HR 17 juni 2008, LJN BD2578, NJ 2008, 358, m.nt. P.A.M. Mevis, rov. 3.6.2. onder C.
HR, 09-10-2012, nr. 11/00159
ECLI:NL:HR:2012:BX5126
- Instantie
Hoge Raad (Strafkamer)
- Datum
09-10-2012
- Zaaknummer
11/00159
- Conclusie
Mr. Vellinga
- LJN
BX5126
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:PHR:2012:BX5126, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 09‑10‑2012
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BX5126
ECLI:NL:HR:2012:BX5126, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 09‑10‑2012; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2012:BX5126
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2012-0190
Conclusie 09‑10‑2012
Mr. Vellinga
Partij(en)
Nr. 11/00159
Mr. Vellinga
Zitting: 26 juni 2012
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1.
Verdachte is door het Gerechtshof te 's-Gravenhage wegens "Handelen in strijd met artikel 13, eerste lid van de Wet wapens en munitie" veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van € 160,-, subsidiair 3 dagen hechtenis. Voorts heeft het Hof het inbeslaggenomen paintballgeweer onttrokken aan het verkeer.
2.
Namens verdachte heeft mr. M.W. Stoet, advocaat te 's-Gravenhage, drie middelen van cassatie voorgesteld.
3.
Het eerste middel klaagt dat de voor het bewijs gebezigde eigen waarneming van het Hof geen grondslag vindt in het proces-verbaal van de terechtzitting en derhalve onbegrijpelijk is.
4.
Het bestreden arrest houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel relevant, in:
"In het dossier bevindt zich een proces-verbaal van de politie Hollands Midden, Korpsrecherche, Forensische opsporing, Regionaal Bureau Wapens en Munitie van 27 februari 2008. In dit proces-verbaal wordt gerelateerd dat het onder de verdachte inbeslaggenomen voorwerp qua vorm en afmeting een gelijkenis vertoont met een bestaand vuurwapen. Van zowel het paintballgeweer als dat vuurwapen bevinden zich foto's in het dossier.
Ter terechtzitting in hoger beroep van 24 juni 2010 is door het openbaar ministerie een paintballgeweer van voormeld merk en type getoond ter bezichtiging door alle procesdeelnemers, terwijl voorts vuurwapens zijn getoond.
Het hof heeft aldaar vastgesteld dat het bewuste paintballgeweer een voorwerp is dat voor wat betreft vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertoont met een wapen en in zoverre voor bedreiging of afdreiging geschikt is.
(...)"
5.
De aanvulling met bewijsmiddelen als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel relevant, in:
"2.
De eigen waarneming van het hof.
Het hof heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 24 juni 2010 waargenomen - zakelijk weergegeven-:
Dat het paintballgeweer van het merk Tippmann, type X7, een voorwerp is dat voor wat betreft vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertoont met een vuurwapen. (Hof: in het arrest is, gelet ook op de voorlaatste alinea van blz. 3, in de laatste alinea abusievelijk het woorddeel "vuur" voor "wapen" weggevallen.)"
6.
In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat, anders dan in het bestreden arrest is opgenomen, uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 24 juni 2010 niet blijkt dat door het Openbaar Ministerie vuurwapens en een paintballgeweer soortgelijk aan het onder de verdachte inbeslaggenomen paintballgeweer zijn getoond. Dat de getuige-deskundige [getuige 1] het door hem blijkens genoemd proces-verbaal van de terechtzitting meegenomen paintballgeweer en andere door hem meegenomen vuurwapens ter terechtzitting heeft getoond, zou evenmin uit genoemd proces-verbaal blijken.
7.
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 24 juni 2010 houdt inderdaad niet in dat - zoals in het bestreden arrest is opgenomen - op genoemde zitting door het Openbaar Ministerie een paintballgeweer van het merk Tippmann, type X7, en vuurwapens zijn getoond.
8.
