Hof Arnhem-Leeuwarden, 15-12-2015, nr. 200.106.616
ECLI:NL:GHARL:2015:9515
- Instantie
Hof Arnhem-Leeuwarden
- Datum
15-12-2015
- Zaaknummer
200.106.616
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHARL:2015:9515, Uitspraak, Hof Arnhem-Leeuwarden, 15‑12‑2015; (Hoger beroep)
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHARL:2014:3535
ECLI:NL:GHARL:2014:3535, Uitspraak, Hof Arnhem-Leeuwarden, 29‑04‑2014; (Hoger beroep)
Einduitspraak: ECLI:NL:GHARL:2015:9515
- Vindplaatsen
ERF-Updates.nl 2016-0070
ERF-Updates.nl 2014-0043
Uitspraak 15‑12‑2015
Inhoudsindicatie
Onwaardigheid. Vergeving. Vervolg op het tussenarrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 29 april 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:3535 waarin het hof aan de man bewijs heeft opgedragen van zijn stelling dat de vrouw hem zijn gedragingen heeft vergeven
Partij(en)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.106.616
(zaaknummer rechtbank Utrecht 285381)
arrest van de zesde kamer van 15 december 2015
in de zaak van
[appellant] in zijn hoedanigheid van gemachtigde en bewindvoerder over de goederen van [betrokkende] ,
wonende te [woonplaats] ,
appellant,
verder te noemen: [appellant] ,
advocaat: mr. M.Y.M. Renken,
tegen:
1. [geïntimeerde 1] ,wonende te [woonplaats] ,
2. [geïntimeerde 2], wonende te [woonplaats] ,
3. [geïntimeerde 3] ,
wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerden,
verder te noemen: [geïntimeerden] ,advocaat: mr. C.N.G.M. Starmans.
1. Het verdere verloop van het geding
1.1
In het (tussen)arrest van 29 april 2014 heeft het hof onder meer [appellant] toegelaten tot ook het bewijs van zijn stelling dat [zus geïntimeerden] [betrokkende] (ondubbelzinnig) heeft vergeven voor zijn misdrijven (het huiselijk geweld) jegens [zus geïntimeerden] waarvoor hij door de strafrechter is veroordeeld.
1.2
Op 2 september 2014 zijn in het kader van getuigenverhoor aan de zijde van [appellant] twee getuigen gehoord, waarvan proces-verbaal is opgemaakt.
1.3
Op 27 november 2014 en op 7 april 2015 zijn in het kader van tegengetuigenverhoor aan de zijde van [geïntimeerden] drie getuigen gehoord; ook hiervan is proces-verbaal opgemaakt.
1.4
Op de roldatum van 12 mei 2015 heeft [appellant] een conclusie na enquête en contra enquête genomen.
1.5
Op de roldatum van 23 juni 2015 hebben [geïntimeerden] een conclusie van antwoord na enquête, tevens conclusie na tussenarrest genomen, onder overlegging van producties 1-7.
1.6
Op de roldatum van 7 juli 2015 heeft [appellant] hierop nog een akte uitlaten genomen.
1.7
Vervolgens heeft mr. Starmans aanvullend gefourneerd en hebben partijen arrest gevraagd.
2. De verdere motivering van de beslissing
Sprake van vergeving?
2.1
Het hof bouwt voort op hetgeen het eerder heeft overwogen en beslist, namelijk dat [betrokkende] (van rechtswege) onwaardig is als erfgenaam van [zus geïntimeerden] op te treden, omdat sprake is van de situatie zoals beschreven in artikel 4:3 aanhef, lid 1 sub b BW: [betrokkende] is wegens (gekwalificeerde) mishandeling jegens zijn echtgenote (artikelen 300 lid 1 en 304 lid 1 Wetboek van Strafrecht) en wegens poging brandstichting in de woning op of omstreeks december 2005 (artikel 157 sub 2 Wetboek van Strafrecht) door de meervoudige strafkamer bij vonnis van 8 februari 2006 (onherroepelijk) veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden en de tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde gevangenisstraf van 3 maanden. Uit het overgelegde strafrechtdossier van [betrokkende] (prod. 9 bij conclusie van antwoord reconventie en de stukken ten behoeve van de comparitie van 7 april 2011) volgt dat [betrokkende] vanaf 2004 meerdere malen wegens, kort gezegd, “huiselijk geweld” door de (politie)rechter is veroordeeld. De delicten zijn (steeds) onder invloed van alcohol gepleegd. Bij (laatste) vonnis van de politierechter van 25 juli 2008 is [betrokkende] veroordeeld voor bedreiging met zware mishandeling (artikel 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht) en mishandeling (artikel 300 lid 1 juncto artikel 304 lid 1Wetboek van Strafrecht) gepleegd op 13 augustus 2007. Bij vonnis is ook de tenuitvoerlegging gelast van het voorwaardelijk deel van de opgelegde straf bij vonnis van de politierechter van 28 december 2006 (werkstraf 180 uur voor drie maanden gevangenisstraf), is de proeftijd die eerder door de politierechter was opgelegd verlengd met 1 jaar en is een bijzondere voorwaarde (begeleiding Justitiële Verslavingszorg) opgelegd. Ook door deze veroordeling is [betrokkende] (van rechtswege) onwaardig erfgenaam van [zus geïntimeerden] .
[geïntimeerden] voeren in de conclusie van antwoord na enquête (…) van 23 juni 2015 sub 3 andermaal (vergelijk ook memorie van antwoord sub 11) aan, dat “slechts sprake kan zijn van vergeving vanaf het moment dat de laatste veroordeling onherroepelijk is geworden; dat betreft dan de datum van het laatste vonnis d.d. 25 juli 2008, met daarbij de appeltermijn van 2 weken: vanaf 9 augustus 2008 kon derhalve pas sprake zijn van handelingen zijdens het slachtoffer, [zus geïntimeerden] , inhoudende ondubbelzinnige vergeving”.
2.2
Het hof stelt het volgende voorop. Op grond van artikel 4:3 lid 3 BW vervalt de onwaardigheid wanneer de erflater de onwaardige op ondubbelzinnige wijze zijn gedrag/gedragingen heeft vergeven. Vergeven betekent dat de erflater (hoogstpersoonlijk) te kennen geeft dat hij aan deze gedraging geen nadelige gevolgen meer wil verbinden. Vergeving is vormvrij en heeft betrekking op gedragingen van de onwaardige, maar daarvoor is niet noodzakelijk een verklaring die is gericht aan de onwaardige. Vergeving is alleen mogelijk als de erflater de gedraging die tot onwaardigheid leidt kent. Voor beantwoording van de vraag of sprake is van vergeving dienen alle daarvoor relevante verklaringen en gedragingen van de erflater in aanmerking te worden genomen.
