Rb. Oost-Brabant 14 januari 2016, insolventienummer: C/01/12/413 R.
HR, 24-06-2016, nr. 16/01564
ECLI:NL:HR:2016:1308
- Instantie
Hoge Raad (Civiele kamer)
- Datum
24-06-2016
- Zaaknummer
16/01564
- Vakgebied(en)
Insolventierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2016:1308, Uitspraak, Hoge Raad (Civiele kamer), 24‑06‑2016; (Cassatie, Artikel 80a RO-zaken)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2016:530, Gevolgd
ECLI:NL:PHR:2016:530, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 10‑05‑2016
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:1308, Gevolgd
- Vindplaatsen
Uitspraak 24‑06‑2016
Partij(en)
24 juni 2016
Eerste Kamer
16/01564
EE/LZ
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[verzoekster],wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr. P.J.Ph. Dietz de Loos.
Verzoekster zal hierna ook worden aangeduid als [verzoekster].
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. het vonnis in de zaak met het insolventienummer C/01/12/413 R van de rechtbank Oost-Brabant van 14 januari 2016;
b. het arrest in de zaak 200.184.111/01 van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 17 maart 2016.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [verzoekster] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het standpunt van de Procureur-Generaal strekt tot niet-ontvankelijkverklaring op grond van art. 80a lid 1 RO.
3. Beoordeling van de ontvankelijkheid
De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden (zie het standpunt van de Procureur-Generaal onder 4 – 7).
De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a lid 1 RO en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, T.H. Tanja-van den Broek en C.E. du Perron, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 24 juni 2016.
Conclusie 10‑05‑2016
Inhoudsindicatie
Art. 80a lid 1 RO. WSNP. Beëindiging zonder schone lei (art. 358 lid 2 Fw). Sollicitatieplicht. Informatieplicht. Afdrachtplicht.
16/01564
mr. G.R.B. van Peursem
10 mei 2016
Conclusie inzake:
[verzoekster],
(hierna: [verzoekster]),
verzoekster tot cassatie.
1. De rechtbank1.heeft de bij vonnis van 22 augustus 2012 uitgesproken schuldsaneringsregeling ten aanzien van [verzoekster] tussentijds beëindigd zonder toekenning van een schone lei in de zin van art. 358 lid 2 Fw, omdat [verzoekster] in de nakoming van verscheidene uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen is tekortgeschoten: i) het niet voldoen aan haar sollicitatieverplichting, ii) tekortkoming in de nakoming van haar informatieverplichting, iii) het ontstaan van nieuwe (huur)schulden en iv) het onvoldoende afdragen aan de boedel. Op de sinds juli 2013 ontstane boedelachterstand is niet afgelost en na betaling van de vaste lasten blijft daar volgens [verzoekster] en de bewindvoerder ook onvoldoende ruimte voor over, zodat de rechtbank oordeelde dat verlenging van de looptijd van de schuldsaneringsregeling niet zinvol was, omdat de huurschuld en de boedelachterstand dan alleen maar verder zouden oplopen. Genoemde tekortkomingen kunnen [verzoekster] volgens de rechtbank worden toegerekend en zij zag geen aanleiding tot toepassing van art. 354 lid 2 Fw.
2. Het hof2.heeft het vonnis van de rechtbank bekrachtigd en heeft daartoe voor zover van belang als volgt overwogen:
“3.3. [verzoekster] kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen. [verzoekster] heeft in het beroepschrift - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd.
[verzoekster] stelt dat zij wel volledig heeft voldaan aan de sollicitatieplicht. Volgens [verzoekster] heeft zij de sollicitatiegegevens gezonden aan de bewindvoerder en de uitkerende instantie.
[verzoekster] stelt voorts dat zij wel heeft voldaan aan de informatieplicht. [verzoekster] heeft altijd alle stukken ingediend, doch zij vermoedt dat de budgetcoach niet altijd alle stukken heeft ingediend, terwijl hij dit wel zou doen.
Met betrekking tot de boedelafdrachten stelt [verzoekster] dat de budgetcoach heeft verzaakt de juiste afdrachten te doen.
