ingesteld. N. van Schaik, advocaat te Utrecht, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.
1.3
Het eerste middel is gericht tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de klagers ten aanzien van de in beslag genomen Apple airpods. Het tweede middel is gericht tegen de motivering van de ongegrondverklaring van het beklag ten aanzien van de goederen die nog niet zijn teruggegeven.
2. De zaak
2.1
De klager [klager 1] is op 25 september 2020 Schiphol aangehouden op verdenking van grootschalige invoer van en handel in verdovende middelen. Onder hem zijn de voorwerpen 30 tot en met 37 in beslag genomen. Op dezelfde dag heeft in de woning van de klaagster [klager 2] , zijnde de (ex)partner van klager [klager 1] en tevens diens laatste woonadres, een doorzoeking plaatsgevonden, waarbij de voorwerpen 1 tot en met 29 in beslag zijn genomen. De klager [klager 2] wordt verdacht van witwassen. Alle voorwerpen zijn op grond van art. 94 Sv in beslag genomen.
2.2
De klagers hebben op 5 april 2022 gezamenlijk een klaagschrift ingediend, waarin zij zich op het standpunt hebben gesteld dat de in beslag genomen goederen dienen te worden teruggegeven, omdat het strafrechtelijk onderzoek is afgerond en het beslag daarom niet langer de waarheidsvinding kan dienen.
3. De ontvankelijkheid van het cassatieberoep
3.1
Door de griffie van de Hoge Raad is bij het openbaar ministerie geïnformeerd naar de status van het beslag. Uit de – in een zeer laat stadium – ontvangen gegevens blijkt dat de Apple airpods inmiddels zijn vernietigd.1.Daardoor is het beslag alsnog beëindigd, zodat de klagers niet kunnen worden ontvangen in het cassatieberoep voor zover dat is gericht tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het klaagschrift ter zake van de airpods.2.Het eerste middel, dat is gericht tegen die niet-ontvankelijkverklaring, kan dan ook niet tot cassatie leiden en blijft buiten bespreking.
4. Het tweede middel
4.1
In het tweede middel wordt geklaagd dat de rechtbank op onbegrijpelijke gronden heeft geoordeeld “dat (voortduring van) het beslag op de voorwerpen met nummers 1, 2, 3, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 18, 19, 20, 21, 22, 24, 25, 26, 27, 28, 32, 33, 34, 35 en 37 (a) kan dienen om de waarheid aan de dag te brengen c.q. (b) het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter – later oordelend – de verbeurdverklaring van deze voorwerpen zal bevelen.”
4.2
De bestreden beschikking houdt onder meer het volgende in:
“De rechtbank heeft kennis genomen van het door de officier van justitie overgelegde dossier van de strafzaak tegen klagers, in welke strafzaak de inbeslagneming heeft plaatsgevonden.
[…]
Maatstaf
Het beklag richt zich tegen een beslag dat is gelegd op grond van artikel 94 Sv. De rechtbank dient daarom a) te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo neen, b) de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp aan de beslagene te gelasten, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van die voorwerpen moet worden beschouwd. In dat laatste geval moet het beklag ongegrond worden verklaard.
Feiten en omstandigheden
Op 25 september 2020 is op grond van artikel 94 Sv beslag gelegd op de hiervoor genoemde voorwerpen.
Overwegingen
Klagers wensen de overige inbeslaggenomen voorwerpen terug te krijgen.
De rechtbank is echter van oordeel dat de voorwerpen kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen en het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van de voorwerpen zal bevelen, gelet op de aan de Opiumwet gerelateerde verdenkingen tegen klagers.
Conclusie
De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat het klaagschrift ongegrond moet worden verklaard ten aanzien van de voorwerpen met nummers 1, 2, 3, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 18, 19, 20, 21, 22, 24, 25, 26, 27, 28, 32, 33, 34, 35 en 37.”
4.3
Achter de door de rechtbank in haar conclusie opgesomde nummers gaan schuil vier Rolex horloges (nrs. 2, 3, 8 en 35), drie echtheidscertificaten voor Rolex horloges (nrs. 5, 6 en 7), twee lege Rolex dozen (nrs. 9 en 10), tassen en portemonnees van Louis Vuitton (nrs. 18, 19, 20, 21, 22, 24, 25, 26), Gucci gympen (nr. 28), een portemonnee (nr. 27), een Blackberry telefoon (nr.1 ), administratie (nr. 37) en contant geld (nrs. 32, 33 en 34).