Aangezien de vergeving ziet op de gedragingen van de onwaardige erfgenaam, is niet van belang of de erflater ná de onherroepelijke veroordeling van de onwaardige erfgenaam (waarmee dan rechtens vaststaat dat sprake is van onwaardigheid) deze heeft vergeven, maar of de erflater de gedragingen van de onwaardige erfgenaam, die hebben geleid tot de strafrechtelijke veroordeling, heeft vergeven. In casu gaat het om de vraag of [zus geïntimeerden] aan [betrokkende] zijn handelen en mishandelingen jegens [zus geïntimeerden] vanaf december 2005 (onherroepelijke veroordeling 8 februari 2006) tot 13 augustus 2007 (onherroepelijke veroordeling 25 juli 2008) op ondubbelzinnige wijze heeft vergeven.
2.3
Ter beantwoording van deze vraag is [appellant] bij arrest van 29 april 2014 toegelaten tot het bewijs hiervan. Ter onderbouwing van de vergiffenis heeft [appellant] aangevoerd (memorie van grieven sub 12) dat [zus geïntimeerden] [betrokkende] tijdens zijn detentie geregeld heeft bezocht (uit liefde en dus geen wrok jegens hem koesterde), dat [zus geïntimeerden] tegen de strafrechtadvocaat (mr. I. Baardman) meerdere keren heeft verteld dat ze graag wilde dat [betrokkende] na zijn straf weer bij haar zou terugkomen, dat [zus geïntimeerden] aan de vader van [betrokkende] ( [A] ) hetzelfde heeft verteld, dat [betrokkende] en [zus geïntimeerden] na zijn detentie tot aan de opnamen van [zus geïntimeerden] in het ziekenhuis hebben samengewoond en onafgebroken samen zijn geweest tot aan haar overlijden, dat [betrokkende] [zus geïntimeerden] heeft bijgestaan in het ziekenhuis en haar meerdere malen heeft bezocht tot aan haar overlijden. Tot slot blijkt uit de overgelegde dagboekfragmenten (producties C-D memorie van grieven) dat [zus geïntimeerden] ook na de strafrechtelijke veroordeling(en) van [betrokkende] liefdevol over hem schrijft.
2.4
Op 2 september 2014 zijn in enquête als getuigen gehoord mr. I. Baardman en [A] (verder: [A] ). Op 27 november 2014 en op 27 april 2015 zijn in contra-enquête als getuigen gehoord [geïntimeerde 2] , [geïntimeerde 1] en [B] . Het hof zal het door [betrokkende] te leveren bewijs waarderen, gelet op de artikelen 152 en 163-164 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), waaronder de schriftelijke stukken (onder andere de dagboekfragmenten) en de door de getuigen afgelegde verklaringen.
2.5
mr. I. Baardman, de advocaat die [betrokkende] in 2007 heeft bijgestaan in de strafrechtelijke procedure, heeft een verklaring in een e-mail van 17 juni 2009 en daarna in een e-mailbericht van 2 december 2010 aan de advocaat van [appellant] gegeven over zijn contacten met [zus geïntimeerden] . Daarover heeft mr. Baardman voornoemd als getuige onder meer het volgende verklaard. Hij staat nog achter die verklaringen, waarvoor hij uit zijn geheugen heeft geput. Hij kende [zus geïntimeerden] niet, maar heeft haar enkel een aantal malen (hij weet niet meer precies hoe vaak) telefonisch gesproken toen [betrokkende] door de rechter-commissaris strafzaken in het kader van de inbewaringstelling voorlopig in vrijheid werd gesteld (schorsing voorlopige hechtenis), onder de voorwaarde dat [betrokkende] bij zijn ouders zou gaan wonen. [betrokkende] kon daarom niet naar huis. [zus geïntimeerden] was tijdens die telefoongesprekken geëmotioneerd (ze klonk alsof ze in tranen was) en zij vroeg of [betrokkende] naar huis kon komen; zij miste hem. Ze hadden allebei schuld, ook door de alcohol. Op enig moment is [betrokkende] bij [zus geïntimeerden] gaan wonen, maar hij weet niet wanneer dat is geweest; hij heeft dat gelezen in de rapportage ten behoeve van de opheffing schorsing voorlopige hechtenis.
[A] heeft eerst een schriftelijke verklaring van 9 mei 2009 ondertekend, die door zijn zoon [appellant] is opgesteld en waarover hij als getuige verklaart dat hij nog wel achter die verklaring staat. [betrokkende] is ergens in augustus 2007 bij hen in huis (in [woonplaats] ) komen wonen. [zus geïntimeerden] heeft één keer op de huistelefoon gebeld (half september 2007) en zij zei toen tegen hem ( [A] ) dat ze graag wilde dat hij weer thuis zou komen, want [betrokkende] hoorde bij haar en niet in [woonplaats] . Verder hadden [betrokkende] en [zus geïntimeerden] regelmatig telefonisch contact met elkaar. Hij weet niet precies hoe lang [betrokkende] bij hen heeft gewoond, maar hij denkt enige maanden. Hij was met kerst 2007 niet bij hen thuis, maar waarschijnlijk thuis in [woonplaats] . Hij weet niet of [betrokkende] direct naar [zus geïntimeerden] is gegaan toen hij het ouderlijk huis (weer) verliet.
2.6
[geïntimeerde 2] , geïntimeerde sub 2, had met [zus geïntimeerden] vanaf januari 2007 één keer per maand telefonisch contact. In het voorjaar van 2007 gaf [zus geïntimeerden] aan dat ze een nieuw leven wilde opbouwen en dat zij dat samen met haar (en zijn) moeder zou bespreken. Toen ze in het ziekenhuis lag had hij vaker telefonisch contact, zo om de twee dagen. Op 11of 12 augustus 2008 lag [zus geïntimeerden] in het AMC en toen is hij ook langs geweest, maar toen lag ze al in coma. Hij heeft nooit met [zus geïntimeerden] over de relatie met [betrokkende] gesproken. Hij heeft van zijn moeder gehoord dat [zus geïntimeerden] een einde wilde maken aan de relatie.