Omdat er gezien hetgeen het Hof te dien aanzien in zijn arrest - in cassatie in zoverre niet bestreden - overweegt geen enkele twijfel over behoeft te bestaan dat ter terechtzitting door het Openbaar Ministerie een paintballgeweer van voormeld merk en type is getoond ter bezichtiging door alle procesdeelnemers en vuurwapens zijn getoond, is de door het middel geconstateerde misslag in het proces-verbaal van de terechtzitting bestaande in het niet vermelden van het tonen van een paintballgeweer van het merk Tippmann, type X7. en vuurwapens niet van dien aard dat de verdachte daardoor is geschaad in zijn rechtens beschermde belangen. Daarom behoeft het middel niet tot cassatie te leiden.
9.
Het middel is tevergeefs voorgedragen.
10.
Het tweede middel dat klaagt over het niet in verdachtes zaak beëdigd zijn van de getuigen-deskundigen [getuige 1 t/m 3], en over het niet aan de verdachte bieden van de mogelijkheid opmerkingen te maken naar aanleiding van de gehoorde getuigen-deskundigen.
11.
Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting is de zaak van de verdachte gelijktijdig doch niet gevoegd behandeld met de zaak tegen de verdachte [medeverdachte] (in wiens bedrijf volgens bewijsmiddel 3 het paintballgeweer van de verdachte, op het bezit waarvan de bewezenverklaring in verdachtes zaak is toegesneden, is aangetroffen). Het proces-verbaal van de terechtzitting bevat verklaringen van drie getuigen-deskundigen, die zich - kort gezegd - hebben uitgelaten over de in de onderhavige zaak blijkens de overwegingen van het Hof centraal staande vraag of een paintballgeweer een vuurwapen is in de zin van de Wet wapens en munitie. Hoewel het proces-verbaal van de terechtzitting tevens vermeldt dat deze getuigen-deskundigen zijn opgeroepen en beëdigd in de zaak [medeverdachte] en verdachte en zijn raadsman de gelegenheid is gegeven de getuigen-deskundigen in de zaak [medeverdachte] vragen te stellen moet het ervoor worden gehouden dat de - volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in verdachtes zaak ter terechtzitting aanwezige - getuigen-deskundigen hun verklaringen ook hebben afgelegd in de zaak tegen de verdachte. Dat springt temeer in het oog nu hun verklaringen in het proces-verbaal van de terechtzitting in verdachtes zaak zijn weergegeven "voor zover ter zake van belang" terwijl zij in de zaak tegen de medeverdachte [medeverdachte] uitgebreidere verklaringen hebben afgelegd.
12.
Het middel klaagt dus terecht dat de getuigen-deskundigen ook in verdachtes zaak hadden dienen te worden beëdigd en dat verdachte en zijn raadsman in de gelegenheid hadden dienen te worden gesteld opmerkingen te maken naar aanleiding van hetgeen de getuigen-deskundigen hebben verklaard (art. 292 lid 3 jo. 299 Sv).
13.
Nu echter de zaken tegen de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] gelijktijdig zijn behandeld en er, gelet op de bestendige praktijk, dus in cassatie van moet worden uitgegaan dat de getuigen-deskundigen maar eenmaal zijn gehoord in zowel verdachtes zaak als in die van de medeverdachte [medeverdachte], moet het er - zo zij inderdaad uitsluitend zijn beëdigd in de zaak van de medeverdachte [medeverdachte] - in cassatie voor worden gehouden dat zij hun verklaring hebben afgelegd onder verband van de eed of belofte die zij in de zaak [medeverdachte] hebben afgelegd, zoals daarvan blijkt uit het proces-verbaal van de terechtzitting in de eveneens bij de Hoge Raad aanhangige zaak tegen de medeverdachte [medeverdachte] (griffienr. 10/03061). Een en ander betekent dat de verdachte door het onderhavige gebrek niet is geschaad in zijn rechtens beschermde belangen.
14.
Het verzuim de verdachte en zijn raadsman in de gelegenheid te stellen opmerkingen te maken na afloop van de verhoren van de getuigen-deskundigen wordt door de wet niet met nietigheid bedreigd. Nu voorts verdachte en zijn raadsman wel in de gelegenheid zijn gesteld vragen aan de getuigen-deskundigen te stellen en kennelijk niet hebben gevraagd ook opmerkingen te mogen maken naar aanleiding van de afgelegde verklaringen en verdachtes raadsman ook bij pleidooi geen opmerkingen over de verklaringen van de getuigen-deskundigen heeft gemaakt, is de verdachte door het onderhavige gebrek niet geschaad in zijn rechtens beschermde belangen.
