HR, 02-07-2013, nr. 12/00761
ECLI:NL:HR:2013:128
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
02-07-2013
- Zaaknummer
12/00761
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2013:128, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 02‑07‑2013; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:85, Gevolgd
ECLI:NL:PHR:2013:85, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 14‑05‑2013
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:128, Gevolgd
- Vindplaatsen
Uitspraak 02‑07‑2013
Inhoudsindicatie
Slagende bewijsklacht diefstal.
Partij(en)
2 juli 2013
Strafkamer
nr. 12/00761
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 26 januari 2012, nummer 21/001169-11, in de strafzaak tegen:
[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. M.G. Vos, advocaat te Utrecht, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal G. Knigge heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend wat betreft de beslissingen ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde feit en de strafoplegging en tot zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.
2. Beoordeling van het middel
2.1.
Het middel klaagt over de motivering van de bewezenverklaring van feit 1.
2.2.1.
Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezenverklaard dat:
"zij op 13 oktober 2009 te Utrecht, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een portemonnee (met pinpas en/of andere inhoud), toebehorende aan [betrokkene]."
2.2.2.
De bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
"1. Het hierboven benoemde proces-verbaal waarin bevindingen gerelateerd door [verbalisant 1], brigadier van politie te Utrecht - zakelijk weergegeven -:
Op woensdag 4 november 2009 deed [betrokkene], geboren op [geboortedatum] 1945 te [geboorteplaats] en wonende te [woonplaats] aan de [a-straat], aangifte van diefstal.
Zij verklaarde kort samengevat dat:
- zij op 26 oktober 2009 aangifte heeft gedaan van verlies van haar portemonnee met daarin de Rabobank pinpas (rek.: [001])
- zij haar portemonnee op dinsdag 13 oktober 2009 kwijt was geraakt.
- zij later op haar bankafschriften zag dat er tweemaal was gepind- transactie bedragen van 250 Euro en 500 Euro.
Op woensdag 25 november 2009 werd een opsporingsonderzoek gestart betreffende pintransacties op dinsdag 13 oktober 2009 met een pinpas op naam van[betrokkene], bij een pinautomaat aan de lange Viestraat te Utrecht. Het betrof bedragen van 250 en 500 euro. Hierop is een verzoek tot vordering gegevens verstrekking gedaan. Door de Rabobank is een cd-rom aangedragen, waarop beelddragers staan van het incident. Op maandag 7 december 2009 heeft [verbalisant 4] de desbetreffende camerabeelden bekeken.
De afbeelding van het pinnende vrouwspersoon is vervolgens geplaatst op het korpsnet van de Politieregio Utrecht, met het verzoek tot herkenning.
Door [verbalisant 2] is de afbeelding van het vrouwspersoon herkend als zijnde verdachte.
2. Een in de wettelijke vorm door [verbalisant 3], surveillant van politie, opgemaakt proces-verbaal, genummerd 2009084918-1, gesloten en getekend op 4 november 2009 te Epe, als bijlage (p. 10 e.v.) gevoegd bij het hierboven genoemde ambtelijk verslag, voor zover inhoudende de aangifte van[betrokkene], - zakelijk weergegeven -:
Ik doe aangifte ter zake diefstal.
Tussen dinsdag 13 oktober 2009 te 09:00 uur en dinsdag te 23:59 uur werd op de Servetstraat te Utrecht diefstal gepleegd.
Op laatste genoemde dag, datum en tijdstip zag ik dat de volgende goederen weggenomen waren:
-Euro, geld, 750,00 (1).