[geïntimeerde 1] , geïntimeerde sub 1, had met [zus geïntimeerden] een goede band. Na het overlijden van hun moeder is het contact intensiever geworden. [zus geïntimeerden] was er nog niet klaar voor om weg te gaan bij [betrokkende] , maar na het overlijden van hun moeder was ze er wel klaar voor. De familie zou haar ondersteunen en haar op weg helpen om weg te gaan bij [betrokkende] . [betrokkende] lag niet goed in de familie. Er is niet gesproken over concrete plannen om weg te gaan bij [betrokkende] , maar ze wilde de kracht vinden om dat wel te doen. Hij heeft met haar gesproken over de noodzaak bij [betrokkende] weg te gaan.
[B] , een vriend uit het verleden van [zus geïntimeerden] , heeft als getuige onder meer verklaard dat hij haar in het ziekenhuis heeft bezocht. Hij heeft op 9 september 2005 (bedoeld zal zijn 2008, toev. hof) een foto van [zus geïntimeerden] gemaakt, die in het dossier zit. Ze hebben erover gesproken wat [zus geïntimeerden] zou gaan doen als het weer beter zou gaan en dat ze een leven voor zichzelf moest opbouwen. Hij kent haar broer [geïntimeerde 1] goed. Hij kende alle verhalen via [geïntimeerde 1] . Tijdens zijn tweede bezoek aan [zus geïntimeerden] was het evident dat zij niet verder zou gaan op de oude weg. Hij heeft niet geconstateerd dat [zus geïntimeerden] op 9 september 2008 in coma lag of comateus was.
2.7
Uit de overgelegde kopieën van de dagboekfragmenten (80 pagina’s) kan het hof niet zelfstandig afleiden of daarin teksten zijn opgenomen waarin [zus geïntimeerden] [betrokkende] (ondubbelzinnig) vergeeft voor zijn mishandelingen. Dit heeft (de advocaat van) [appellant] ook niet zo gesteld. [appellant] heeft in algemene termen aangegeven dat [zus geïntimeerden] in de dagboekfragmenten liefdevol over [betrokkende] schrijft. Enige concrete passages heeft [appellant] niet aangewezen, zodat het hof niet zelf uit die 80 pagina’s kan halen dat juist is hetgeen [appellant] hierover stelt. Overigens hebben [geïntimeerden] hiertegen gemotiveerd verweer gevoerd door verwijzing naar bepaalde passages uit de dagboeken (memorie van antwoord sub 13), waaruit andere conclusies getrokken kunnen worden. Maar wat daar ook van zij, zelfs als zou [zus geïntimeerden] liefdevol hebben geschreven over [betrokkende] dan is dat op zich onvoldoende om daaraan de conclusie te verbinden dat [zus geïntimeerden] dus [betrokkende] heeft vergeven voor zijn mishandelingen van haar.
2.8
De stelling dat [zus geïntimeerden] regelmatig [betrokkende] heeft bezocht gedurende zijn detentie wordt niet ondersteund door enig bewijsstuk of door getuigen.
2.9
Uit de getuigenverklaringen van mr. Baardman en [A] volgt wel genoegzaam dat [zus geïntimeerden] graag wilde dat [betrokkende] weer thuis – in hun gezamenlijk woning aan de [adres] te [woonplaats] , zo begrijpt het hof – zou komen wonen. Ze miste hem. Of [betrokkende] ook weer op de [adres] is gaan wonen nadat hij is vertrokken uit de woning van zijn ouders te [woonplaats] , is niet af te leiden uit de getuigenverklaringen of uit andere stukken in het dossier. Wel is duidelijk (geworden) uit de getuigenverklaring van mr. Baardman dat [betrokkende] onder voorwaarden was ontslagen uit de voorlopige hechtenis en dat één van die voorwaarden was dat hij bij zijn ouders zou gaan wonen. Mr. Baardman verklaart weliswaar dat [betrokkende] op enig moment weer bij [zus geïntimeerden] is gaan wonen, maar hij kan dat niet nader concretiseren, behalve dat hij dat gelezen heeft in de (schorsings)rapportage (welke rapportage zich overigens niet bij de stukken bevindt). Voorts blijkt uit de stukken en de stellingen van partijen, dat [betrokkende] [zus geïntimeerden] regelmatig heeft bezocht in het ziekenhuis tot aan haar overlijden.
Uit deze feiten en omstandigheden zou afgeleid kunnen worden dat [zus geïntimeerden] wel wilde doorgaan met de relatie, maar daartegenover staan de getuigenverklaringen van geïntimeerden sub 1 en sub 2 waaruit het hof afleidt dat bij [zus geïntimeerden] twijfel was over het voorbestaan van de relatie (al dan niet ondersteund door de visie hierover van geïntimeerde sub 1). Uit het door [geïntimeerden] aangehaalde dagboekfragment van 19 september 2007 (pagina 72) blijkt dat [zus geïntimeerden] wel denkt/schrijft over een echtscheiding, maar daar nog niet aan toe is. Dit was bijna een jaar later kennelijk nog niet anders. Overigens laat deze twijfel over het voortbestaan van de relatie onverlet dat desalniettemin sprake zou kunnen zijn van vergeving.
De getuigenverklaring van [B] legt geen gewicht in de schaal.
Al met al oordeelt het hof dat uit de genoemde stukken en getuigenverklaringen niet de conclusie kan worden getrokken [zus geïntimeerden] [betrokkende] ondubbelzinnig zijn mishandelingen in 2006 en 2007 heeft vergeven. Dat ze [betrokkende] na zijn detentie thuis wilde hebben, is hiervoor onvoldoende en ook haar opmerkingen tegenover mr. Baardman dat ze beiden schuld hadden. Dit betekent dat [appellant] niet geslaagd is in het bewijs en dat hij onwaardig is als (wettig) erfgenaam voordeel te trekken uit de nalatenschap van [zus geïntimeerden] . De grief 1 slaagt dus niet.
De helft van de ontbonden huwelijksgemeenschap
2.10
In de conclusie van antwoord na enquête tevens conclusie na tussenarrest voeren [geïntimeerden] sub 17-21 aan dat hetgeen het hof heeft overwogen en beslist over de wijze van verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap (rechtsoverwegingen 3.6-3.8) in hun ogen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid (petitum sub 2) onaanvaardbaar is. Zij hebben tevens een nieuwe productie (5) overgelegd, die een kopie betreft van de handgeschreven aantekeningen van erflaatster, zo stellen zij. Voorts hebben zij een nieuwe, complete productie 6 overgelegd, zijnde een brief van 27 januari 2006 van de notaris, die de akten van 30 december 2005 en 2 januari 2006 voor erflaatster heeft gepasseerd, aan erflaatster. [geïntimeerden] voeren aan dat het wel degelijk de bedoeling was van erflaatster dat de schenking op papier buiten iedere huwelijksgemeenschap zou moeten vallen.
