Procestaal: Kroatisch.
HvJ EU, 11-07-2024, nr. C-554/21, nr. C‑622/21, nr. C‑727/21
ECLI:EU:C:2024:594
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
11-07-2024
- Magistraten
K. Lenaerts, L. Bay Larsen, A. Arabadjiev, A. Prechal, C. Lycourgos, F. Biltgen, N. Piçarra, S. Rodin, I. Jarukaitis, N. Jääskinen, N. Wahl, I. Ziemele, J. Passer, D. Gratsias, M.L. Arastey Sahún
- Zaaknummer
C-554/21
C‑622/21
C‑727/21
- Conclusie
P. Pikamäe
- Roepnaam
HANN-INVEST
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2024:594, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 11‑07‑2024
ECLI:EU:C:2023:816, Conclusie, Hof van Justitie van de Europese Unie, 26‑10‑2023
Uitspraak 11‑07‑2024
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU — Daadwerkelijke rechtsbescherming op de onder het recht van de Unie vallende gebieden — Onafhankelijkheid van rechters — Gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld — Eerlijk proces — Dienst voor de registratie van rechterlijke beslissingen — Nationale regeling op grond waarvan bij de rechterlijke instanties van tweede aanleg een registratierechter wordt aangesteld, die in de praktijk bevoegd is om de uitspraak van een vonnis op te schorten, instructies te geven aan de rechtsprekende formaties en te verzoeken om een afdelingsvergadering bijeen te roepen — Nationale regeling op grond waarvan de vergaderingen van afdelingen of van alle rechters van een rechterlijke instantie bindende ‘juridische standpunten’ kunnen innemen, ook met betrekking tot zaken waarover reeds is beraadslaagd
K. Lenaerts, L. Bay Larsen, A. Arabadjiev, A. Prechal, C. Lycourgos, F. Biltgen, N. Piçarra, S. Rodin, I. Jarukaitis, N. Jääskinen, N. Wahl, I. Ziemele, J. Passer, D. Gratsias, M.L. Arastey Sahún
Partij(en)
In de gevoegde zaken C-554/21, C-622/21 en C-727/21,*
betreffende drie verzoeken om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Visoki trgovački sud (handelsrechter in tweede aanleg, Kroatië) bij beslissingen van 3 augustus 2021 (C-554/21), 21 september 2021 (C-622/21) en 10 november 2021 (C-727/21), respectievelijk ingekomen bij het Hof op 8 september 2021, 7 oktober 2021 en 30 november 2021, in de procedures
Financijska agencija
tegen
HANN-INVEST d.o.o. (C-554/21),
MINERAL-SEKULINE d.o.o. (C-622/21),
en
UDRUGA KHL MEDVEŠČAK ZAGREB (C-727/21)
wijst
HET HOF (Grote kamer),
samengesteld als volgt: K. Lenaerts, president, L. Bay Larsen, vicepresident, A. Arabadjiev, A. Prechal, C. Lycourgos, F. Biltgen en N. Piçarra, kamerpresidenten, S. Rodin, I. Jarukaitis (rapporteur), N. Jääskinen, N. Wahl, I. Ziemele, J. Passer, D. Gratsias en M. L. Arastey Sahún, rechters,
advocaat-generaal: P. Pikamäe,
griffier: M. Longar, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 5 juni 2023,
gelet op de opmerkingen van:
- —
Financijska agencija, vertegenwoordigd door S. Pejaković, deskundige,
- —
de Kroatische regering, vertegenwoordigd door G. Vidović Mesarek als gemachtigde,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door K. Herrmann, M. Mataija en P. J. O. Van Nuffel als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 26 oktober 2023,
het navolgende
Arrest
1
De verzoeken om een prejudiciële beslissing betreffen de uitlegging van artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU en van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: ‘Handvest’).
2
Deze verzoeken zijn ingediend in het kader van drie gedingen, de eerste twee tussen de Financijska agencija (financieel agentschap, Kroatië) en HANN-INVEST d.o.o. (C-554/21) en tussen de Financijska agencija en MINERAL-SEKULINE d.o.o. (C-622/21) betreffende de invordering van de kosten van dat agentschap in verband met de werkzaamheden die het in het kader van een insolventieprocedure heeft verricht, en het derde betreffende een door UDRUGA KHL MEDVEŠČAK ZAGREB ingediend verzoek om een saneringsprocedure in te leiden.
Toepasselijke bepalingen
Wet betreffende de rechterlijke organisatie
3
Artikel 14 van de Zakon o sudovima (wet betreffende de rechterlijke organisatie) (Narodne novine, nr. 28/13, 33/15, 82/15, 82/16, 67/18, 126/19, 130/20) bepaalt:
- ‘1.
In Kroatië wordt de rechterlijke macht uitgeoefend door gewone rechterlijke instanties, gespecialiseerde rechterlijke instanties en de Vrhovni sud (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Kroatië).
[…]
- 3.
De gespecialiseerde gerechten zijn de Trgovački sudovi (handelsrechters, Kroatië), de Upravni sudovi (bestuursrechters, Kroatië), de Visoki trgovački sud (handelsrechter in tweede aanleg, Kroatië), de Visoki upravni sud (bestuursrechter in tweede aanleg, Kroatië), de Visoki prekršajni sud (rechter in tweede aanleg in strafzaken betreffende lichte misdrijven, Kroatië) en de Visoki kazneni sud (rechter in tweede aanleg in strafzaken betreffende zware misdrijven, Kroatië).
- 4.
De hoogste rechterlijke instantie van Kroatië is de Vrhovni sud (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken).
[…]’
4
In artikel 24 van deze wet is het volgende opgenomen:
‘De Visoki trgovački sud
- 1.
doet uitspraak op de hoger beroepen tegen beslissingen in eerste aanleg van de Trgovački sudovi;
- 2.
is bevoegd voor conflicten over territoriale bevoegdheid tussen de Trgovački sudovi en beslist over de delegatie van bevoegdheid tussen deze rechtbanken;
[…]’
5
Artikel 38 van die wet luidt:
- ‘1.
Tijdens de afdelingsvergaderingen worden kwesties behandeld die van belang zijn voor de werkzaamheden van de afdeling, in het bijzonder de organisatie van de interne activiteit, controversiële rechtsvragen, de uniformering van de rechtspraak, de vragen die relevant zijn voor de toepassing van de regelgeving op elk rechtsgebied, en het toezicht op het werk en de opleiding van de bij de afdeling geplaatste rechters, gerechtelijke raadgevers en rechters in opleiding.
- 2.
Tijdens de afdelingsvergaderingen van de Županijski sud [(districtsrechter, Kroatië)], de Visoki trgovački sud, de Visoki upravni sud, de Visoki kazneni sud en de Visoki prekršajni sud worden tevens de vragen behandeld die van belang zijn voor alle lagere rechters binnen het rechtsgebied van die rechterlijke instanties.
- 3.
Tijdens de afdelingsvergaderingen van de Vrhovni sud worden de vragen behandeld die van belang zijn voor bepaalde, of voor alle rechterlijke instanties op het grondgebied van de Republiek Kroatië, alsook standpunten besproken en geformuleerd over onder een bepaald rechtsgebied vallende regelgevingsvoorstellen.’
6
Artikel 39 van die wet bepaalt:
- ‘1.
De afdelingsvoorzitter of de voorzitter van de betrokken rechterlijke instantie roept telkens wanneer dit nodig is en ten minste eenmaal per kwartaal een afdelingsvergadering bijeen; hij leidt de werkzaamheden ervan. Wanneer de voorzitter van de rechterlijke instantie deelneemt aan de werkzaamheden van de afdelingsvergadering, zit hij deze voor en neemt hij deel aan de besluitvorming.
- 2.
Een vergadering met alle rechters van de rechterlijke instantie wordt bijeengeroepen wanneer de afdeling van de rechterlijke instantie of een kwart van alle rechters van de rechterlijke instantie daarom verzoekt.
- 3.
Tijdens vergaderingen met de rechters van de rechterlijke instantie of de afdeling worden besluiten genomen bij meerderheid van de stemmen van de rechters van de rechterlijke instantie of de rechters van de afdeling.
- 4.
Van de werkzaamheden van de vergadering worden notulen opgesteld.
- 5.
De voorzitter van de rechterlijke instantie of van een afdeling daarvan kan ook vooraanstaande wetenschappers en deskundigen op een bepaald rechtsgebied uitnodigen voor deelname aan de vergadering met alle rechters van de rechterlijke instantie of de afdelingsvergadering.’
7
Artikel 40 van de wet betreffende de rechterlijke organisatie bepaalt:
- ‘1.
Wanneer wordt vastgesteld dat er sprake is van uitleggingsverschillen tussen afdelingen, kamers of rechters over kwesties inzake de toepassing van de wet, of wanneer een kamer of een rechter van een afdeling afwijkt van het eerder ingenomen juridische standpunt, wordt een vergadering van een afdeling of van rechters bijeengeroepen.
- 2.
Het juridische standpunt dat is ingenomen tijdens de vergadering met alle rechters of de vergadering van een afdeling van de Vrhovni sud, de Visoki trgovački sud, de Visoki upravni sud, de Visoki kazneni sud, de Visoki prekršajni sud en tijdens een vergadering van een afdeling van een Županijski sud, is bindend voor alle kamers of rechters in tweede aanleg van die afdeling of rechterlijke instantie.