[verzoekster] merkt tot slot op dat de budgetcoach betalingen niet heeft gedaan, waardoor nieuwe schulden zijn ontstaan, zoals de huurpenningen en betalingen aan CZ en de belastingdienst.
3.4.
De bewindvoerder heeft haar verzoek om de schuldsaneringsregeling te beëindigen zonder toekenning van de schone lei gemotiveerd gehandhaafd.
3.5.
Het hof komt tot de volgende beoordeling.
3.5.1.
Bij het einde van de termijn gedurende welke de toepassing van de schuldsaneringsregeling van kracht is, dient op de voet van artikel 354 lid 1 Fw te worden vastgesteld of de schuldenaar toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van één of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen. Bij deze vaststelling geldt als maatstaf of een tekortkoming, in het licht van alle omstandigheden van het geval, een duidelijke aanwijzing vormt dat het bij de schuldenaar aan de van hem te vergen medewerking aan een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling heeft ontbroken. Ingevolge artikel 354 lid 2 Fw dient de rechter voorts na te gaan of er aanleiding bestaat om te bepalen dat een tekortkoming gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis buiten beschouwing blijft.
3.5.2.
Het hof is van oordeel dat de rechtbank terecht en op goede gronden, die het hof overneemt en tot de zijne maakt, heeft geoordeeld dat [verzoekster] zich niet, althans onvoldoende, heeft gehouden aan de aan haar opgelegde uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende inspanningsverplichting, meer in het bijzonder de sollicitatieplicht.
Het hof stelt vast dat ook in hoger beroep door [verzoekster] nog niet het begin van enig verificatoir bewijs is overgelegd met betrekking tot haar sollicitatie-activiteiten, ondanks haar aankondiging in het beroepschrift dat zij stukken zal indienen ter onderbouwing van haar stelling dat zij, op de momenten dat zij geen betaalde arbeid (meer) verrichtte, gedurende de gehele looptijd van de wettelijke schuldsanering volledig en op de juiste wijze heeft voldaan aan de sollicitatieplicht.
3.5.3.
Met betrekking tot de boedelafdrachten merkt het hof in de eerste plaats op dat alle uit de toepassing van de schuldsaneringsregeling voortvloeiende kernverplichtingen, waaronder de afdrachtplicht, rechtstreeks op [verzoekster] rusten. Dat [verzoekster] onder budgetbeheer staat maakt dat niet anders. Zij blijft een eigen verantwoordelijkheid houden dat maandelijks de door de bewindvoerder becijferde boedelafdrachten worden gedaan; in dit verband wijst het hof onder meer ook op de door de bewindvoerder op 24 juli 2013 aan [verzoekster] gezonden brief waarvan de inhoud door [verzoekster] overigens ook niet of onvoldoende gemotiveerd is betwist. Vaststaat dat [verzoekster] vanaf medio 2013 er geen c.q. geen tijdig toezicht op heeft gehouden dat maandelijks de boedelafdracht wordt voldaan evenmin als gebleken is dat [verzoekster] er (voldoende, herhaaldelijk en tijdig) op heeft aangedrongen dat, in samenspraak met haar, tijdig een plan van aanpak zou worden opgesteld. Blijkens de brief van de bewindvoerder van 24 februari 2016 is sprake van een boedelachterstand van € 1.597,08. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep is namens [verzoekster] een overzicht met betrekking tot haar inkomen en lasten overgelegd, waaruit blijkt dat zij maandelijks € 43,13 tekort komt, terwijl zij daarnaast niet in staat is om op de nieuwe ontstane en, gelet op haar leefgeld, bovenmatige schuld aan GGNCZ van € 1.525,73 af te lossen. Dat de huidige budgetcoach van [verzoekster] stelt dat er van mag worden uitgegaan dat er wat ruimte komt om de ontstane boedelachterstand in te lopen acht het hof onvoldoende deugdelijk onderbouwd.
Om die reden acht het hof, evenals de rechtbank, geen termen aanwezig om de termijn van de wettelijke schuldsaneringsregeling te verlengen.
3.6.
Al hetgeen hiervoor is overwogen, zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang beschouwd, voert het hof tot de slotsom dat [verzoekster] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van meerdere uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen.