In de “akte uitlaten” heeft [appellant] hiertegen aangevoerd dat de nieuwe stukken “rijkelijk laat” in de procedure zijn gebracht en dat bovendien het hof ook geen gelegenheid heeft geboden voor het nemen van een dergelijke conclusie.
Het hof oordeelt hierover als volgt.
2.11
Kennelijk zijn [geïntimeerden] het niet eens met het oordeel van het hof in het tussenarrest van 29 april 2014 in rechtsoverweging 3.8, een bindende eindbeslissing, dat de door [geïntimeerden] aangevoerde feiten en omstandigheden niet de conclusie rechtvaardigen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn dat [betrokkende] aanspraak maakt op de (onverdeelde) helft van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap, inclusief de waarde van de schenking en de nalatenschap van de moeder van [zus geïntimeerden] . Ter onderbouwing hiervan hebben zij enige nieuwe producties ingediend. Daargelaten dat het overleggen van nieuwe, recent gevonden stukken uit 2006 niet alleen “rijkelijk laat” in de procedure in hoger beroep zijn overgelegd (partijen voeren sinds maart 2010 een procedure hierover), waardoor dit overleggen van nieuwe stukken in strijd komt met een goede procesorde, faalt het betoog van [geïntimeerden] ook op andere grondslag. Het hof leest in hetgeen [geïntimeerden] hebben aangevoerd een verzoek aan het hof om terug te komen op de bindende eindbeslissing in rechtsoverweging 3.8, ook al benoemen [geïntimeerden] dit niet expliciet. Zo zij bedoeld hebben een verzoek te doen om terug te komen op een bindende eindbeslissing, strandt hun verzoek. Het hof overweegt hiertoe als volgt.
2.12
De rechter die in een tussenuitspraak een of meer geschilpunten uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft beslist is hieraan, in beginsel, in het verdere verloop van het geding aan gebonden. Deze gebondenheid heeft een – uit een oogpunt van goede procesorde positief te waarderen – op beperking van het debat gerichte functie (HR 4 mei 1984, LJN AG4805, NJ 1985, 3NJ 1985/3). Zij geldt evenwel niet onverkort. De eisen van een goede procesorde brengen immers tevens mee dat de rechter aan wie is gebleken dat een eerdere door hem gegeven, maar niet in een einduitspraak vervatte eindbeslissing berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag, bevoegd is om, nadat partijen de gelegenheid hebben gekregen zich dienaangaande uit te laten, over te gaan tot heroverweging van die eindbeslissing, teneinde te voorkomen dat hij op een ondeugdelijke grondslag een einduitspraak zou doen (HR 25 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2800, gemeente Voorst en herhaald in HR 8 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1224). NJ 2008/553Een bindende eindbeslissing berust onder meer op een onjuiste feitelijke grondslag indien de rechter, na een dergelijke heroverweging, inziet dat zijn uitdrukkelijk en zonder voorbehoud gegeven oordeel was gegrond op een onhoudbare feitelijke lezing van een of meer gedingstukken, welke lezing, bij handhaving, zou leiden tot een einduitspraak waarvan de rechter overtuigd is dat die ondeugdelijk zou zijn (zie HR 26 november 2010, ECLI:NL:HR:2010: BN8521).
2.13
Hetgeen [geïntimeerden] hebben aangevoerd en met de nieuwe producties hebben onderbouwd, vormt voor het hof geen aanleiding om terug te komen op de bindende eindbeslissing. Het hof heeft in het tussenarrest geoordeeld dat niet zozeer in debat is hetgeen erflaatster (de moeder van [zus geïntimeerden] ) bedoeld heeft met de, in de notariële praktijk gebruikelijke, uitsluitingsclausule en de uitzondering daarop, maar dat het debat zich toespitst op het juridisch gevolg (het effect) van die uitsluiting, namelijk of deze enkel obligatoire werking heeft of ook een goederenrechtelijke werking. Voorop staat, en dat is ook niet een strijdpunt tussen partijen, dat hetgeen [zus geïntimeerden] verkregen heeft van erflaatster in goederenrechtelijke zin buiten de huwelijksgoederengemeenschap viel. De huwelijksgoederengemeenschap is door het overlijden van [zus geïntimeerden] ontbonden. Voor dát geval is onder de uitsluitingsclausule bepaald (“in afwijking van het hiervoor bepaalde”), dat de waarde van het verkregene wél in de verdeling van de huwelijksgemeenschap wordt betrokken. [geïntimeerden] spreken in hun conclusie sub 19 over een “zachte” uitsluitingsclausule die door de notaris is opgenomen, in plaats van de “harde” uitsluitingsclausule; zij stellen dan ook dat de notaris een (kunst)fout heeft gemaakt. Of dit het geval is kan het hof niet vaststellen. Maar zelfs al zou de bedoeling van erflaatster een andere zijn geweest, dan brengt dat (enkele) feit niet mee dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat [betrokkende] , op de voet van artikel 1:100 lid 1 BW, voor de (onverdeelde) helft gerechtigd is tot de huwelijksgemeenschap. Dat erflaatster in alle gevallen wilde dat [betrokkende] nimmer iets zou mogen krijgen, is niet in lijn met de door de erflaatster zelf gemaakte ‘zachte’ uitsluitingsclausule.
Teruggave (niet waardevolle) spullen
2.14
Het hof heeft in het tussenarrest van 29 april 2014 onder rechtsoverweging 3.9 overwogen dat over de teruggave van enige (niet waardevolle) zaken met partijen gesproken zal worden ter gelegenheid van de getuigenverhoren en de daaraan gekoppelde comparitie van partijen. Ter zitting van 2 september 2014 is door [appellant] een lijst overgelegd waarop vermeld staat: kledingkast met spiegeldeuren, marmeren tafeltje met stoeltje, bureaustoel, 2 zakken kleren, een tas foto’s en een paspop met jurk. Partijen hebben in de schorsing van de zitting overleg gehad over de teruggave van die spullen aan [betrokkende] , maar bleven van mening verschillen over de vraag wie ervoor moest zorgdragen door wie de spullen gehaald / gebracht zouden moeten worden. Alhoewel het hier strikt genomen meer een executiegeschil betreft nu over de teruggave van die spullen aan [betrokkende] geen verschil van mening bestaat, zal het hof desalniettemin beslissen dat deze spullen door [geïntimeerden] teruggebracht moeten worden naar [betrokkende] .