- 3.
De voorzitter van een afdeling kan in voorkomend geval hoogleraren van de rechtenfaculteit, vooraanstaande wetenschappers of deskundigen op een bepaald rechtsgebied uitnodigen om deel te nemen aan de vergadering van de betrokken afdeling.’
Reglement voor de procesvoering van de rechterlijke instanties
8
Artikel 177, lid 3, van de Sudski poslovnik (reglement voor de procesvoering van de rechterlijke instanties) (Narodne novine, nr. 37/14, 49/14, 8/15, 35/15,123/15, 45/16, 29/17, 33/17, 34/17, 57/17, 101/18, 119/18, 81/19, 128/19, 39/20, 47/20, 138/20, 147/20, 70/21, 99/21 en 145/21) luidt:
‘Een zaak in tweede aanleg wordt geacht te zijn afgedaan op de datum waarop de beslissing, nadat de zaak door de registratiedienst is teruggestuurd, vanuit het kantoor van de rechter wordt verzonden. Zodra de registratiedienst het dossier heeft ontvangen, dient hij het zo spoedig mogelijk aan het kantoor van de rechter terug te bezorgen. De beslissing wordt vervolgens binnen een nieuwe termijn van acht dagen verzonden.’
Hoofdgedingen en prejudiciële vragen
9
Bij de Visoki trgovački sud, de verwijzende rechter, zijn drie hoger beroepen ingesteld. In de zaken C-554/21 en C-622/21 zijn de hoger beroepen gericht tegen de beschikkingen waarbij de verzoeken van het financieel agentschap tot vergoeding van de kosten van de in het kader van insolventieprocedures door dit agentschap verrichte werkzaamheden zijn afgewezen. In zaak C-727/21 betreft het hoger beroep een beschikking waarbij het verzoek tot inleiding van een saneringsprocedure is afgewezen.
10
De verwijzende rechter — in meervoudige kamer van drie rechters — heeft de drie hoger beroepen onderzocht en deze met eenparigheid van stemmen verworpen en aldus de in eerste aanleg gegeven beslissingen bevestigd. De rechters van deze rechterlijke instantie hebben hun beslissingen ondertekend en vervolgens overeenkomstig artikel 177, lid 3, van het reglement voor de procesvoering van de rechterlijke instanties verstuurd naar de dienst voor de registratie van de rechterlijke beslissingen van die rechterlijke instantie.
11
De rechter van de registratiedienst (hierna: ‘registratierechter’) heeft evenwel geweigerd om deze rechterlijke beslissingen te registreren en heeft deze teruggestuurd naar de respectieve rechtsprekende formaties samen met een brief waarin hij verklaarde dat hij het niet eens was met de in die beslissingen gekozen oplossingen.
12
In zaak C-554/21 wordt in die brief verwezen naar zaken waarin de verwijzende rechter in vergelijkbare omstandigheden anders heeft beslist, maar ook naar een andere zaak waarin hij op dezelfde wijze heeft beslist als de rechtsprekende formatie die in het hoofdgeding uitspraak heeft gedaan. De registratierechter heeft daaruit afgeleid dat de zaak in het hoofdgeding naar de betrokken kamer moest worden terugverwezen en dat deze zaak, indien deze kamer haar beslissing zou handhaven, zou moeten worden onderzocht tijdens een ‘vergadering van de afdeling’ in kwestie. De rechterlijke beslissing in het hoofdgeding kan volgens de registratierechter dus slechts worden geregistreerd op voorwaarde dat er wordt gekozen voor een andere oplossing. Op die manier spreekt hij zijn voorkeur uit voor een van de twee in de rechtspraak van deze rechterlijke instantie vastgestelde divergerende tendensen. De registratierechter verklaart dat indien deze kamer de betrokken zaak niet opnieuw zou onderzoeken en de gekozen oplossing niet zou wijzigen, hij deze rechterlijke beslissing zou voorleggen aan de afdeling handels- en andere geschillen van de betrokken rechterlijke instantie zodat er een ‘juridisch standpunt’ zou kunnen worden ingenomen over de wijze waarop in dit soort zaken moet worden beslist.
13
In zaak C-622/21 onderbouwt de registratierechter in zijn brief zijn beslissing om het hoofdgeding naar de betrokken kamer terug te verwijzen met het feit dat er twee beslissingen bestaan waarin de verwijzende rechter heeft gekozen voor andere oplossingen dan die in de zaak in het hoofdgeding. Deze rechter wijst er echter op dat deze beslissingen zijn gegeven nadat de beslissing in het hoofdgeding was vastgesteld. In werkelijkheid was de procedure voor de registratie van laatstgenoemde beslissing geblokkeerd en was deze niet verzonden zolang deze latere beslissingen, die een ander juridisch standpunt weergeven, niet waren verzonden.
14
In zaak C-727/21 blijkt uit de brief van de registratierechter dat hij het niet eens is met de juridische uitlegging van de rechtsprekende formatie die in het hoofdgeding uitspraak heeft gedaan. In die brief wordt echter niet verwezen naar een andere beslissing die anders zou luiden dan die van deze rechtsprekende formatie.
15
In dat hoofdgeding is die rechtsprekende formatie na de weigering om haar eerste rechterlijke beslissing te registreren bijeengekomen om opnieuw te beraadslagen. Zij heeft daarbij het beroep en het advies van de registratierechter bestudeerd alvorens te beslissen de eerder gekozen oplossing niet te wijzigen. Zij heeft dus een nieuwe rechterlijke beslissing gegeven en deze doorgezonden aan de registratiedienst.
16
Aangezien de registratierechter de voorkeur gaf aan een andere juridische oplossing, heeft hij de zaak in het hoofdgeding doorverwezen naar de afdeling handels- en andere geschillen van de verwijzende rechterlijke instantie, zodat de litigieuze rechtskwestie op een afdelingsvergadering kon worden onderzocht.
17
Tijdens deze vergadering is een ‘juridisch standpunt’ ingenomen waarin de oplossing werd aanvaard die werd voorgestaan door de registratierechter. Vervolgens is hetzelfde hoofdgeding terugverwezen naar de betrokken rechtsprekende formatie zodat deze een beslissing zou geven in overeenstemming met dit ‘juridisch standpunt’.
18
In alle drie de zaken zet de verwijzende rechter uiteen dat de rechterlijke werkzaamheden volgens artikel 177, lid 3, van het reglement voor de procesvoering van de rechterlijke instanties, in zaken die in tweede aanleg worden berecht, pas als afgerond worden beschouwd wanneer de betrokken rechterlijke beslissingen door de registratiedienst zijn geregistreerd. Pas nadat de beslissing is geregistreerd en vervolgens naar de partijen is gestuurd wordt de zaak geacht te zijn afgedaan. Volgens de toelichting van de verwijzende rechter wordt deze rechterlijke beslissing, hoewel zij collegiaal door een rechtsprekende formatie is gegeven, dus pas als definitief beschouwd wanneer zij is bevestigd door de registratierechter, die door de voorzitter van de betrokken rechterlijke instantie, in zijn hoedanigheid van orgaan van het gerechtsbestuur, wordt aangewezen in het kader van het jaarprogramma voor de plaatsing van rechters. Deze rechter merkt ook op dat de tussenkomst en de naam van de registratierechter niet bekend zijn bij de partijen en dat, hoewel de registratieprocedure niet bij wet is voorzien als voorwaarde voor de vaststelling van een rechterlijke beslissing, een dergelijk gevolg voortvloeit uit de praktijk van de rechterlijke instanties van tweede aanleg, overeenkomstig het reglement voor de procesvoering van de rechterlijke instanties.
19
De verwijzende rechterlijke instantie is van oordeel dat een rechter zoals de registratierechter — die bij de partijen niet bekend is, wiens rol niet in de op de hoger beroepen toepasselijke procedurele regels is opgenomen en die, zonder een hogere rechter te zijn, een rechtsprekende formatie waarbij de zaak aanhangig is kan aanzetten om haar beslissing te wijzigen — aanzienlijke gevolgen kan hebben voor de onafhankelijkheid van rechters.
20
In zaak C-554/21 voegt de verwijzende rechter hieraan toe dat de registratierechter, ondanks een verandering in de rechtspraak in een eerdere beslissing van een van zijn rechtsprekende formaties over dezelfde rechtsvraag, bij die verandering niet op dezelfde wijze had gehandeld als in het hoofdgeding en de beslissing waarin die verandering tot stand werd gebracht had goedgekeurd en geregistreerd en aldus had toegestaan dat die beslissing aan de partijen werd toegezonden, wat volgens deze rechter aantoont dat de registratierechter een aanzienlijke invloed uitoefent op de onafhankelijkheid van de rechters van de bevoegde rechtsprekende formatie.
21
In zaak C-622/21 benadrukt de verwijzende rechter dat deze invloed blijkt uit het feit dat de registratierechter, zonder de vraag aan de vergadering van de betrokken afdeling voor te leggen, heeft besloten de registratie en de kennisgeving van rechterlijke beslissingen die andere kamers na de vaststelling van de beslissing in het hoofdgeding hebben genomen goed te keuren, en tegelijkertijd heeft besloten om de registratie van de rechterlijke beslissing in dat hoofdgeding uit te stellen en deze naar de betrokken kamer terug te verwijzen, enkel omdat hij het niet eens was met de in laatstgenoemde beslissing gekozen oplossing.