15.
Het voorgaande brengt mee dat het middel tevergeefs is voorgedragen.
16.
Het derde middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM is overschreden, nu de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.
17.
Het cassatieberoep is ingesteld op 13 juli 2010. De stukken van het geding zijn blijkens een daarop gezet stempel op 14 oktober 2011 bij de Hoge Raad binnengekomen. Dat brengt met zich dat de inzendtermijn van acht maanden is overschreden. Voorts zal de Hoge Raad in deze zaak uitspraak doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Het middel is dan ook terecht voorgesteld. Nu aan de verdachte evenwel een geheel voorwaardelijke straf is opgelegd, kan met de enkele constatering dat de redelijke termijn is overschreden, worden volstaan.1.
18.
Overigens merk ik nog op dat er in de toelichting op het middel aan voorbij wordt gezien dat overschrijding van de redelijke termijn nimmer leidt tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging.2.
19.
Het eerste en het tweede middel kunnen worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.
20.
Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 09‑10‑2012
HR 17 juni 2008, LJN BD2578, NJ 2008, 358, m.nt. P.A.M. Mevis, rov. 3.5.1.
Uitspraak 09‑10‑2012
Inhoudsindicatie
Art. 290.4 Sv. Beëdiging getuigen-deskundigen. Het p.v. van de tz. in h.b. houdt in dat de zaak tegen verdachte gelijktijdig doch niet gevoegd is behandeld met de zaak tegen medeverdachte X en dat de getuigen-deskundigen die zijn opgeroepen en zijn beëdigd in de zaak van X, ook in de zaak van verdachte als getuige-deskundigen zijn gehoord. Het p.v. houdt niet in dat in de zaak van verdachte is overgegaan tot de beëdiging i.d.z.v. art. 290.4 Sv jo. art. 299 Sv van de getuige-deskundigen. In aanmerking genomen dat de zaak van verdachte gelijktijdig is behandeld met de zaak tegen X, moet het ervoor worden gehouden dat de in beide zaken gehoorde getuigen-deskundigen de eed of belofte die zij hebben afgelegd in de zaak tegen X, ook hebben afgelegd in de zaak van verdachte. De Hoge Raad leest het p.v. van de tz. in die zin verbeterd, zodat aan het middel in zoverre de feitelijke grondslag is komen te ontvallen.
Partij(en)
9 oktober 2012
Strafkamer
nr. S 11/00159
AJ/ABG
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 8 juli 2010, nummer 22/005019-08, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981, wonende te [woonplaats].
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. M.W. Stoet, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van het tweede middel
2.1.
Het middel behelst onder meer de klacht dat uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 24 juni 2010 niet blijkt dat de gehoorde getuige-deskundigen zijn beëdigd overeenkomstig het bepaalde in art. 290, vierde lid, Sv, zodat het onderzoek ter terechtzitting aan nietigheid lijdt.
2.2.
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 24 juni 2010 houdt onder meer in:
"(...)
De zaak wordt gelijktijdig, doch niet gevoegd behandeld met de zaak tegen [medeverdachte] (rolnummer 22-002422-09).
De in de zaak [medeverdachte] opgeroepen getuigen-deskundigen [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3] zijn ter terechtzitting aanwezig.
(...)
De in de zaak [medeverdachte] beëdigde getuige-deskundige, genaamd [getuige 1], geboren op [geboortedatum] 1969, van beroep brigadier van politie en wonende te [woonplaats], verklaart voor zover ter zake van belang:
Ik heb onder andere de navolgende paintballmarker en vuurwapens meegenomen:
- -
de paintballmarker Tippman X7,
- -
de vuurwapens Heckler & Koch 416K, M16 karabijnuitvoering in plaats van de Colt M4, de Heckler & Koch MP5 korte uitvoering, de Glock pistool model 17, de Heckler & Koch USP Tactical, de Sig Sauer P228, de Steyr TMP, de AR15 (burgeruitvoering). De AR15 is een zelfde vuurwapen als de M16, alleen de M16 is een automatisch vuurwapen.