Grief 4, gezien de toelichting hierbij in de memorie van grieven sub 29, slaagt in dit opzicht.
3. Slotsom
3.1
Grief 1, die gericht is tegen het oordeel in rechtsoverweging 4.5 (en 4.8) van het tussenvonnis van 20 juli 2011 en tegen de afwijzing van de vordering in conventie in het eindvonnis van 15 februari 2012), slaagt niet. Grief 2 slaagt wel (ten onrechte passeren bewijsaanbod door de rechtbank), maar dat leidt op zich nog niet tot vernietiging van het eindvonnis. Grief 3, die ziet op het oordeel in rechtsoverweging 4.7 (en 4.8) van het tussenvonnis van 20 juli 2011 en de afwijzing van de vordering in conventie in het eindvonnis van 15 februari 2012, slaagt wel, zodat het eindvonnis in conventie op dit onderdeel niet in stand kan blijven. Grief 4, die gericht is tegen het oordeel in rechtsoverweging 2.4 in het eindvonnis van 15 februari 2012 en de toewijzing van de vordering(en) in reconventie, slaagt voor zover het betreft teruggave van de spullen met emotionele waarde als weergegeven onder 2.14 van dit arrest. Op dit onderdeel zal het eindvonnis in reconventie dan ook vernietigd worden.
Voor het overige blijven de oordelen van de rechtbank in conventie en in reconventie in stand.
3.2
Het hof constateert dat [geïntimeerden] en [appellant] met inachtneming van de door de rechtbank en het hof gegeven beslissingen deelgenoot zijn in de door het overlijden van [zus geïntimeerden] ontbonden huwelijksgemeenschap, waartoe ook behoort het aandeel van [zus geïntimeerden] in de nalatenschap van haar moeder / de erflaatster. De vorderingen van [appellant] zien niet op verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap, maar op verdeling van de nalatenschappen van de erflaatster en [zus geïntimeerden] . In de nalatenschap van [zus geïntimeerden] is [appellant] geen deelgenoot; in de nalatenschap van de erflaatster wel, nu het aandeel in die nalatenschap tot de ontbonden huwelijksgemeenschap behoort. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vorderingen in hoger beroep sub II, III en IV toegewezen kunnen worden, voor zover deze zien op de verdeling van de nalatenschap van de erflaatster, uitvoerbaar bij voorraad zoals gevorderd. Het hof gaat ervan uit dat partijen erin zullen slagen in onderling overleg een notaris te benoemen ten overstaan van wie de verdelingshandelingen moeten plaatsvinden en zal ten aanzien van vordering IV beslissen als volgt. De gevorderde dwangsommen zal het hof afwijzen; het arrest zal wel, zoals gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.
3.3
Nu partijen zowel in eerste aanleg als in hoger beroep deels in het (on)gelijk worden gesteld, zal het hof de kosten van de procedure in eerste aanleg (conventie en reconventie) als in hoger beroep compenseren, behoudens de kostenveroordeling van [appellant] in het incident in het vonnis van 18 augustus 2010 (rechtsoverweging 6.2) en de kostenveroordeling van [appellant] in het incident in het arrest van dit hof van 16 oktober 2012.
4. De beslissing
Het hof, recht doende in hoger beroep:
vernietigt het vonnis van de rechtbank Utrecht van 15 februari 2012 in conventie
(dictum sub 3.1, 3.2 en 3.3) en doet in zoverre opnieuw recht;
veroordeelt [geïntimeerden] tot het verlenen van alle benodigde medewerking aan de
verdeling van de nalatenschap van wijlen mevrouw [D] ;
veroordeelt [geïntimeerden] tot het verlenen van alle benodigde medewerking aan de nakoming van de verplichtingen voortvloeiende uit de schenkingsakte van 30 december 2005 van wijlen mevrouw [D] ;
gelast partijen zich tot een notaris te wenden en ten overstaan van deze notaris wie zij de verdelings- en nakomingshandelingen te verrichten die nodig zijn voor de verdeling van de nalatenschap van de erflaatster;
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Utrecht van 15 februari 2012 in reconventie in het dictum sub 3.4, 3.6, 3.8, 3.9 en 3.10, behoudens de veroordeling tot afgifte van alle spullen in het dictum sub 3.5 en de veroordeling in de proceskosten in het dictum sub 3.7, vernietigt dit vonnis in zoverre en doet in zoverre opnieuw recht;
veroordeelt [geïntimeerden] tot teruggave van de (niet waardevolle) spullen genoemd onder rechtsoverweging 2.14 van dit arrest aan [appellant] ;
compenseert de proceskosten tussen partijen in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt van zowel de rechtbankprocedure in conventie en in reconventie als die van het hoger beroep;
verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.H. Lieber, R.A. Dozy en R. Prakke-Nieuwenhuizen en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 15 december 2015.
Uitspraak 29‑04‑2014
Inhoudsindicatie
Is onwaardige erfgenaam vergiffenis geschonken? Bewijsopdracht. Onwaardige erfgenaam heeft wel aanspraak op de helft van het huwelijkse vermogen.
Partij(en)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.106.616
(zaaknummer rechtbank Utrecht 285381)
arrest van de zesde kamer van 29 april 2014
in de zaak van
[appellant] in zijn hoedanigheid van gemachtigde en bewindvoerder over de goederen van [persoon 1],
wonende te [woonplaats],
appellant,
verder te noemen:[appellant],
advocaat: mr. M.Y.M. Renken,
tegen:
1. [geïntimeerde 1],wonende te [woonplaats],
2. [geïntimeerde 2], wonende te [woonplaats],
3. [geïntimeerde 3],
wonende te [woonplaats],
geïntimeerden,
verder te noemen: [geïntimeerden],advocaat: mr. C.N.G.M. Starmans.
1. Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
1.1
In het (tussen)arrest van 16 oktober 2012 heeft het hof de vordering in het door [appellant] geopende incident (schorsing tenuitvoerlegging van uitvoerbaar bij voorraad verklaard eindvonnis van 15 februari 2012) afgewezen en in de hoofdzaak de zaak naar de rol verwezen voor het nemen van een memorie van antwoord (in de hoofdzaak) door [geïntimeerden]
1.2
Na de memorie van antwoord hebben partijen de zaak doen bepleiten ter zitting van 8 april 2013; de advocaat van [appellant] heeft ter zitting een pleitnotitie met producties overgelegd. In het proces-verbaal van pleidooi is opgenomen dat partijen nog enige afspraken hebben gemaakt met betrekking tot de voortgang van de procedure. De zaak is vervolgens naar de rol van 4 juni 2013 verwezen voor uitlating partijen over de voortzetting van de procedure.