Het hof ziet geen aanleiding om op de voet van artikel 354 lid 2 Fw te bepalen dat deze tekortkoming gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis buiten beschouwing blijft.
Op grond hiervan is het hof van oordeel dat de rechtbank de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [verzoekster] terecht heeft beëindigd zonder toekenning van de "‘schone lei".
3.7.
Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd.”
3. [verzoekster] is tijdig in cassatie gekomen met een cassatiemiddel bestaande uit twee onderdelen. Er is naar aanleiding van het proces-verbaal van de zitting in hoger beroep door de advocaat van [verzoekster] een commentaar daarop van [verzoekster] zelf doorgestuurd, maar daarin zijn geen aanvullende cassatieklachten te ontwaren.
4. Onderdeel 1 richt zich tegen rov. 3.5.2 over het niet nakomen van de sollicitatieverplichting en onderdeel 2 tegen rov. 3.5.3 over de boedelafdrachten. Deze klachten kunnen klaarblijkelijk niet tot cassatie leiden.
5. Indien rov. 3.5.2 zo moet worden gelezen, dat het hof heeft overwogen dat ook het oordeel van de rechtbank over schending van de informatieverplichting wordt overgenomen – het hof overweegt dat [verzoekster] zich niet (voldoende) aan de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende inspanningsverplichting heeft gehouden, “meer in het bijzonder” de sollicitatieplicht – dan wordt in cassatie niet opgekomen tegen deze zelfstandig dragende afwijzingsgrond en mist [verzoekster] belang bij haar cassatieberoep.
6. Voor zover dat niet zo moet worden opgevat, faalt onderdeel 1 al, omdat het zich richt tegen het vonnis van de rechtbank over de sollicitatieplicht aan de hand van het zittingsp-v in eerste aanleg. Het hof neemt weliswaar de gronden van de rechtbank over en maakt die tot de zijne, maar overweegt feitelijk dat ook in appel nog geen begin van onderbouwing is overgelegd met betrekking tot de sollicitatieactiviteiten van [verzoekster]. Dat is gelet op het dossier niet onbegrijpelijk. Het appelschrift onder 4. geeft zonder onderbouwing aan dat [verzoekster] wel aan haar sollicitatieplicht heeft voldaan en dat zij stukken die dit onderbouwen zal opzoeken en opvragen en zal indienen ter onderbouwing. Dat is kennelijk niet gebeurd. In het dossier wordt dat niet aangetroffen en het onderdeel verwijst er ook niet naar.
7. Onderdeel 2 richt zich eveneens tegen een feitelijk oordeel van het hof, dat niet onbegrijpelijk is, zodat dit evenmin tot cassatie kan leiden. Het is in feite een herhaling van zetten van het verworpen betoog bij appel, dat de budgetcoach niet de juiste betalingen zou hebben gedaan. Ook hiervoor geldt dat bij appelschrift onder 7. is aangekondigd dat deze stellingen met stukken zouden worden onderbouwd, maar ook dat is vervolgens kennelijk nagelaten. Dat budgetcoaching (door [verzoekster] zelf ingehuurd) zou maken dat (toezicht op) correcte boedelafdracht geen uiteindelijke verantwoordelijkheid van de schuldenaar zou zijn, zoals het onderdeel aanvoert, lijkt mij rechtens onjuist3..
Conclusie
Ik concludeer tot niet-ontvankelijkverklaring op grond van art. 80a lid 1 RO.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
Advocaat-Generaal
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 10‑05‑2016
Hof ’s-Hertogenbosch 17 maart 2016, zaaknummer: 200.184.111/01.
Haar advocaat in feitelijke instanties ging bij brief van 7 maart 2016 overigens ook uit van het “feit dat zij verantwoordelijk was en is” voor correcte boedelafdrachten ondanks haar samenwerking met haar toenmalige budgetcoach, maar dat de achterstand door fouten van laatstgenoemde niet (volledig) toerekenbaar zou zijn, vgl. prod. 6 van het onder de noemer “Inventarislijst” overgelegde procesdossier onder het kopje “Conclusie”.