Einde inhoudsopgave
Mandeligheid (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2007/1.6
1.6 Conslusie
mr. J.G. Gräler, datum 01-10-2006
- Datum
01-10-2006
- Auteur
mr. J.G. Gräler
- JCDI
JCDI:ADS486013:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Burenrecht en mandeligheid
Voetnoten
Voetnoten
Zoals hierna nog zal blijken is het minder juist om te zeggen dat de mede-eigendom als afhankelijk recht aan de eigendom van erven is verbonden (anders: Hijma/Olthof 1999, p. 156) of dat mandeligheid is aan te merken als een afhankelijk recht (Davids 1994, p. 1); Asser/Mijnssen/Van Damm/Van Velten 2002 (3-II), p. 184, spreekt over het recht van mede-eigendom dat gebonden is aan de eigendom van een erf. ; Van Velten 2006, p. 361-366; Wibbens-de Jong 2006, p. 1-16.
Pitlo/Reehuis/Heisterkamp 2006, p. 451-455; Snijders/Rank-Berenschot 2001, p. 182-186; Davids 1994, p. 1-13; Davids 1988, p. 103-117; Hijma/Olthof 2005, p. 147 en 148; Berger 2001, p. 93-128; Asser/Mijnssen/Van Dam/Van Velten 2002 (3-II), p. 182-193; Wibbens-de Jong 2006,p. 1-16.
Uit het vorenstaande moet volgen dat mandeligheid moet worden aangemerkt als een vorm van mede-eigendom van een onroerende zaak, met als bijzonderheden:
het onverdeeld aandeel in de mandelige zaak is een afhankelijk recht verbonden aan de eigendom van de erven tot nut waarvan de gemeenschappelijke zaak strekt (art. 5:63 lid 1).1 Het kan derhalve niet los van de eigendom van het erf worden overgedragen (art. 3:82);
een vordering tot verdeling van een mandelige zaak is in beginsel uitgesloten (art. 5:63 lid 2);
de wijze van gebruik, genot en beheer wordt met name ingegeven door de overeenkomst strekkende tot verhoging van het nut van de erven dan wel de aard van de zaak. Aldus wordt de regeling van titel 3.7 nader ingekleurd.2