De diefstal vond als volgt plaats. Op 26 oktober 2009, had ik aangifte gedaan van verlies van mijn portemonnee in Utrecht. In de portemonnee zat een Rabobank pinpas van mij. Het rekeningnummer was [001]. Die vermissing had plaatsgevonden op 13 oktober 2009. Nu keek ik achteraf op de bankafschriften en zag dat er tweemaal was gepind met mijn pinpas. De pintransactie vond plaats omstreeks 17:30 uur. Ik heb dat gezien op de bankafschriften. Daarop is te zien dat de beide transacties hebben plaatsgevonden op 13 oktober 2009. Er staat letterlijk: RABO Utrecht e.o. 3511 BK 4. Dat staat bij beide transacties. De ene is een transactie van 250 euro en de andere van 500 euro.
3. Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, te weten een rekeningafschrift op naam van aangeefster, als bijlage (p. 14) gevoegd bij het hierboven genoemde ambtelijk verslag, voor zover inhoudende, - zakelijk weergegeven -:
Betalingsverkeer
Transactie raadplegen algemeen
Bankrekening [001] [betrokkene]
Datum: | Naam tegenrekeninghouder: | |
1310 | RABO Utrecht E.O. 3511 BK 4 | 250 |
1310 | RABO Utrecht E.O. 3511 BK 4 | 500 |
4. Een in de wettelijke vorm door [verbalisant 4], surveillant van politie, opgemaakt proces-verbaal, genummerd PL0915/09-346696, gesloten en getekend op 7 december 2009 te Utrecht, als bijlage (p. 20) gevoegd bij het bovengenoemde ambtelijk verslag, voor zover inhoudende het relaas van verbalisant, - zakelijk weergegeven -:
Op maandag 7 december 2009 heb ik, verbalisant [verbalisant 4], opnamebeelden bekeken terzake het strafbare feit van diefstal uit een automaat. Het betrof opnamebeelden van vrijdag 13 november 2009 {het hof begrijpt: 13 oktober 2009), welke werden opgenomen bij de pinautomaat van de Rabobank, gevestigd aan de Lange Viestraat 4 te Utrecht. De kwaliteit van de opnamebeelden was goed, waardoor de handelingen van verdachte duidelijk zichtbaar waren.
Ik, verbalisant [verbalisant 4], zag tijdens het uitkijken van de opnamebeelden van vrijdag 13 november 2009 dat
- te 17:09:46 uur een vrouwspersoon met een bankpas voorzien van rekeningnummer [001] een geldopname doet van 500,00 euro;
- te 17:10:54 uur deze vrouwspersoon met bovenstaande bankpas een geldbedrag van 1000 euro tracht te pinnen, wat echter niet lukt vanwege bereik limiet;
- te 17:10:56 uur deze vrouwspersoon met bovenstaande bankpas een geldopname doet van 250,00 euro;
- deze vrouw het navolgende signalement had:
o vrouw van buitenlandse afkomst;
o lichtgetinte huidskleur;
o donkerblond tot lichtbruin halflang krullend haar met een lengte tot op de schouder;
o gekleed in een donkerkleurige jas.
5. Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, te weten een afdruk van opnamebeelden van een pinautomaat, datum 13.10.2009, time 17:15:07 als bijlage (p. 21 en 22) gevoegd bij het hierboven genoemde ambtelijk verslag.
6. Een in de wettelijke vorm door [verbalisant 2], brigadier van politie, opgemaakt proces-verbaal, genummerd PL0920/09-346696, gesloten en getekend op 11 december 2009 te Zeist, als bijlage (p. 23) gevoegd bij het hierboven genoemde ambtelijk verslag, voor zover inhoudende het relaas van verbalisant, - zakelijk weergegeven -:
Naar aanleiding van een publicatie op het digitale korpsnet van de politieregio Utrecht onder nummer 09-346696 met als titel "pintransactie met gestolen pinpas", relateer ik het volgende:
De in het voor noemde bericht afgebeelde vrouw herken ik als de mij ambtshalve bekende:
[verdachte], geboren op [geboortedatum] 1985 te [geboorteplaats].
Ik ken [verdachte] ambtshalve, lk heb haar meerdere malen aangehouden voor diefstal en rijden zonder rijbewijs.