22
De verwijzende rechter geeft in deze beide zaken aan dat het bestaan van een mechanisme voor de registratie van rechterlijke beslissingen tot op heden werd gerechtvaardigd door de noodzaak om de samenhang van de rechtspraak te waarborgen. De wijze waarop de registratiedienst te werk gaat nadat een rechterlijke beslissing is gegeven, botst zijns inziens evenwel met de onafhankelijkheid van rechters. Zoals blijkt uit de omstandigheden van de hoofdgedingen, selecteert de registratiedienst de beslissingen die door een rechter in tweede aanleg zullen worden verzonden en beslist hij in welke gevallen een van de rechtspraak afwijkende beslissing openbaar moet worden gemaakt.
23
In zaak C-727/21 merkt de verwijzende rechter met betrekking tot de afdelingsvergaderingen ook op dat deze niet zijn voorzien in het reglement voor de procesvoering van de rechterlijke instanties, en dat alleen registratierechters, de afdelingsvoorzitters of de voorzitters van rechterlijke instanties beslissen over de agendapunten van dergelijke vergaderingen. De partijen bij de procedure zijn niet van de rol van die vergaderingen op de hoogte en kunnen er niet aan deelnemen. Zoals in artikel 40 van de wet betreffende de rechterlijke organisatie is bepaald, zijn de ‘juridische standpunten’ die tijdens een vergadering van een afdeling van een hogere rechterlijke instantie zijn ingenomen, nochtans bindend voor alle rechters of kamers van deze afdeling in de specifieke procedures die zij behandelen. De verwijzende rechter is derhalve van oordeel dat deze quasi-wetgevende rol van de afdelingen van de rechterlijke instanties in strijd is met de klassieke tripartiete scheiding der machten en met de rechtsstaat, alsook met het beginsel van onafhankelijkheid van de rechters. Hij preciseert evenwel dat de ‘juridische standpunten’ die tijdens de vergadering van de rechters van de rechterlijke instanties in tweede aanleg worden ingenomen, niet bindend zijn voor de hogere rechterlijke instanties en dat de hoogste rechterlijke instanties in het kader van het onderzoek van de bij hen ingestelde beroepen in veel gevallen andere ‘juridische standpunten’ hebben ingenomen dan de rechterlijke instanties in tweede aanleg.
24
In die omstandigheden heeft de Visoki trgovački sud de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende — in de zaken C-554/21, C-622/21 en C-727/21 op identieke wijze geformuleerde — vraag:
‘Moet worden aangenomen dat de in het tweede deel van de eerste volzin en in de tweede volzin van artikel 177, lid 3, van [het reglement voor de procesvoering van de rechterlijke instanties] neergelegde regel die bepaalt dat ‘een zaak in tweede aanleg wordt geacht te zijn afgedaan op de datum waarop de beslissing, nadat de zaak door de registratiedienst is teruggestuurd, vanuit het kantoor van de rechter wordt verzonden’, dat ‘zodra de registratiedienst het dossier heeft ontvangen, […] hij het zo spoedig mogelijk aan het kantoor van de rechter [dient] terug te bezorgen’ en dat ‘[d]e beslissing […] vervolgens binnen een nieuwe termijn van acht dagen [wordt] verzonden’, in overeenstemming is met artikel 19, lid 1, VEU en artikel 47 van het [Handvest]?’
25
Voorts heeft de Visoki trgovački sud het Hof in zaak C-727/21 verzocht om een prejudiciële beslissing over een tweede judiciële vraag die luidt als volgt:
‘Is artikel 40, lid 2, van de wet betreffende de rechterlijke organisatie, dat bepaalt dat ‘het juridische standpunt dat is ingenomen tijdens de vergadering van alle rechters of van een afdeling van de Vrhovni sud, de Visoki trgovački sud, de Visoki upravni, de Visoki kazneni sud of de Visoki prekršajni sud, of tijdens de vergadering van een afdeling van een Županijski sud, […] bindend [is] voor alle kamers of rechters in tweede aanleg van deze afdeling of rechterlijke instantie’, in overeenstemming met artikel 19, lid 1, VEU en artikel 47 van het van het [Handvest]?’
Procedure bij het Hof
26
Bij beslissingen van de president van het Hof van 8 november en 15 november 2021 zijn de zaken C-554/21 en C-622/21 geschorst tot de eindbeslissing in zaak C-361/21, PET-PROM.
27
Bij beslissing van de president van het Hof van 4 februari 2022 is zaak C-727/21 geschorst tot de ontvangst van het antwoord van de verwijzende rechter in zaak C-361/21, PET-PROM, aangaande de stand van het hoofdgeding in laatstgenoemde zaak, gelet op de toelichtingen van de verwijzende rechter in zaak C-727/21.
28
Bij beslissing van de president van het Hof van 14 maart 2022 is de procedure in de zaken C-554/21, C-622/21 en C-727/21 hervat, aangezien er twijfel is gerezen over het bestaan van het geschil in het hoofdgeding dat tot zaak C-361/21 heeft geleid. Bij beslissing van de president van het Hof van dezelfde dag zijn de zaken C-554/21, C-622/21 en C-727/21 gevoegd voor de schriftelijke en de mondelinge behandeling en voor het arrest.
Bevoegdheid van het Hof
29
Vooraf zij eraan herinnerd dat het Hof volgens vaste rechtspraak, ter toetsing van zijn bevoegdheid of de ontvankelijkheid van het verzoek, een onderzoek dient in te stellen naar de omstandigheden waaronder het door de nationale rechter is geadieerd [arrest van 22 maart 2022, Prokurator Generalny (Tuchtkamer van de Sąd NajwyŻszy — Benoeming), C-508/19, EU:C:2022:201, punt 59 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
30
In dit verband zij er in de eerste plaats aan herinnerd dat het Hof in het kader van een prejudiciële verwijzing krachtens artikel 267 VWEU het Unierecht enkel binnen de grenzen van zijn bevoegdheden kan uitleggen [arrest van 19 november 2019, A.K. e.a. (Onafhankelijkheid van de tuchtkamer van de Sąd NajwyŻszy), C-585/18, C-624/18 en C-625/18, EU:C:2019:982, punt 77 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
31
Wat de handelingen van de lidstaten betreft, wordt het toepassingsgebied van het Handvest omschreven in artikel 51, lid 1, daarvan, waarin is vastgesteld dat de bepalingen van het Handvest tot de lidstaten zijn gericht wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen. Die bepaling bevestigt de vaste rechtspraak volgens welke de in de rechtsorde van de Unie gewaarborgde grondrechten toepassing vinden in alle situaties die door het Unierecht worden beheerst, maar niet daarbuiten [arrest van 19 november 2019, A.K. e.a. (Onafhankelijkheid van de tuchtkamer van de Sąd NajwyŻszy), C-585/18, C-624/18 en C-625/18, EU:C:2019:982, punt 78 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
32
In casu heeft de verwijzende rechter, wat meer bepaald artikel 47 van het Handvest betreft, geen enkele aanwijzing gegeven dat de hoofdgedingen betrekking hebben op de uitlegging of de toepassing van een Unierechtelijke regel die op nationaal niveau ten uitvoer wordt gelegd.
33
Bijgevolg is het Hof in de onderhavige zaken niet bevoegd om artikel 47 van het Handvest als zodanig uit te leggen.
34
In de tweede plaats dient in herinnering te worden gebracht dat artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU bepaalt dat de lidstaten voor de justitiabelen voorzien in de nodige rechtsmiddelen om daadwerkelijke rechtsbescherming op de onder het Unierecht vallende gebieden te verzekeren. De lidstaten moeten dus voorzien in een stelsel van beroepsmogelijkheden en procedures dat een daadwerkelijke rechterlijke toetsing op deze gebieden kan verzekeren (arrest van 26 maart 2020, Miasto Łowicz en Prokurator Generalny, C-558/18 en C-563/18, EU:C:2020:234, punt 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
35
De werkingssfeer ratione materiae van artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU strekt zich uit tot de ‘onder het recht van de Unie vallende gebieden’, onafhankelijk van de situatie waarin de lidstaten dit recht ten uitvoer brengen (zie in die zin arresten van 27 februari 2018, Associação Sindical dos Juízes Portugueses, C-64/16, EU:C:2018:117, punt 29, en 26 maart 2020, Miasto Łowicz en Prokurator Generalny, C-558/18 en C-563/18, EU:C:2020:234, punt 33 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
36
Artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU vindt dus met name toepassing ten aanzien van iedere nationale instantie die kan worden aangezocht om als rechter te oordelen over vraagstukken die de toepassing of de uitlegging van het Unierecht betreffen en dus behoren tot gebieden die onder dat recht vallen (arrest van 26 maart 2020, Miasto Łowicz en Prokurator Generalny, C-558/18 en C-563/18, EU:C:2020:234, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
37
Dat is het geval voor de verwijzende rechter die moet oordelen over vraagstukken die verband houden met de toepassing of de uitlegging van het Unierecht, en als ‘rechterlijke instantie’ in de zin van het Unierecht deel uitmaakt van het Kroatische stelsel van beroepsmogelijkheden op de ‘onder het recht van de Unie vallende gebieden’ in de zin van artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, zodat hij moet voldoen aan de vereisten van daadwerkelijke rechtsbescherming (zie naar analogie arrest van 26 maart 2020, Miasto Łowicz en Prokurator Generalny, C-558/18 en C-563/18, EU:C:2020:234, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
38
Bijgevolg is het Hof bevoegd om in de onderhavige zaken artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU uit te leggen.