4.4
In het inleidend klaagschrift is gesteld dat de in beslag genomen voorwerpen toebehoren aan de klagers en dat ze “geen enkele betrekking (hebben) op de zaak”. De klagers zien niet in dat ruim anderhalf jaar na de inbeslagname de voorwerpen nog steeds kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen, omdat het onderzoek ook volgens het openbaar ministerie geheel is afgerond. De klagers stellen dat zij ernstig worden gehinderd door het uitblijven van teruggave van de goederen.
4.5
Bij de behandeling van het klaagschrift in raadkamer heeft de raadsvrouw van de klagers het klaagschrift als volgt toegelicht:
“Er ligt klassiek beslag sinds september 2020. Er is 20 maanden geen actie ondernomen. Er is geen onderzoeksbelang meer. Het voortduren van het beslag is in strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde.
Klagers hebben reeds meerdere malen om teruggave van de goederen verzocht.
Gistermiddag hoorde ik van het Openbaar Ministerie dat ze van plan zijn conservatoir beslag te gaan leggen. Het is niet terecht dat er nu nog conservatoir beslag gelegd gaat worden, maar het is ook geen belang dat zich tegen teruggave verzet (HR 22 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3711).
Er wordt door het Openbaar Ministerie niet gerept over witwassen of ontneming. Als maatstaf geldt de vraag: is het hóógst onwaarschijnlijk dat de rechter aan de verdachte een verplichting tot betaling van een geldboete of een geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel dan wel schadevergoedingsmaatregel zal opleggen? Het antwoord daarop luidt: nee, aangezien de verdenking is gebaseerd op de in beslag genomen 4500 kilo cocaïne. Het gaat vooral om waardevolle goederen (…). Het klaagschrift dient gegrond te worden verklaard.”
4.6
Door de officier van justitie is in de reactie op het klaagschrift gesteld dat het beslag niet moet worden beëindigd en dat de voorwerpen niet moeten worden teruggegeven, omdat genoemde voorwerpen o.a. dienen ter verbeurdverklaring. Bij de behandeling van het klaagschrift in raadkamer heeft de officier van justitie opgemerkt dat er “verbeurdverklaring [kan] worden gevorderd gelet op de aangetroffen verdovende middelen.”
4.7
In het middel wordt in het bijzonder geklaagd dat (i) het opsporingsonderzoek ten tijde van de behandeling van het klaagschrift reeds was afgerond en dat mede daarom niet valt in te zien waarom het strafvorderlijk onderzoeksbelang het voortduren van het beslag nog zou vorderen en (ii) de motivering van de beschikking niet is toegespitst op de in artikel 33a Sr genoemde vereisten voor verbeurdverklaring, terwijl ook overigens niet valt in te zien waarom de inbeslaggenomen voorwerpen – in het licht van de (niet nader omschreven) Opiumwet-gerelateerde verdenkingen tegen de klagers – vatbaar zouden zijn voor verbeurdverklaring.
4.8
De rechtbank heeft vastgesteld dat de voorwerpen onder de klagers in beslag zijn genomen op de voet van art. 94 Sv. In een dergelijk geval dient de rechter a) te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert en, zo nee, b) de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp te gelasten aan de klagers indien deze redelijkerwijze als rechthebbenden ten aanzien van dat voorwerp moeten worden beschouwd.3.Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave indien het veiligstellen van de belangen waarvoor art. 94 Sv de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer de desbetreffende voorwerpen kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen en wanneer het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van het voorwerp zal bevelen.4.