1.3
Op de roldatum van 4 juni 2013 hebben beide partijen een akte genomen. [appellant] heeft in die akte zijn eis vermeerderd. Op de roldatum van 2 juli 2013 hebben beide partijen nog een antwoordakte genomen.
1.4
Partijen hebben daarna het hof verzocht arrest te wijzen.
1.5
Als gevolg van organisatorische omstandigheden is één van de raadsheren die zitting hadden op 8 april 2013, vervangen door een andere raadsheer.
2. De vaststaande feiten
Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.7 van het (bestreden) vonnis van 20 juli 2011.
3. De motivering van de beslissing in hoger beroep
3.1
Het gaat in dit geding om het volgende. Op 27 januari 2008 is de moeder van [geïntimeerden] (verder te noemen: erflaatster) overleden. Bij testament van 10 mei 2004 heeft erflaatster haar vier kinderen, te weten [geïntimeerden] alsmede hun zuster [zus 1], tot haar erfgenamen benoemd. In het testament van erflaatster is een zogenaamde uitsluitingsclausule opgenomen. Bij akte van 30 december 2005 (“schenking op papier”) heeft erflaatster verklaard uit vrijgevigheid een bedrag van € 129.250,- aan [zus 1] schuldig te erkennen, waarbij onder meer is bepaald (zakelijk samengevat) dat het schuldig erkende bedrag terstond opeisbaar is bij overlijden van de schenker en dat de schenking nimmer zal vallen in enige huwelijksgemeenschap. Voorts is zowel in het testament als in de akte een zogenoemde “afwijkingsbepaling” opgenomen (zoals beschreven onder 3.7 van dit arrest). [zus 1] heeft op 9 juni 2008 de nalatenschap zuiver aanvaard.
[zus 1] was tot haar overlijden op 17 september 2008 in algehele gemeenschap van goederen gehuwd met [persoon 1] (verder te noemen: [persoon 1]). Zowel [zus 1] als [persoon 1] hadden een alcoholprobleem. In het verleden (in de periode 2004-2008) is [persoon 1] meerdere keren door de (politie)rechter veroordeeld wegens geweldsdelicten jegens [zus 1].
[zus 1] heeft geen testament opgemaakt. [persoon 1] heeft op 5 maart 2009 de nalatenschap van [zus 1] zuiver aanvaard. Tot de nalatenschap van [zus 1] behoort onder meer de helft van de waarde van een appartementsrecht van een woning in Amsterdam, waarin [persoon 1] met [zus 1] woonde.
Bij beschikking van 30 juli 2009 is het vermogen van [persoon 1] onder bewind gesteld van zijn broer [persoon 2].
3.2
[appellant] heeft de onderhavige procedure opgestart met de inleidende dagvaarding van 15 maart 2010. Hij heeft onder meer gevorderd [geïntimeerden] te veroordelen tot verdeling van de nalatenschap van erflaatster en [geïntimeerden] te veroordelen tot nakoming van de verplichtingen die voortvloeien uit de (schenkings)akte van 30 december 2005. [geïntimeerden] hebben gesteld dat [persoon 1] (ex artikel 4:3 aanhef, lid 1 sub b BW) onwaardig is om te erven van [zus 1], nu hij onherroepelijk is veroordeeld ter zake van mishandeling en bedreiging en dat er geen sprake is (geweest) van vergeving (ex artikel 4:3 lid 3 BW). Zij hebben voorts in voorwaardelijke reconventie, indien sprake is van onwaardigheid van [persoon 1], teruggave gevorderd van die nalatenschap en de vruchten daarvan, waaronder de helft van de waarde van het appartementsrecht.
In het tussenvonnis van 20 juli 2011 heeft de rechtbank in conventie geoordeeld dat [persoon 1] van rechtswege onwaardig is om voordeel te trekken uit de nalatenschap van [zus 1] (rechtsoverweging 4.3) en dat geen sprake is (geweest) van (ondubbelzinnige) vergeving (rechtsoverweging 4.5). In de nalatenschap van [zus 1] valt haar aandeel in de nalatenschap van erflaatster alsmede de schenking. “Het gevolg van de afwijkingsbepaling, namelijk dat de echtgeno(o)t(e) wél kan profiteren, wordt dus in feite geblokkeerd door de onwaardigheid”, aldus de rechtbank (rechtsoverweging 4.7). De rechtbank heeft aldus een eindbeslissing in conventie gegeven. De zaak is wat betreft de (voorwaardelijke) reconventie naar de rol verwezen voor akte. Na wijziging van eis in reconventie heeft de rechtbank bij eindvonnis van 15 februari 2012, kort gezegd, de vorderingen in conventie afgewezen en de vorderingen in reconventie toegewezen (inzage in de volledige nalatenschap van [zus 1] en afgifte van alle aan [zus 1] toebehorende goederen en gelden en voorts veroordeling van [persoon 1] tot betaling aan [geïntimeerden] van de helft van de verkoopwaarde van het appartementsrecht).
3.3
[appellant] is met vier grieven tegen de genoemde vonnissen in hoger beroep gekomen. Niet in geschil is (ook niet in eerste aanleg), dat [persoon 1] onwaardig erfgenaam is van [zus 1], omdat sprake is van de situatie zoals beschreven in artikel 4:3 aanhef, lid 1 sub b BW: [persoon 1] is wegens (gekwalificeerde) mishandeling jegens zijn echtgenote (artikelen 300 en 304 Wetboek van Strafrecht) en wegens poging brandstichting in de woning op of omstreeks december 2005 (artikel 157 sub 2 Wetboek van Strafrecht) door de meervoudige strafkamer bij vonnis van 8 februari 2006 (onherroepelijk) veroordeeld.