De in de zaak [medeverdachte] beëdigde getuige-deskundige, genaamd [getuige 3], geboren op [geboortedatum] 1961, van beroep militair en wonende te [woonplaats], verklaart voor zover ter zake van belang:
Als kenner van vuurwapens vind ik niet dat het paintballwapen Tippmann X7 lijkt op het vuurwapen Heckler & Koch 417. De symbolen op de vuurregelaar zijn wel één op één overgenomen van de Heckler & Koch. Een leek zal er wel bang van worden.
De in de zaak [medeverdachte] beëdigde getuige-deskundige, genaamd [getuige 2], geboren op [geboortedatum] 1953, van beroep docent ontwikkelaar politie academie en inspecteur van politie en domicilie kiezende te Apeldoorn, verklaart voor zover ter zake van belang:
De hier aanwezige paintballmarkers lijken 1 op 1 op bestaande wapens. Artikel 3 van de Regeling wet wapens en munitie zegt dat zogenaamde "categorie I onder 7° voorwerpen" mogen lijken op meerdere wapens. Het kan ook in onderdelen lijken op een wapen. Als wij als werkgroep Advies Wet wapens en munitie een paintballmarker ter beoordeling krijgen dan willen we hem in de doos met deksel erop aangeleverd krijgen. Anders willen we hem niet hebben. De werkgroep beoordeelt de marker met hopper en gasbus, maar ook zonder deze onderdelen. Dit omdat in Nederland, ook overvallen worden gepleegd met zogenaamde look-alikes. De paintballmarker Tippmann X7 is wat mij betreft een kloon van het vuurwapen Heckler & Koch 416 D-uitvoering. Als op een paintballmarker een hopper gelast zou zijn, dan zou ik er voorbeelden van nachtkijkers bij pakken. Nachtkijkers hebben eenzelfde formaat als hoppers. Ook de aanwezigheid van een gasfles zou mijn oordeel niet anders maken, omdat een slachtoffer daar niet naar kijkt.
De voorzitter heeft de raadsman en de verdachte in de onderhavige zaak de gelegenheid gegeven de ter zitting aanwezige getuigen-deskundigen in de zaak [medeverdachte] vragen te stellen."
2.3.
Het hiervoor weergegeven proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt in dat de zaak tegen de verdachte gelijktijdig doch niet gevoegd is behandeld met de zaak tegen [medeverdachte] en dat [getuige 1], [getuige 3] en [getuige 2], die als getuigen-deskundigen waren opgeroepen in de zaak van [medeverdachte] en in die zaak zijn beëdigd, ook in de zaak van de verdachte als getuige-deskundigen zijn gehoord. Het proces-verbaal houdt niet in dat in de zaak van de verdachte is overgegaan tot de beëdiging in de zin van art. 290, vierde lid, Sv in verbinding met art. 299 Sv van de getuige-deskundigen [getuige 1 t/m 3]. In aanmerking genomen dat de zaak van de verdachte gelijktijdig is behandeld met de zaak tegen [medeverdachte], moet het ervoor worden gehouden dat de in beide zaken gehoorde getuigen-deskundigen de eed of belofte die zij hebben afgelegd in de zaak tegen [medeverdachte], ook hebben afgelegd in de zaak van de verdachte. De Hoge Raad leest het proces-verbaal van de terechtzitting van 24 juni 2010 in die zin verbeterd, zodat aan het middel in zoverre de feitelijke grondslag is komen te ontvallen.
2.4.
Ook voor het overige kan het middel niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel in zoverre niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3. Beoordeling van het eerste middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beoordeling van het derde middel
4.1.
Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden, en dit dient te leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging.
4.2.
Het middel klaagt terecht dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn, omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden. Voorts doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Overschrijding van die termijn kan evenwel niet leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging (vgl. HR 17 juni 2008, LJN BD2578, NJ 2008/358). Gelet op de aan de verdachte opgelegde voorwaardelijke geldboete van € 160,-, subsidiair 3 dagen hechtenis, met een proeftijd van 2 jaren, en de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, is er geen aanleiding om aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden en zal de Hoge Raad met dat oordeel volstaan.
5. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren W.F. Groos en N. Jörg, in bijzijn van de waarnemend griffier A.C. ten Klooster, en uitgesproken op 9 oktober 2012.