Ontvankelijkheid van de verzoeken om een prejudiciële beslissing
39
Het is vaste rechtspraak dat de krachtens artikel 267 VWEU ingestelde procedure een instrument is voor samenwerking tussen het Hof en de nationale rechterlijke instanties, dat het Hof in staat stelt de nationale rechters de elementen voor uitlegging van het Unierecht te verschaffen die zij nodig hebben om uitspraak te kunnen doen in de bij hen aanhangige gedingen. De rechtvaardiging van de prejudiciële verwijzing is niet gelegen in het formuleren van rechtsgeleerde adviezen over algemene of hypothetische vraagstukken, maar in de behoefte aan de daadwerkelijke beslechting van een geding [arrest van 22 maart 2022, Prokurator Generalny (Tuchtkamer van de Sąd NajwyŻszy — Benoeming), C-508/19, EU:C:2022:201, punt 60 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
40
Zoals volgt uit de bewoordingen van artikel 267 VWEU moet de gevraagde prejudiciële beslissing voor de verwijzende rechterlijke instantie ‘noodzakelijk’ zijn ‘voor het wijzen van haar vonnis’ in de bij haar aanhangige zaak [arrest van 22 maart 2022, Prokurator Generalny (Tuchtkamer van de Sąd NajwyŻszy — Benoeming), C-508/19, EU:C:2022:201, punt 61 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
41
In casu zet de verwijzende rechter uiteen dat de drie rechtsprekende formaties waaraan de hoofdgedingen zijn toegewezen, in de zaken C-554/21 en C-622/21 worden geconfronteerd met de instructies van de registratierechter en, in zaak C-727/21, met de verplichting om uitspraak te doen overeenkomstig een ‘juridisch standpunt’ van de vergadering van de afdeling handels- en andere geschillen van die rechterlijke instantie. Hij preciseert dat deze instructies en dit ‘juridisch standpunt’ verwijzen naar de inhoud van eerder door deze drie rechtsprekende formaties genomen beslissingen en dat de naleving ervan een voorwaarde is voor de definitieve sluiting van de hoofdgedingen alsook voor de registratie van deze beslissingen en de kennisgeving ervan aan partijen. Met zijn prejudiciële vragen wenst hij specifiek te vernemen of artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU aldus moet worden uitgelegd dat deze bepaling zich verzet tegen ‘inmenging’ — zoals in het hoofdgeding — in de rechtsprekende activiteit van een rechtsprekende formatie van een rechterlijke instantie, door andere personen die bij die rechterlijke instantie een ambt uitoefenen. Bijgevolg is het antwoord van het Hof op deze prejudiciële vragen noodzakelijk om de verwijzende rechter in staat te stellen de drie hoofdgedingen definitief af te sluiten.
42
Gelet op het voorgaande moeten de verzoeken om een prejudiciële beslissing ontvankelijk worden verklaard.
Beantwoording van de prejudiciële vragen
43
Met zijn vragen, die samen moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU aldus moet worden uitgelegd dat deze bepaling zich ertegen verzet dat het nationale recht voorziet in een intern mechanisme van een nationale rechterlijke instantie volgens hetwelk, ten eerste, een rechterlijke beslissing slechts aan de partijen kan worden toegezonden met het oog op de afsluiting van de betrokken zaak indien een registratierechter die geen lid is van de rechtsprekende formatie die deze beslissing heeft genomen instemt met de inhoud van die beslissing, en, ten tweede, een vergadering van een afdeling van die nationale rechterlijke instantie bevoegd is om ‘juridische standpunten’ in te nemen die bindend zijn voor alle kamers of rechters van die rechterlijke instantie.
44
Vooraf moet in herinnering worden gebracht dat de rechterlijke organisatie in de lidstaten — met name de invoering, samenstelling, bevoegdheden en werking van de nationale rechterlijke instanties — weliswaar tot hun eigen bevoegdheid behoort, maar dat de lidstaten bij de uitoefening van deze bevoegdheid de verplichtingen moeten nakomen die voor hen voortvloeien uit het Unierecht en in het bijzonder uit artikel 19 VEU [zie in die zin arrest van 5 juni 2023, Commissie/Polen (Onafhankelijkheid en privéleven van rechters), C-204/21, EU:C:2023:442, punt 63 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
45
In zoverre is het beginsel van daadwerkelijke rechtsbescherming, waarnaar artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU verwijst, een algemeen beginsel van Unierecht dat is neergelegd in met name artikel 6, lid 1, van het op 4 november 1950 te Rome ondertekende Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: ‘EVRM’), waarmee artikel 47, tweede alinea, van het Handvest overeenstemt (zie in die zin arrest van 21 december 2021, Euro Box Promotion e.a., C-357/19, C-379/19, C-547/19, C-811/19 en C-840/19, EU:C:2021:1034, punt 219 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Laatstgenoemde bepaling moet dus naar behoren in aanmerking worden genomen bij de uitlegging van artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU [arrest van 6 oktober 2021, W.Ż. (Kamer voor bijzondere controle en publieke zaken van de Sąd NajwyŻszy — Benoeming), C-487/19, EU:C:2021:798, punt 102 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
46
Voorts beoogt artikel 52, lid 3, van het Handvest, voor zover het Handvest rechten bevat die corresponderen met rechten die zijn gegarandeerd door het EVRM, te zorgen voor de nodige samenhang tussen de in het Handvest vervatte en de daarmee corresponderende, door het EVRM gewaarborgde rechten, zonder de autonomie van het Unierecht aan te tasten. Volgens de toelichtingen bij het Handvest van de grondrechten (PB 2007, C 303, blz. 17) correspondeert artikel 47, tweede alinea, van het Handvest met artikel 6, lid 1, EVRM. Derhalve dient het Hof erop toe te zien dat de uitlegging die het in de onderhavige zaken geeft, zodanig is dat het daardoor geboden beschermingsniveau niet in strijd komt met het niveau dat wordt geboden door artikel 6, lid 1, EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof van de Rechten van de Mens (EHRM) [zie in die zin arrest van 6 oktober 2021, W.Ż. (Kamer voor bijzondere controle en publieke zaken van de Sąd NajwyŻszy — Benoeming), C-487/19, EU:C:2021:798, punt 123 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
47
Na deze precisering zij eraan herinnerd dat elke lidstaat krachtens artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, moet verzekeren dat de instanties die als ‘rechterlijke instantie’ in de zin van het Unierecht geroepen zijn om te oordelen over de toepassing of de uitlegging van dit recht en die dus deel uitmaken van zijn stelsel van beroepsmogelijkheden op de onder het Unierecht vallende gebieden, voldoen aan de vereisten van daadwerkelijke rechtsbescherming en aan het vereiste van onafhankelijkheid [arrest van 22 februari 2022, RS (Gevolgen van de uitspraken van een grondwettelijk hof), C-430/21, EU:C:2022:99, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
48
Bijgevolg moet elke nationale maatregel of praktijk die bedoeld is om conflicten in de rechtspraak te vermijden of op te lossen, en dus om de rechtszekerheid te waarborgen die een wezenlijk onderdeel is van het beginsel van de rechtsstaat, voldoen aan de vereisten die voortvloeien uit artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU.
49
In dit verband zij er in de eerste plaats aan herinnerd dat dit vereiste van onafhankelijkheid van de rechterlijke instanties, dat onlosmakelijk verbonden is met de taak van de rechter, behoort tot de kern van het fundamentele recht op daadwerkelijke rechtsbescherming en een eerlijk proces, dat van het grootste belang is als waarborg dat alle door de justitiabelen aan het Unierecht ontleende rechten worden beschermd en tevens de in artikel 2 VEU verankerde waarden die de lidstaten gemeen hebben, met name de rechtsstaat, worden behouden [arrest van 15 juli 2021, Commissie/Polen (Tuchtregeling voor rechters), C-791/19, EU:C:2021:596, punt 58 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
50
Volgens vaste rechtspraak kent dit vereiste van onafhankelijkheid twee aspecten. Het eerste, externe, aspect vereist dat de betrokken instantie haar taken volledig autonoom uitoefent, zonder enig hiërarchisch verband en zonder aan wie dan ook ondergeschikt te zijn of van waar dan ook bevelen of instructies te ontvangen, en aldus beschermd is tegen inmenging of druk van buitenaf die de onafhankelijkheid van de oordeelsvorming van haar leden in gevaar zou kunnen brengen en van invloed zou kunnen zijn op hun beslissingen [arrest van 19 november 2019, A. K. e.a. (Onafhankelijkheid van de tuchtkamer van de Sąd NajwyŻszy), C-585/18, C-624/18 en C-625/18, EU:C:2019:982, punt 121].
51
Het tweede, interne, aspect sluit aan bij het begrip ‘onpartijdigheid’ en heeft betrekking op het houden van gelijke afstand ten opzichte van de partijen bij het geding en hun respectieve belangen met betrekking tot het voorwerp van het geding. Voor dit aspect is het nodig dat objectiviteit in acht wordt genomen en dat elk belang bij de oplossing van het geschil, buiten de strikte toepassing van de rechtsregel, ontbreekt [arrest van 19 november 2019, A. K. e.a. (Onafhankelijkheid van de tuchtkamer van de Sąd NajwyŻszy), C-585/18, C-624/18 en C-625/18, EU:C:2019:982, punt 122].