4.9
De beklagrechter dient bij de beoordeling van een klaagschrift in aanmerking te nemen dat het onderzoek in raadkamer een summier karakter draagt. Hij mag niet ten gronde treden in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren strafzaak. Dat betekent dat de beklagrechter niet vooruit mag lopen op beslissingen die in de nog volgende strafprocedure moeten worden genomen. Daarbij past dat de beklagrechter weinig ruimte heeft om een beklag gegrond te verklaren. Zo kan hij enkel wanneer het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, een voorwerp verbeurd zal verklaren, oordelen dat het beklag gegrond is. Het moet dan gaan om gevallen waarin het vrijwel is uitgesloten dat de strafrechter het voorwerp verbeurd zal verklaren. De beperkte ruimte die de beklagrechter toekomt, werkt door naar de omvang van de motivering. Het oordeel dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter een voorwerp zal verbeurd verklaren, behoeft nauwelijks motivering. De omvang van de motivering hangt uiteraard wel af van hetgeen door en namens klager (in het klaagschrift en in raadkamer) is aangevoerd en van hetgeen door de officier van justitie is betoogd.5.De motivering van het oordeel van de rechtbank kan besloten liggen in de vaststellingen van de rechtbank, bijvoorbeeld ten aanzien van de bestaande verdenking.6.Bovendien betekent het ontbreken van een nadere motivering van het oordeel dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring zal bevelen niet zonder meer dat dat oordeel onbegrijpelijk is.7.
4.10
Terug naar de zaak. Met de steller van het middel ben ik van mening dat het oordeel van de rechtbank dat het beslag op de in randnr. 4.3 benoemde voorwerpen (nog) kan dienen om de waarheid aan de dag te brengen, niet zonder meer begrijpelijk is. Het onderzoek was – ook volgens het openbaar ministerie – afgerond. In zoverre slaagt het middel.
4.11
Tot cassatie behoeft dit echter niet te leiden. De beklagrechter heeft aan de ongegrondverklaring van het beklag immers ook ten grondslag gelegd dat verbeurdverklaring van de betreffende voorwerpen niet hoogst onwaarschijnlijk is. Dat oordeel kan de ongegrondverklaring van het beklag zelfstandig dragen. Wat betreft de motivering van dat oordeel is relevant dat de officier van justitie zich op het standpunt heeft gesteld dat verbeurdverklaring van de in beslag genomen voorwerpen kan worden gevorderd “gelet op de aangetroffen verdovende middelen”. Van de zijde van de klagers zijn daar in het geheel geen argument tegenover gesteld. Onder die omstandigheden kon de beklagrechter mede gelet op de aard van de inbeslaggenomen voorwerpen (onder meer dure horloges en tassen) het beklag ongegrond achten en volstaan met de summiere overweging dat “het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van de voorwerpen zal bevelen, gelet op de aan de Opiumwet gerelateerde verdenkingen tegen klagers.”
4.12
Het middel slaagt deels, maar tot cassatie behoeft dat niet te leiden bij gebrek aan belang.
5. Slotsom
5.1
De klagers zijn niet ontvankelijk in het cassatieberoep voor zover het beklag is gericht tegen de in beslag genomen Apple airpods. Deze voorwerpen zijn na een daartoe verleende machtiging als bedoeld in art. 117 Sv vernietigd. Het eerste middel blijft daarmee buiten beschouwing Het tweede middel slaagt deels, maar behoeft bij gebrek aan belang niet tot cassatie te leiden. Het tweede middel kan worden afgedaan met een op art. 81 lid 1 RO gebaseerde overweging.
5.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beschikking aanleiding behoren te geven.
5.3
Deze conclusie strekt deels tot niet-ontvankelijk verklaring van de klagers in het beroep in cassatie en deels tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 13‑02‑2024
Vgl. HR 7 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1813, rov. 2.5.
HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654, m.nt. P.A.M. Mevis, rov. 2.8.
HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654, m.nt. P.A.M. Mevis, rov. 2.9 en 2.11 en HR 31 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:128, NJ 2023/149, m.nt. P.A.M. Mevis, rov. 2.3.1.
Vgl. o.m. HR 31 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:81, NJ 2023/150, m.nt. P.A.M. Mevis, rov. 2.4.2.; HR 31 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:128, NJ 2023/149, m.nt. P.A.M. Mevis, rov. 3.3; HR 20 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ6737, rov. 2.5. Vgl. ook HR 14 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:387, rov 2.5, HR 7 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:166, rov. 3.6.2 en HR 29 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW6668, rov. 3.6.
HR 7 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:73, rov. 2.5.2; HR 8 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1971, rov. 3.6.
HR 16 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:245, rov. 2.4.