7. De waarneming van liet hof ter terechtzitting van 12 januari 2012.
Het hof constateert dat verdachte twee oneffenheden (moedervlekken) op de rechterzijde van het gezicht heeft. Deze bevinden zich onder en naast het rechteroog. Deze komen qua grootte en plaats overeen met de oneffenheden (moedervlekken) bij de persoon op de foto's op pagina 21 en 22 van het politie proces-verbaal."
2.3.
Aangezien de bewezenverklaring van feit 1 wat betreft de portemonnee niet zonder meer kan worden afgeleid uit de inhoud van de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen, is de bestreden uitspraak niet naar de eis der wet met redenen omkleed.
2.4.
Het middel slaagt.
3. Slotsom
Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 1 tenlastegelegde en de strafoplegging;
verwijst de zaak naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en J. Wortel, in bijzijn van de waarnemend griffier S.C. Rusche, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 juli 2013.
Conclusie 14‑05‑2013
Inhoudsindicatie
Slagende bewijsklacht diefstal.
Nr. 12/00761 Zitting: 14 mei 2013 | Mr. Knigge Conclusie inzake: [verdachte] |
1. Het Gerechtshof te Arnhem heeft bij arrest van 26 januari 2012 verdachte wegens 1. “diefstal”, 2. “diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels” en 3. “poging tot diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes weken. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 186,55 en aan verdachte voor dat bedrag een betalingsverplichting opgelegd. Het Hof heeft tevens de vordering van de officier van justitie strekkende tot ten uitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie afgewezen.
2. Tegen deze uitspraak is namens verdachte cassatieberoep ingesteld.
3. Namens verdachte heeft mr. M.G. Vos, advocaat te Utrecht, een middel van cassatie voorgesteld.
4. Het middel
4.1. Het middel keert zich tegen de motivering van het onder 1 bewezenverklaarde feit.
4.2. Ten laste van verdachte heeft het Hof onder 1 bewezenverklaard dat:
“zij op 13 oktober 2009 te Utrecht, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een portemonnee (met een pinpas en/of andere inhoud), toebehorende aan [betrokkene].”
4.3. Het middel behelst de klacht dat uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat verdachte de portemonnee met pinpas heeft gestolen.
4.4. De bewijsmiddelen houden in dat [betrokkene] op 13 oktober 2009 haar pinpas is kwijtgeraakt, dat zij op 26 oktober 2009 aangifte heeft gedaan van het verlies van haar portemonnee met daarin een Rabobank pinpas, dat zij aangifte heeft gedaan van diefstal van een bedrag van in totaal 750 euro en dat op 13 oktober 2009 met haar pinpas een bedrag van in totaal 750 euro is gepind bij een geldautomaat van de Rabobank te Utrecht. Op camerabeelden van de bewuste geldautomaat is te zien dat een vrouw met de pinpas van [betrokkene] een bedrag van in totaal 750 euro pint. De vrouw die op deze beelden te zien is, wordt herkend als zijnde verdachte.
4.5. Uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen kan niet worden afgeleid dat verdachte de portemonnee van [betrokkene] heeft gestolen. Uit het feit dat verdachte in het bezit was van de pinpas volgt immers niet dat zij de portemonnee heeft gestolen. Uit de bewijsmiddelen kan zelfs niet worden afgeleid dat de portemonnee gestolen is. De verklaring van aangeefster houdt slechts in dat zij de portemonnee met pinpas is kwijtgeraakt. Het Hof heeft met betrekking tot de strafoplegging weliswaar overwogen dat verdachte een gesprek is aangegaan met aangeefster en dat zij tijdens dit gesprek op slinkse wijze de portemonnee met pinpas heeft gestolen, maar uit de bewijsmiddelen volgt dit niet.
5. Het middel slaagt.
6. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
7. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend wat betreft de beslissingen ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde feit en de strafoplegging en tot zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
AG