52
Voor deze waarborgen van onafhankelijkheid en onpartijdigheid zijn regels nodig, onder andere met betrekking tot de samenstelling van het betrokken orgaan, die geschikt moeten zijn om bij de justitiabelen elke legitieme twijfel erover weg te nemen of dit orgaan zich niet laat beïnvloeden door externe factoren en onpartijdig is ten opzichte van de met elkaar strijdende belangen [zie in die zin arrest van 19 november 2019, A. K. e.a. (Onafhankelijkheid van de tuchtkamer van de Sąd NajwyŻszy), C-585/18, C-624/18 en C-625/18, EU:C:2019:982, punt 123].
53
In dit verband is het van belang dat rechters worden behoed voor inmenging of druk van buitenaf die hun onafhankelijkheid in gevaar zou kunnen brengen. De regels inzake het statuut van rechters en de uitoefening van hun taken moeten het in het bijzonder mogelijk maken om niet alleen elke rechtstreekse beïnvloeding — in de vorm van instructies — maar ook meer indirecte vormen van beïnvloeding die de beslissingen van de betrokken rechters zouden kunnen sturen, uit te sluiten en aldus te voorkomen dat deze rechters niet de indruk wekken onafhankelijk en onpartijdig te zijn, hetgeen het vertrouwen zou kunnen ondermijnen dat de rechterlijke macht in een democratische samenleving en een rechtsstaat bij de justitiabelen moet wekken [arrest van 15 juli 2021, Commissie/Polen (Tuchtregeling voor rechters), C-791/19, EU:C:2021:596, punt 60 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
54
Hoewel het ‘externe’ aspect van de onafhankelijkheid voornamelijk bedoeld is om de onafhankelijkheid van de rechterlijke instanties ten opzichte van de wetgevende en de uitvoerende macht te bewaren overeenkomstig het beginsel van de scheiding der machten dat kenmerkend is voor de werking van een rechtsstaat, moet dat aspect ook zo worden begrepen dat het beoogt de rechters te beschermen tegen ongepaste beïnvloeding vanuit de betrokken rechterlijke instantie (zie in die zin EHRM, 22 december 2009, Parlov-Tkalčić tegen Kroatië, CE:ECHR:2009:1222JUD002481006, § 86).
55
In de tweede plaats vereist artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, gelet op het onlosmakelijke verband tussen de waarborgen van onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechters en van toegang tot een vooraf bij wet ingesteld gerecht [zie in die zin arrest 21 december 2023, Krajowa Rada Sądownictwa (Aanblijven van rechters), C-718/21, EU:C:2023:1015, punt 59 en aldaar aangehaalde rechtspraak], ook het bestaan van een gerecht ‘dat vooraf bij wet is ingesteld’. Die uitdrukking weerspiegelt met name het beginsel van de rechtsstaat en heeft niet alleen betrekking op de rechtsgrondslag voor het bestaan zelf van de betreffende rechterlijke instantie, maar ook op de samenstelling van de rechtsprekende formatie in elke zaak [zie in die zin arresten van 26 maart 2020, Heroverweging Simpson/Raad en HG/Commissie, C-542/18 RX-II en C-543/18 RX-II, EU:C:2020:232, punt 73, en 22 maart 2022, Prokurator Generalny (Tuchtkamer van de Sąd NajwyŻszy — Benoeming), C-508/19, EU:C:2022:201, punt 73]. Dit beginsel houdt onder meer in dat alleen de rechtsprekende formatie waaraan de zaak is toegewezen de beslissing mag nemen om de procedure te beëindigen.
56
Met de uitdrukking ‘vooraf bij wet ingesteld’ moet met name worden gewaarborgd dat de rechterlijke organisatie gebaseerd is op een wet en niet wordt overgelaten aan de uitvoerende macht. Bovendien kan de rechterlijke organisatie in landen met gecodificeerd recht evenmin worden overgelaten aan de rechterlijke autoriteiten zelf — hoewel dit niet betekent dat gerechten geen enkele speelruimte hebben bij de uitlegging van toepasselijk nationaal recht [zie in die zin arrest van 15 juli 2021, Commissie/Polen (Tuchtregeling voor rechters), C-791/19, EU:C:2021:596, punt 168 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
57
Een ‘gerecht dat bij de wet is ingesteld’ wordt gekenmerkt door zijn rechterlijke functie, dat wil zeggen dat het uitspraak doet over zaken die onder zijn bevoegdheid vallen op basis van rechtsregels en na een procedure die op voorgeschreven wijze is gevoerd. Het moet dus niet alleen voldoen aan de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van zijn leden, maar ook aan andere voorwaarden, met name het bestaan van waarborgen die worden geboden door de procedure die voor dat gerecht wordt gevoerd (zie in die zin EHRM, 22 juni 2000, Coëme e.a. tegen België, CE:ECHR:2000:0622JUD003249296, § 99).
58
Tot deze garanties behoort in de derde plaats het beginsel van hoor en wederhoor, dat integraal deel uitmaakt van het recht op een eerlijk proces en op effectieve rechterlijke bescherming [zie in die zin arresten van 17 december 2009, Heroverweging M/EMEA, C-197/09 RX-II, EU:C:2009:804, punt 59; 16 oktober 2019, Glencore Agriculture Hungary, C-189/18, EU:C:2019:861, punt 61; 29 april 2021, Bank BPH, C-19/20, EU:C:2021:341, punt 92, en 10 februari 2022, Bezirkshauptmannschaft Hartberg-Fürstenfeld (Verjaringstermijn), C-219/20, EU:C:2022:89, punt 46]. Dit beginsel houdt met name in dat de partijen op tegenspraak hun standpunt kenbaar kunnen maken over zowel de feitelijke als de juridische aspecten die beslissend zijn voor de uitkomst van de procedure (arresten van 2 december 2009, Commissie/Ierland e.a., C-89/08 P, EU:C:2009:742, punt 56, en 17 december 2009, Heroverweging M/EMEA, C-197/09 RX-II, EU:C:2009:804, punt 41).
59
De in de punten 47 tot en met 58 genoemde vereisten veronderstellen dus met name dat er regels bestaan betreffende de samenstelling van de rechtsprekende formaties, die transparant zijn en de justitiabelen bekend zijn, en die iedere ongepaste inmenging, in het besluitvormingsproces betreffende een bepaalde zaak, door personen die geen deel uitmaken van de rechtsprekende formatie waaraan die zaak is toegewezen en waarbij de partijen hun argumenten niet naar voren hebben kunnen brengen, kunnen uitsluiten.
60
Hoewel het aan de verwijzende rechter staat om alle zojuist in herinnering gebrachte beginselen toe te passen, kan het Hof, in het kader van de gerechtelijke samenwerking waarin artikel 267 VWEU voorziet, evenwel op grond van de gegevens van het dossier aan die rechter de elementen met betrekking tot de uitlegging van het Unierecht verschaffen die voor deze rechter van waarde kunnen zijn bij de beoordeling van het effect van deze of gene bepaling van dat recht [arrest van 6 oktober 2021, W.Ż. (Kamer voor bijzondere controle en publieke zaken van de Sąd NajwyŻszy — Benoeming), C-487/19, EU:C:2021:798, punt 133 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
61
Met betrekking tot de in het hoofdgeding aan de orde zijnde tussenkomst van de registratierechter blijkt uit de dossiers waarover het Hof beschikt dat artikel 177, lid 3, van het reglement voor de procesvoering van de rechterlijke instanties niet bepaalt dat deze rechter bevoegd is om de inhoud van een rechterlijke beslissing op enigerlei wijze te toetsen of om te beletten dat deze formeel wordt gegeven en aan de partijen wordt betekend indien hij het niet eens is met de inhoud ervan.
62
Uit deze dossiers blijkt ook dat de wet betreffende de rechterlijke organisatie evenmin in een dergelijke bevoegdheid voorziet, in het bijzonder in artikel 40, lid 2, ervan, met betrekking tot het bindende karakter van de ‘juridische standpunten’ van de afdelingsvergaderingen.
63
Volgens de toelichting van de verwijzende rechter en zoals blijkt uit de feitelijke omstandigheden van de drie hoofdgedingen, lijken deze bepalingen in de praktijk echter aldus te worden toegepast dat de rol van de registratierechter verder gaat dan het louter registreren.
64
Hoewel die rechter zijn beoordeling niet in de plaats kan stellen van die van de rechtsprekende formatie waaraan de betrokken zaak is toegewezen, kan hij de registratie van de gegeven rechterlijke beslissing immers wel de facto blokkeren en zo de voltooiing van het besluitvormingsproces en de kennisgeving van deze beslissing aan de partijen belemmeren, door de zaak terug te verwijzen naar die rechtsprekende formatie voor een nieuw onderzoek van die beslissing in het licht van zijn eigen juridische opmerkingen en, indien hij het oneens blijft met die rechtsprekende formatie, door de voorzitter van de betrokken afdeling te verzoeken een afdelingsvergadering bijeen te roepen om een ‘juridisch standpunt’ in te nemen dat met name bindend zal zijn voor die rechtsprekende formatie.