3.4
De grieven 1 en 2 zien op de vraag of sprake is van (ondubbelzinnige) vergeving van [zus 1] jegens [persoon 1]. [appellant] voert hiervoor onder meer het volgende aan. In 1993 kregen [zus 1] en [persoon 1] een relatie met elkaar. [persoon 1] en [zus 1] vonden elkaar in het drankgebruik en zij stimuleerden elkaar daarin. Ondanks de drank en de daaruit voortvloeiende problemen hebben zij ook veel mooie jaren met elkaar beleefd. Gedurende de laatste jaren van hun huwelijk (zij zijn op 22 november 2002 gehuwd) namen de problemen toe, waardoor zij steeds geïsoleerder raakten van familie en vrienden (zij hadden inmiddels ook beiden hun baan verloren). Door het drankmisbruik en de daaraan gerelateerde problemen ontstonden (steeds vaker) ruzies, die helaas geregeld uit de hand liepen. Er is geen moment geweest waarop zij dachten aan scheiden, ook niet na de (huiselijke) geweldplegingen tussen 2004-2008 waarvoor [persoon 1] door de strafrechter is veroordeeld. [zus 1] heeft hem de misstappen op ondubbelzinnige wijze vergeven, aldus [appellant]
heeft ter onderbouwing van zijn stelling in eerste aanleg een schriftelijke verklaring overgelegd van de strafrechtadvocaat van [persoon 1] van 2 december 2010 (productie 10 conclusie van antwoord in reconventie) en van de vader van [persoon 1] van 9 mei 2009 (productie 11 conclusie van antwoord in reconventie). In hoger beroep heeft [appellant] zijn stelling gehandhaafd en ter onderbouwing de volgende feiten en omstandigheden aangevoerd (memorie van grieven sub 12): [zus 1] heeft [persoon 1] tijdens zijn detentie geregeld bezocht, waaruit geconcludeerd kan worden dat zij geen wrok jegens hem koesterde. [zus 1] heeft de strafrechtadvocaat meerdere keren persoonlijk verteld dat ze graag wilde dat [persoon 1] na zijn straf weer bij haar terug zou komen; [zus 1] heeft meerdere malen hetzelfde tegen zijn vader gezegd, nadat [persoon 1] na zijn detentie (in 2007) bij hem was ingetrokken. Op Juliettes verzoek is [persoon 1] weer naar huis gegaan. [zus 1] en [persoon 1] hebben vervolgens tot aan het overlijden van [zus 1] onafgebroken samengewoond en [persoon 1] heeft haar tot haar overlijden bijgestaan, ook toen zij in het ziekenhuis lag – hij bezocht haar meerdere malen per week (behalve als de familie van [zus 1] er was; zij stelden geen prijs op zijn aanwezigheid). Uit de overgelegde dagboekfragmenten blijkt dat [zus 1] ook na de strafrechtelijke veroordeling liefdevol over [persoon 1] schrijft. [appellant] heeft in eerste aanleg en in hoger beroep aangeboden om onder meer de strafrechtadvocaat en zijn vader als getuigen te horen.
[geïntimeerden] hebben de stelling van [appellant] dat sprake is (geweest) van vergeving gemotiveerd weersproken.
Het hof oordeelt als volgt.
3.5
Ingevolge de hoofdregel in artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering rust op [appellant] de bewijslast van zijn stelling dat sprake is geweest van vergiffenis door [zus 1] van de misdrijven (het huiselijk geweld) waarvoor [persoon 1] door de strafrechter is veroordeeld. [appellant] heeft hiervoor bewijs aangeboden. Het hof zal [appellant] dan ook toelaten tot het bewijs van zijn stelling dat [zus 1] [persoon 1] (ondubbelzinnig) heeft vergeven voor zijn misdrijven (het huiselijk geweld) jegens [zus 1] waarvoor hij door de strafrechter is veroordeeld. In die zin slaagt grief 2, maar dit leidt op zichzelf nog niet tot vernietiging van het eindvonnis.
3.6
Indien en voor zover [appellant] niet slaagt in het bewijs (en grief 1 dus niet slaagt), beoordeelt het hof thans al grief 3 nu deze grief een dispuut tussen partijen openlegt die mogelijk ook aan een minnelijke regeling in de weg staat. Overigens heeft [appellant] in dit verband zijn eis vermeerderd bij akte van 4 juni 2013 en wenst hij vaststelling van de wijze waarop de nalatenschap van [zus 1] verdeeld dient te worden, inhoudende dat er voorrang wordt verleend aan de verdeling van het huwelijkse vermogen van [persoon 1] en [zus 1], waarin tevens de helft van de “papieren schenking” en de helft van de waarde van het erfdeel van [zus 1], afkomstig uit de nalatenschap van erflaatster, vallen. Bij akte van diezelfde datum hebben [geïntimeerden] hiertegen onder meer aangevoerd, dat zich verkrijgingen kunnen voordoen die verband houden met overlijden welke zo stuitend zijn voor het rechtsgevoel, dat het onaanvaardbaar is deze verkrijging (door het huwelijksgoederenrecht) toe te laten; zij beroepen zich hierbij op een arrest van HR 7 december 1990, NJ 1991, 593.
Het hof oordeelt hierover als volgt.
3.7
In het testament van erflaatster is de navolgende uitsluitingsclausule opgenomen: Ik bepaal dat al hetgeen uit mijn nalatenschap zal worden verkregen, hetgeen daarvoor in de plaats komt en de vruchten daarvan, niet zullen vallen in enige huwelijksgoederengemeenschap waarin de verkrijger gerechtigd mocht zijn of worden, noch betrokken zullen worden in enige andere gemeenschap en niet in aanmerking mogen worden genomen bij de toepassing van enig verrekenbeding.
In afwijking van het hiervoor bepaalde wordt de waarde van het verkregene wel in de verdeling of verrekening betrokken ingeval het huwelijk (…) van een afstammeling/verkrijger eindigt door zijn overlijden, mits de verkrijger ten tijde van overlijden in de wettelijke algehele gemeenschap van goederen was gehuwd (…) en ten tijde van het overlijden van de verkrijger, tussen hem/haar en zijn/haar echtgeno(o)t(e) geen procedure tot echtscheiding (…) aanhangig is (…).
In de akte van schenking (op papier) van 30 december 2005 is een soortgelijke uitsluitingsclausule opgenomen. De schenking (het schuldig erkende bedrag) is opeisbaar bij overlijden van de schenker (erflaatster).
