NJB 2016/1293
Inbeslagneming krachtens art. 9 lid 3 Opw: voor toepassing van deze bepaling is niet vereist dat de opsporingsambtenaren al vóór het moment van inbeslagname door voorafgaande waarneming hebben moeten kunnen vaststellen dat de verdachte een voor inbeslagneming vatbaar voorwerp in zijn handen had
HR 14-06-2016, ECLI:NL:HR:2016:1200
- Instantie
Hoge Raad (Strafkamer)
- Datum
14 juni 2016
- Magistraten
Mrs. W.A.M. van Schendel, Y. Buruma, A.L.J. van Strien
- Zaaknummer
15/05134
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Opiumwet
Bestuursrecht algemeen / Handhaving algemeen
Gezondheidsrecht / Bijzondere onderwerpen
Strafprocesrecht / Voorfase
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2016:1200, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 14‑06‑2016
ECLI:NL:PHR:2016:491, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 22‑03‑2016
Beroepschrift, Hoge Raad, 10‑12‑2015
- Wetingang
Essentie
Inbeslagneming krachtens art. 9 lid 3 Opw: voor toepassing van deze bepaling is niet vereist dat de opsporingsambtenaren al vóór het moment van inbeslagname door voorafgaande waarneming hebben moeten kunnen vaststellen dat de verdachte een voor inbeslagneming vatbaar voorwerp in zijn handen had
Uitspraak
Inleiding:
OM-cassatie. Verdachte is vrijgesproken van – voor zover in cassatie van belang – het in de zaak met parketnummer 05-039373-12 ten laste gelegde, dat – kort gezegd – inhoudt dat hij (feit 1) opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 2,43 gram (6 bolletjes) cocaïne, en dat hij (feit 2) ‘in de gemeente Nijmegen, toen een aldaar in uniform ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.