65
Een dergelijke praktijk heeft tot gevolg dat de registratierechter zich kan mengen in de betreffende zaak, hetgeen ertoe kan leiden dat deze rechter de uiteindelijke uitkomst in die zaak beïnvloedt.
66
Ten eerste lijkt de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling, zoals blijkt uit de punten 61 en 62 van het onderhavige arrest, evenwel niet te voorzien in een dergelijke tussenkomst van de registratierechter.
67
Ten tweede vindt deze tussenkomst plaats nadat de rechtsprekende formatie waaraan de betrokken zaak was toegewezen, na afloop van haar beraadslagingen haar rechterlijke beslissing heeft gegeven, ook al is deze rechter geen lid van de rechtsprekende formatie en heeft hij dus niet deelgenomen aan de eerdere fasen van de procedure die tot deze beslissing heeft geleid. Deze rechter kan dus invloed uitoefenen op de inhoud van rechterlijke beslissingen van rechtsprekende formaties waarvan hij geen deel uitmaakt.
68
Ten derde lijkt de bevoegdheid van de registratierechter om tussen te komen zelfs niet te zijn begrensd door duidelijk geformuleerde objectieve criteria die een specifieke rechtvaardiging weerspiegelen en die de uitoefening van discretionaire bevoegdheid kunnen voorkomen. Zo heeft de registratierechter in het hoofdgeding dat heeft geleid tot zaak C-554/21 vastgesteld dat de hem voorgelegde rechterlijke beslissing in overeenstemming was met een andere eerdere beslissing, maar niet met twee andere eerdere beslissingen, en heeft hij de voorkeur gegeven aan een van de twee tegenstrijdige rechtsopvattingen. In het hoofdgeding dat heeft geleid tot zaak C-622/21 heeft de registratierechter de terugverwijzing van de zaak naar de betrokken rechtsprekende formatie gerechtvaardigd op basis van beslissingen die — na de in het hoofdgeding aan de orde zijnde beslissing in die zaak — een tegenovergestelde opvatting bepleitten. In het hoofdgeding dat heeft geleid tot zaak C-727/21 heeft de registratierechter, op grond dat hij het niet eens was met de rechtsopvatting in de in het hoofdgeding bestreden beslissing, de zaak zonder verwijzing naar een eerdere beslissing terugverwezen naar de betrokken rechtsprekende formatie, die in haar eigen beslissing nochtans had verwezen naar een eerdere beslissing waarin voor een soortgelijke oplossing was gekozen.
69
Gelet op het voorgaande is een praktijk als in het hoofdgeding, waarbij de rechterlijke beslissing van de bevoegde rechtsprekende formatie slechts als definitief kan worden beschouwd en aan de partijen kan worden meegedeeld indien de inhoud ervan is goedgekeurd door een registratierechter die geen deel uitmaakt van die rechtsprekende formatie, onverenigbaar met de vereisten die inherent zijn aan het recht op effectieve rechterlijke bescherming.
70
Met betrekking tot de tussenkomst van een afdelingsvergadering als in het hoofdgeding blijkt uit de bewoordingen van artikel 40, leden 1 en 2, van de wet betreffende de rechterlijke organisatie dat een afdelingsvergadering of een vergadering van rechters van een rechterlijke instantie kan worden bijeengeroepen wanneer er met name sprake is van uitleggingsverschillen tussen afdelingen, kamers of rechters van deze rechterlijke instantie over kwesties inzake de toepassing van de wet, en dat op deze vergadering vervolgens een ‘juridisch standpunt’ wordt geformuleerd dat bindend is voor alle kamers of rechters van die afdeling of rechterlijke instantie.
71
Uit de toelichting van de verwijzende rechter blijkt bovendien dat een dergelijke afdelingsvergadering door een afdelingsvoorzitter kan worden bijeengeroepen op verzoek van de registratierechter wanneer deze niet instemt met de registratie van de rechterlijke beslissing die hem is toegezonden door de rechtsprekende formatie waaraan de zaak is toegewezen, althans wanneer deze formatie voornemens is haar beslissing te handhaven na deze beslissing te hebben heroverwogen zoals deze rechter verlangt.
72
Volgens die toelichting kunnen alle rechters van de betrokken afdeling aan deze vergadering deelnemen, ook de rechters die zitting hebben in de betrokken zaak en de registratierechter. In dit verband moet worden opgemerkt dat, ook al blijkt uit het dossier van zaak C-727/21 dat de rechter(s) van de betrokken rechtsprekende formatie aan de betrokken afdelingsvergadering heeft/hebben deelgenomen, de meerderheid van de rechters die aan die afdelingsvergadering hebben deelgenomen andere rechters zijn die wel lid zijn van de betrokken rechterlijke instantie, maar geen deel uitmaken van die rechtsprekende formatie. Bovendien kunnen — zoals is bepaald in artikel 40, lid 3, van de wet betreffende de rechterlijke organisatie — ‘hoogleraren van de rechtenfaculteit, vooraanstaande wetenschappers of deskundigen op een bepaald rechtsgebied’, personen die dus geen deel uitmaken van de betrokken rechterlijke instantie, onder bepaalde voorwaarden deelnemen aan een dergelijke afdelingsvergadering en dus aan een gerechtelijke procedure.
73
Uit voornoemde toelichting blijkt ook dat het niet aan de afdelingsvergadering is om een definitieve uitspraak te doen over de zaak die haar is voorgelegd of om in die zaak een specifieke oplossing voor te stellen. Maar ook al is een ‘juridisch standpunt’ van die afdelingsvergadering min of meer abstract geformuleerd en bindend voor alle rechters, toch legt die vergadering, om dat juridisch standpunt naar voren te brengen, het recht uit in het licht van concrete gevallen.
74
Volgens artikel 40, lid 2, van de wet betreffende de rechterlijke organisatie is de rechtsprekende formatie die de rechterlijke beslissing heeft genomen in de zaak die naar de afdelingsvergadering is verwezen, gehouden het ‘juridisch standpunt’ van de afdelingsvergadering te eerbiedigen indien deze beslissing nog niet is geregistreerd of verzonden. De registratierechter, die er in de praktijk op moet toezien dat de ‘juridische standpunten’ van de betrokken afdelingsvergadering worden geëerbiedigd, kan dus weigeren om de ‘nieuwe’ rechterlijke beslissing van die rechtsprekende formatie te registreren indien deze van dat ‘juridische standpunt’ afwijkt.
75
De tussenkomst van een afdelingsvergadering stelt een groep rechters die deelneemt aan die afdelingsvergadering in feite in staat om zich te mengen in de eindbeslissing van een zaak waarin eerder is beraadslaagd en beslist door de bevoegde rechtsprekende formatie, maar die nog niet is geregistreerd en verzonden.
76
Het vooruitzicht dat, indien die rechtsprekende formatie een rechtsopvatting handhaaft die in strijd is met die van de registratierechter, haar rechterlijke beslissing zal worden getoetst door een afdelingsvergadering, en de verplichting voor die formatie om, na afloop van de beraadslagingen, het door die afdelingsvergadering vastgestelde ‘juridisch standpunt’ te eerbiedigen, zullen waarschijnlijk de uiteindelijke inhoud van die beslissing beïnvloeden.
77
Ten eerste blijkt niet dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde bevoegdheid van de afdelingsvergadering om tussen te komen voldoende is afgebakend door objectieve criteria die als zodanig worden toegepast. Artikel 40, lid 1, van de wet betreffende de rechterlijke organisatie bepaalt weliswaar dat een afdelingsvergadering wordt bijeengeroepen ‘[w]anneer wordt vastgesteld dat sprake is van uitleggingsverschillen tussen afdelingen, kamers of rechters over kwesties inzake de toepassing van de wet, of wanneer een kamer of een rechter van een afdeling afwijkt van het eerder ingenomen juridische standpunt’, maar uit de beschrijving van de feiten in de verwijzingsbeslissing in zaak C-727/21 blijkt dat de betrokken afdelingsvergadering louter en alleen is bijeengeroepen omdat de registratierechter het juridische standpunt van de betrokken rechtsprekende formatie niet deelde, zonder dat zelfs maar werd verwezen naar een beslissing waaruit bleek dat dit standpunt afweek van eerdere rechterlijke beslissingen.
78
Ten tweede blijkt uit het dossier voor het Hof in zaak C-727/21 dat, net als de tussenkomst van de registratierechter, op geen enkel moment ter kennis van de partijen wordt gebracht dat er een afdelingsvergadering is bijeengeroepen en door die vergadering een ‘juridisch standpunt’ is geformuleerd dat onder meer bindend is voor de rechtsprekende formatie waaraan deze zaak is toegewezen. Partijen lijken dus niet de mogelijkheid te hebben om voor een dergelijke afdelingsvergadering hun procedurele rechten uit te oefenen.
79
Gelet op het voorgaande is een nationale regeling die een afdelingsvergadering van een nationale rechterlijke instantie toestaat om, door het formuleren van een ‘juridisch standpunt’, de rechtsprekende formatie waaraan de zaak is toegewezen te dwingen om de inhoud van de eerder door die rechterlijke instantie genomen rechterlijke beslissing te wijzigen, ofschoon aan die afdelingsvergadering ook andere rechters dan die van die rechtsprekende formatie deelnemen en, in voorkomend geval, personen van buiten de betrokken rechterlijke instantie voor wie partijen niet de mogelijkheid hebben om hun argumenten naar voren te brengen, onverenigbaar met de vereisten die inherent zijn aan het recht op effectieve rechterlijke bescherming en op een eerlijk proces.
