Op 29 mei 2020 is de aanzegging, voorzien van een vertaling daarvan en van de bijsluiter, voorts verzonden naar het adres waarop de verdachte stond ingeschreven in het BRP.
HR, 08-12-2020, nr. 19/04974
ECLI:NL:HR:2020:1966
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
08-12-2020
- Zaaknummer
19/04974
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2020:1966, Uitspraak, Hoge Raad, 08‑12‑2020; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2020:1172
In cassatie op: ECLI:NL:GHSHE:2019:3958
ECLI:NL:PHR:2020:1172, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 27‑10‑2020
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2020:1966
Uitspraak 08‑12‑2020
Inhoudsindicatie
Geen middelen ingediend, verdachte n-o. Samenhang met 19/04881 en 19/04915.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 19/04974
Datum 8 december 2020
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 18 oktober 2019, nummer 20-000088-17, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Cassatiemiddelen zijn namens deze niet voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd dat de verdachte niet-ontvankelijk wordt verklaard in het cassatieberoep.
2. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
De wet bepaalt binnen welke termijn een advocaat namens de verdachte een schriftuur met cassatiemiddelen (klachten) bij de Hoge Raad moet indienen. Aan die verplichting is niet voldaan. Het gevolg daarvan is dat de Hoge Raad het beroep van de verdachte niet in behandeling kan nemen (zie artikel 437 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering).
3. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 december 2020.
Conclusie 27‑10‑2020
Inhoudsindicatie
Geen middelen ingediend, verdachte n-o. Samenhang met 19/04881 en 19/04915.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 19/04974
Zitting 27 oktober 2020 (bij vervroeging)
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979,
hierna: de verdachte.
1. Het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch heeft de verdachte bij arrest van 18 oktober 2019 wegens “medeplichtigheid aan: medeplegen van: bankbiljetten waarvan de valsheid hem, toen hij ze ontving, bekend was, met het oogmerk om ze als echt en onvervalst uit te geven of te doen uitgeven, zich verschaffen en in voorraad hebben” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden met aftrek als bedoeld in art. 27(a) Sr.
2. Er bestaat samenhang met de zaken 19/04881 en 19/04915. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
3. Namens de verdachte heeft mr. K.L. Korteweg, advocaat te Eindhoven, beroep in cassatie ingesteld.
4. De aanzegging als bedoeld in art. 435, eerste lid, Sv is op 29 mei 2020 betekend.1.De in het tweede lid van art. 437 Sv gestelde termijn van twee maanden liep af op 29 juli 2020. Gedurende deze termijn is geen schriftuur houdende middelen van cassatie binnengekomen.
5. Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, kan hij ingevolge art. 437, tweede lid, Sv niet in zijn cassatieberoep worden ontvangen.
6. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad de verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in het ingestelde cassatieberoep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 27‑10‑2020