3.8
Tussen partijen is niet zozeer in debat hetgeen erflaatster bedoeld heeft met de, in de notariële praktijk gebruikelijke, uitsluitingsclausule en de uitzondering daarop, maar het debat spitst zich toe op het juridisch gevolg (het effect) van die uitsluiting, namelijk of deze enkel obligatoire werking heeft of ook een goederenrechtelijke werking. Voorop staat, en dat is ook niet een strijdpunt tussen partijen, dat hetgeen [zus 1] verkregen heeft van erflaatster in goederenrechtelijke zin buiten de huwelijksgoederengemeenschap viel. De huwelijksgoederengemeenschap is door het overlijden van [zus 1] ontbonden. Voor dát geval is onder de uitsluitingsclausule bepaald (“in afwijking van het hiervoor bepaalde”), dat de waarde van het verkregene wél in de verdeling van de huwelijksgemeenschap wordt betrokken. [persoon 1] is, op de voet van artikel 1:100 lid 1 BW, voor de (onverdeelde) helft gerechtigd tot die huwelijksgemeenschap. Voor die ándere (onverdeelde) helft zijn de erfgenamen van [zus 1], [geïntimeerden], gerechtigd ervan uitgaande dat [persoon 1] onwaardig is als erfgenaam van [zus 1]. Het huwelijksgoederenrecht kent geen vergelijkbare bepaling als in het erfrecht ten aanzien van onwaardigheid. Dat betekent dus dat het feit dat [persoon 1] onwaardig is als erfgenaam van [zus 1], niet (tevens) tot gevolg heeft dat [persoon 1] op die grond onwaardig zou zijn tot verdeling van de waarde van het verkregene dat op grond van de uitsluitingsclausule, althans de afwijkingsbepaling, in de ontbonden huwelijksgemeenschap valt. [geïntimeerden] hebben echter aangevoerd, dat erflaatster niet wilde dat [persoon 1] iets van de erfenis zou krijgen en dat [zus 1] medio 2008 niet [persoon 1] heeft gemachtigd als “tijdelijk woordvoerder en zaakwaarnemer” betreffende de afwikkeling van de nalatenschap, maar haar broer [broer 1].
Naar het oordeel van het hof rechtvaardigen de door [geïntimeerden] genoemde feiten en omstandigheden niet de conclusie dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn dat [persoon 1] aanspraak maakt op de (onverdeelde) helft van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap, inclusief de waarde van de schenking en de nalatenschap van de moeder van [zus 1]. Het (enkele) feit, zo blijkt wel genoegzaam uit de stukken, dat [persoon 1] niet goed in de (schoon)familie lag is daarvoor onvoldoende. Overigens is het hof niet gebleken, dat erflaatster bij de verdeling van haar vermogen speciaal het oog heeft gehad op de (ongewenste) positie van [persoon 1]; uit de notitie “Estateplanning [erflaatster] [erflaatster, toev. hof]” van notaris [notaris] van 17 maart 2005 (productie 12 conclusie van antwoord in reconventie) volgt zulks niet (waarbij het hof opmerkt dat in die periode [zus 1] gehuwd was met [persoon 1]). In die notitie staat op meerdere plaatsen dat erflaatster de bedoeling had haar vier kinderen gelijk te willen behandelen.
De door [geïntimeerden] aangevoerde feiten en omstandigheden zijn van een geheel ander kaliber dan die van de casus die leidde tot het arrest van HR 7 december 1991 (hier vermoordde de tientallen jaren jongere echtgenoot zijn zeer vermogende echtgenote na 5 weken huwelijk).
Het hof komt aldus tot de conclusie dat, indien [persoon 1] onwaardig is als erfgenaam van [zus 1], hij aanspraak heeft op de (onverdeelde) helft van hetgeen in de ontbonden huwelijksgemeenschap is gevallen. In die ontbonden huwelijksgemeenschap valt de waarde van hetgeen [zus 1] verkregen heeft uit de nalatenschap van erflaatster en de vordering op grond van de schenking (op papier). Dit betekent dat grief 3 slaagt.
3.9
Grief 4 van [appellant] bespreekt het hof nadat een oordeel is gegeven over grief 1, dus na de getuigenverhoren. In de toelichting bij grief 4 stelt [appellant] dat inmiddels de volledige nalatenschap van [zus 1] aan [geïntimeerden] is gegeven, met uitzondering van (de helft van de waarde van) de woning. [appellant] verzoekt echter om teruggave van enige zaken die geen geldwaarde vertegenwoordigen maar wel emotionele waarde. Het hof zal dit punt bespreken ter gelegenheid van de getuigenverhoren en een daaraan gekoppelde comparitie van partijen.
4. Slotsom
4.1
Ter beoordeling van grief 1 zal het hof [appellant] toelaten tot het onder 3.5 vermelde bewijs. Het hof zal op dezelfde dag van het getuigenverhoor een comparitie van partijen gelasten teneinde het verdere verloop van de procedure te bespreken en de mogelijkheden van een minnelijke regeling (andermaal) te onderzoeken.
4.2
Iedere verdere beslissing wordt door het hof aangehouden.
5. De beslissing
Het hof, recht doende in hoger beroep:
laat [appellant] toe tot het onder 3.5 vermelde bewijs;
bepaalt dat, indien [appellant] dat bewijs (ook) door middel van getuigen wenst te leveren, het verhoor van deze getuigen zal geschieden ten overstaan van het hierbij tot raadsheer-commissaris benoemde lid van het hof mevr. mr. R.A. Dozy, die daartoe zitting zal houden in het paleis van justitie aan de Walburgstraat 2-4 te Arnhem en wel op een nader door deze vast te stellen dag en tijdstip;
bepaalt dat [appellant] het aantal voor te brengen getuigen alsmede de verhinderdagen van beide partijen, van hun advocaten en van de getuigen zal opgeven op de roldatum 13 mei 2014, waarna dag en uur van het verhoor (ook indien voormelde opgave van een of meer van partijen ontbreekt) door de raadsheer-commissaris zullen worden vastgesteld;
bepaalt dat [appellant] overeenkomstig artikel 170 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de namen en woonplaatsen van de getuigen tenminste een week voor het verhoor aan de wederpartij en de griffier van het hof dient op te geven;
gelast aansluitend aan het getuigenverhoor een comparitie van partijen ter bespreking van de voortgang van deze zaak, waaronder de mogelijkheid van een minnelijke regeling;
bepaalt dat, in het geval er getuigen worden voorgebracht, partijen in persoon samen met hun advocaten bij het verhoor van de getuigen aanwezig zullen zijn om partijen zelf zo nodig nadere inlichtingen te laten geven over de punten waarover de getuigen zullen worden gehoord en om te onderzoeken of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden;
houdt verder iedere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.H. Lieber, R.A. Dozy en R. Prakke-Nieuwenhuizen, is bij afwezigheid van de voorzitter ondertekend door de oudste raadsheer en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 29 april 2014.