80
Verder moet erop worden gewezen dat, ter vermijding of oplossing van conflicten in de rechtspraak en dus ter waarborging van de rechtszekerheid die een wezenlijk onderdeel is van het beginsel van de rechtsstaat, een procedureel mechanisme op grond waarvan een rechter van een nationale rechterlijke instantie die niet in de bevoegde rechtsprekende formatie zetelt, een zaak kan verwijzen naar een uitgebreide rechtsprekende formatie van die rechterlijke instantie, niet in strijd is met de vereisten die voortvloeien uit artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, mits over de zaak nog niet is beraadslaagd door de aanvankelijk aangewezen rechtsprekende formatie, de omstandigheden waaronder een dergelijke verwijzing mogelijk is duidelijk zijn vastgelegd in de toepasselijke wetgeving en de verwijzing de betrokkenen niet de mogelijkheid ontneemt om deel te nemen aan de procedure voor de uitgebreide rechtsprekende formatie. Bovendien kan de aanvankelijk aangewezen rechtsprekende formatie altijd besluiten om tot een dergelijke verwijzing over te gaan.
81
Gelet op een en ander moet op de gestelde vragen worden geantwoord dat artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU aldus moet worden uitgelegd dat deze bepaling zich ertegen verzet dat het nationale recht voorziet in een intern mechanisme van een nationale rechterlijke instantie op grond waarvan:
- —
de rechterlijke beslissing van de rechtsprekende formatie waaraan de zaak is toegewezen slechts met het oog op de sluiting van de betrokken zaak aan de partijen kan worden toegezonden indien de inhoud ervan is goedgekeurd door een registratierechter die geen deel uitmaakt van de rechtsprekende formatie;
- —
een afdelingsvergadering van deze nationale rechterlijke instantie, door het formuleren van een ‘juridisch standpunt’, de rechtsprekende formatie waaraan de zaak is toegewezen kan dwingen om de inhoud van de eerder door die rechtsprekende formatie genomen rechterlijke beslissing te wijzigen hoewel aan die afdelingsvergadering ook andere rechters dan die van die rechtsprekende formatie deelnemen en, in voorkomend geval, personen van buiten de betrokken rechterlijke instantie voor wie partijen niet de mogelijkheid hebben om hun argumenten naar voren te brengen.
Kosten
82
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Grote kamer) verklaart voor recht:
Artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU
moet aldus worden uitgelegd dat
deze bepaling zich ertegen verzet dat het nationale recht voorziet in een intern mechanisme van een nationale rechterlijke instantie op grond waarvan:
- —
de rechterlijke beslissing van de rechtsprekende formatie waaraan de zaak is toegewezen slechts met het oog op de sluiting van de betrokken zaak aan de partijen kan worden toegezonden indien de inhoud ervan is goedgekeurd door een registratierechter die geen deel uitmaakt van de rechtsprekende formatie;
- —
een afdelingsvergadering van de nationale rechterlijke instantie, door het formuleren van een ‘juridisch standpunt’, de rechtsprekende formatie waaraan de zaak is toegewezen kan dwingen om de inhoud van de eerder door die rechtsprekende formatie genomen rechterlijke beslissing te wijzigen hoewel aan die afdelingsvergadering ook andere rechters dan die van die rechtsprekende formatie deelnemen en, in voorkomend geval, personen van buiten de betrokken rechterlijke instantie voor wie partijen niet de mogelijkheid hebben om hun argumenten naar voren te brengen.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 11‑07‑2024
Conclusie 26‑10‑2023
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU — Rechtsstaat — Daadwerkelijke rechtsbescherming op de onder het recht van de Unie vallende gebieden — Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie — Bevoegdheid van het Hof — Ontvankelijkheid — Uitlegging die de verwijzende rechterlijke instantie nodig heeft voor het wijzen van haar vonnis — Intern mechanisme ter waarborging van de samenhang van de rechtspraak van een rechterlijke instantie in tweede aanleg — Rechtszekerheidsbeginsel — Beginsel van onafhankelijkheid van rechters — Vereisten van een eerlijk proces en van toegang tot een gerecht dat bij de wet is ingesteld
P. Pikamäe
Partij(en)
Gevoegde zaken C-554/21, C-622/21 en C-727/211.
Financijska agencija
tegen
HANN-INVEST d.o.o. (C-554/21)
en
Financijska agencija
tegen
MINERAL-SEKULINE d.o.o. (C-622/21)
en
UDRUGA KHL MEDVEŠČAK ZAGREB (C-727/21)
[verzoek van de Visoki trgovački sud Republike Hrvatske (handelsrechter in tweede aanleg, Kroatië) om een prejudiciële beslissing]
1.
Zodra men nog maar eens beseft dat de rechtspraak een rechtsbron is, wordt duidelijk hoe groot en complex de verantwoordelijkheid van de rechter is. Hij zit namelijk bekneld tussen tegenstrijdige geboden, aangezien hij de rechtszekerheid dient te waarborgen, maar ook moet innoveren zodat het recht meegaat met de veranderingen in de samenleving die het beoogt te regelen. In de rechtsleer is terecht deze vraag gesteld: ‘Hoeveel onzekerheid kan een rechtsstelsel aan?’2.
2.
Mits de ontvankelijkheidsvraag betreffende de verzoeken om een prejudiciële beslissing bevestigend wordt beantwoord, bieden de onderhavige zaken het Hof de gelegenheid om tussen voornoemde vereisten een evenwicht te zoeken bij de beoordeling van de toelaatbaarheid van een intern procedureel mechanisme dat de samenhang van de rechtspraak van een rechterlijke instantie moet waarborgen, bij welke beoordeling rekening moet worden gehouden met de noodzakelijke onafhankelijkheid van de rechters.
I. Toepasselijke bepalingen
A. Unierecht
3.
Voor de onderhavige zaak is artikel 19, lid 1, VEU relevant.
B. Kroatisch recht
4.
Artikel 37 van de Zakon o sudovima (wet betreffende de rechterlijke organisatie) (Narodne novine, nr. 28/13, 33/15, 82/15, 82/16, 67/18, 126/19, 130/20) bepaalt:
- ‘1.
Rechterlijke instanties die bestaan uit meerdere kamers of zitting houden in meerdere samenstellingen, waaronder die met een alleensprekende rechter, en die uitspraak doen over vragen die onder een of meer verwante rechtsgebieden vallen, stellen afdelingen in die zijn samengesteld uit rechters die over deze vragen uitspraak doen.
- 2.
Afdelingen worden ingesteld bij het jaarprogramma voor de plaatsing van rechters, waarin de afdelingsvoorzitter wordt aangeduid die verantwoordelijk is voor het leiden van de werkzaamheden van de betrokken afdeling. […]’
5.
Artikel 38 van die wet luidt:
- ‘1.
Tijdens de afdelingsvergaderingen worden kwesties behandeld die van belang zijn voor de werkzaamheden van de afdeling, in het bijzonder de organisatie van de interne activiteit, controversiële rechtsvragen, de uniformering van de rechtspraak, de vragen die relevant zijn voor de toepassing van de regelgeving op elk rechtsgebied, en het toezicht op het werk en de opleiding van de bij de afdeling geplaatste rechters, gerechtelijke raadgevers en rechters in opleiding.
- 2.
Tijdens de afdelingsvergaderingen van de Županijski sud [(rechter in eerste aanleg, Kroatië)], de Visoki trgovački sud Republike Hrvatske [(handelsrechter in tweede aanleg, Kroatië)], de Visoki upravni sud Republike Hrvatske [(hoogste bestuursrechter, Kroatië)], de Visoki kazneni sud Republike Hrvatske [(rechter in tweede aanleg in strafzaken betreffende zware misdrijven, Kroatië)] en de Visoki prekršajni sud Republike Hrvatske [(rechter in tweede aanleg in strafzaken betreffende lichte misdrijven, Kroatië)] worden tevens de vragen behandeld die van belang zijn voor alle lagere rechters binnen het rechtsgebied van die rechterlijke instanties.
- 3.
Tijdens de afdelingsvergaderingen van de Vrhovni sud Republike Hrvatske [(hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Kroatië)] worden de vragen behandeld die van belang zijn voor bepaalde, of voor alle rechterlijke instanties op het grondgebied van de Republiek Kroatië, alsook standpunten besproken en geformuleerd over onder een bepaald rechtsgebied vallende regelgevingsvoorstellen.’
6.
In artikel 39 van die wet staat:
- ‘1.
De afdelingsvoorzitter of de voorzitter van de rechterlijke instantie roept telkens wanneer dit nodig is en ten minste eenmaal per kwartaal een afdelingsvergadering bijeen; hij leidt de werkzaamheden ervan. Wanneer de voorzitter van de rechterlijke instantie deelneemt aan de werkzaamheden van de afdelingsvergadering, zit hij deze voor en neemt hij deel aan de besluitvorming.
- 2.
Een vergadering met alle rechters van de rechterlijke instantie wordt bijeengeroepen wanneer de afdeling van de rechterlijke instantie of een kwart van alle rechters daarom verzoekt.
- 3.
Tijdens vergaderingen met de rechters van de rechterlijke instantie of de afdeling worden besluiten genomen bij meerderheid van de stemmen van de rechters of de rechters van de afdeling.
- 4.
Van de werkzaamheden van de vergadering worden notulen opgesteld.
- 5.
De voorzitter van het gerecht of van de afdeling kan ook vooraanstaande wetenschappers en deskundigen op een bepaald rechtsgebied uitnodigen voor deelname aan de vergadering met alle rechters of de afdelingsvergadering.’
7.
Artikel 40 van de wet betreffende de rechterlijke organisatie bepaalt:
- ‘1.
Wanneer wordt vastgesteld dat sprake is van uitleggingsverschillen tussen afdelingen, kamers of rechters over kwesties inzake de toepassing van de wet, of wanneer een kamer of een rechter van een afdeling afwijkt van het eerder ingenomen juridische standpunt, wordt een afdelingsvergadering of een vergadering van rechters bijeengeroepen.
- 2.
Het juridische standpunt dat is ingenomen tijdens de vergadering met alle rechters of de vergadering van een afdeling van de Vrhovni sud Republike Hrvatske, de Visoki trgovački sud Republike Hrvatske, de Visoki upravni sud Republike Hrvatske, de Visoki kazneni sud Republike Hrvatske, de Visoki prekršajni sud Republike Hrvatske en tijdens een vergadering van een afdeling van een Županijski sud, is bindend voor alle kamers of rechters in tweede aanleg van die afdeling of rechterlijke instantie.
- 3.
De voorzitter van een afdeling kan in voorkomend geval hoogleraren van de rechtenfaculteit, vooraanstaande wetenschappers of deskundigen op een bepaald rechtsgebied uitnodigen voor deelname aan de afdelingsvergadering.’
8.
Artikel 41 van die wet luidt:
- ‘1.
De voorzitter van de rechterlijke instantie duidt in het jaarprogramma voor de plaatsing van rechters een of meer rechters aan die verantwoordelijk zijn voor het volgen en bestuderen van de rechtspraak […]’.
9.
Artikel 177, lid 3, van de Sudski poslovnik (reglement voor de procesvoering van de rechterlijke instanties (Narodne novine, nr. 37/14, 49/14, 8/15, 35/15, 123/15, 45/16, 29/17, 33/17, 34/17, 57/17, 101/18, 119/18, 81/19, 128/19, 39/20 en 47/20) luidt:
‘Een zaak in tweede aanleg wordt geacht te zijn afgedaan op de datum waarop de beslissing, nadat de zaak door de dienst voor het volgen en de registratie van de rechtspraak is teruggestuurd, vanuit het kantoor van de rechter wordt verzonden. Zodra de dienst voor het volgen en de registratie van de rechtspraak het dossier heeft ontvangen, bezorgt hij het zo spoedig mogelijk terug aan het kantoor van de rechter. De beslissing wordt vervolgens binnen een nieuwe termijn van acht dagen verzonden.’
II. Hoofdgedingen en prejudiciële vragen
10.
Bij de Visoki trgovački sud Republike Hrvatske, de verwijzende rechter in de hoofdgedingen, zijn drie hoger beroepen ingesteld. In de zaken C-554/21 en C-622/21, zijn de hoger beroepen gericht tegen de beschikkingen waarbij het verzoek van de Financijska agencija (financieel agentschap, Kroatië) tot vergoeding van de kosten van de in het kader van insolventieprocedures verrichte werkzaamheden is afgewezen. In zaak C-727/21 betreft het hoger beroep een beschikking waarbij het verzoek van de verzoekende partij in het hoofdgeding tot inleiding van een procedure van surseance van betaling is afgewezen.
11.
In deze drie zaken heeft de verwijzende rechter — in meervoudige kamer van drie rechters — de hoger beroepen onderzocht en deze met eenparigheid van stemmen verworpen en aldus de beslissingen van de rechter in eerste aanleg bevestigd. Deze beslissingen zijn overeenkomstig artikel 177, lid 3, van het reglement voor de procesvoering van de rechterlijke instanties ondertekend en vervolgens verstuurd naar de dienst voor het volgen en de registratie van de rechtspraak.
12.
Volgens die bepaling, en zoals uiteengezet door de verwijzende rechterlijke instantie, worden de rechterlijke werkzaamheden in zaken die in tweede aanleg worden beoordeeld pas als afgerond beschouwd wanneer zij door die dienst zijn geregistreerd en vervolgens met het oog op verzending van de beslissing aan de partijen zijn teruggestuurd naar de rechterlijke formatie. Pas op de datum van verzending wordt de zaak geacht te zijn afgedaan. Ofschoon rechterlijke beslissingen collegiaal door een rechterlijke formatie zijn gegeven, worden zij dus pas als definitief beschouwd wanneer zij zijn bevestigd door een rechter van die dienst (hierna: ‘registratierechter’), die door de voorzitter van de betrokken rechterlijke instantie, in zijn hoedanigheid van orgaan van het gerechtsbestuur, wordt aangewezen in het kader van het jaarprogramma voor de plaatsing van rechters. Een dergelijke procedure is niet wettelijk bepaald als voorwaarde om rechterlijke beslissingen te kunnen geven, maar is een door de rechters in tweede aanleg gehanteerde praktijk die is gebaseerd op het reglement voor de procesvoering van de rechterlijke instanties.
13.
De verwijzende rechter geeft aan dat de registratierechter in de drie hoofdgedingen heeft geweigerd de daarin gegeven beslissingen te registreren en deze samen met een toelichtende brief heeft teruggestuurd. In de zaken C-554/21 en C-622/21 wordt in die brief gewag gemaakt van een tegenstrijdigheid met andere beslissingen over soortgelijke geschillen, terwijl in zaak C-727/21 uit die brief blijkt dat die rechter het niet eens is met de in het hoofdgeding door de kamer gegeven juridische uitlegging, zonder dat hij verwijst naar inconsistentie in de rechtspraak.
14.
Naar aanleiding van deze weigeringen tot registratie heeft de verwijzende rechter het Hof in de zaken C-554/21 en C-622/21 verzocht om een prejudiciële beslissing, aangezien hij betwijfelt of artikel 177, lid 3, van het reglement voor de procesvoering van de rechterlijke instanties verenigbaar is met het Unierecht. In zaak C-727/21 heeft de registratierechter de oorspronkelijke beslissing, doordat de verwijzende rechterlijke instantie hieraan vasthield en deze opnieuw aan eerstgenoemde had meegedeeld, doorgestuurd naar de afdeling handels- en andere geschillen van de verwijzende rechter, zodat de litigieuze rechtskwestie op een afdelingsvergadering kon worden onderzocht. Tijdens de afdelingsvergadering is een ‘juridisch standpunt’ ingenomen waarin de oplossing werd aanvaard die werd voorgestaan door de registratierechter. Vervolgens is de zaak nogmaals verwezen naar de kamer, zodat deze ingevolge artikel 40, lid 2, van de wet betreffende de rechterlijke organisatie een beslissing zou geven in overeenstemming met dit juridische standpunt, hetgeen heeft geleid tot de verwijzingsbeslissing in zaak C-727/21.
15.
Gelet op het verloop van de hoofdgedingen is de verwijzende rechterlijke instantie van oordeel dat de registratierechter — die bij de partijen niet bekend is, wiens rol niet in de op de hoger beroepen toepasselijke procedurele regels is opgenomen en die, zonder een hogere rechter te zijn, een bevoegde kamer kan aanzetten om haar beslissing te wijzigen — door zijn optreden mogelijkerwijze het vereiste van onafhankelijkheid van rechters miskent. Volgens de verwijzende rechter werd het bestaan van een dergelijke registratievorm voor rechterlijke beslissingen tot op heden gerechtvaardigd door de behoefte om de rechtspraak te uniformeren. De wijze waarop deze registratiedienst te werk gaat nadat een rechterlijke beslissing is gegeven, botst zijns inziens evenwel met het grondrecht bestaande in de onafhankelijkheid van rechters, aangezien die dienst zelf de beslissingen selecteert die door de rechter aan de partijen worden toegezonden.
16.
Voorts verduidelijkt de verwijzende rechter in zaak C-727/21 met betrekking tot de afdelingsvergaderingen van rechterlijke instanties dat het gaat om een orgaan dat niet is voorzien in de Zakon o parničnom postuku (wetboek van burgerlijke rechtsvordering), en dat alleen registratierechters en de voorzitters van rechterlijke instanties beslissen over de agendapunten van dergelijke vergaderingen. De partijen bij de verschillende procedures zijn niet van de rol van die vergaderingen op de hoogte en kunnen er niet aan deelnemen. Beslissingen van een rechterlijke formatie kunnen echter alleen worden getoetst en gewijzigd naar aanleiding van rechtsmiddelen die partijen in het kader van een hun bekende gerechtelijke procedure instellen bij de bevoegde rechter, en niet naar aanleiding van het standpunt van een rechter die geen lid is van die formatie, noch van dat van een algemene vergadering van rechters.
17.
In die omstandigheden heeft de Visoki trgovački sud Republike Hrvatske in elk van de drie gevoegde zaken de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:
‘Moet worden aangenomen dat de in het tweede deel van de eerste volzin en in de tweede volzin van artikel 177, lid 3, van [het reglement voor de procesvoering van de rechterlijke instanties] neergelegde regel die bepaalt dat ‘een zaak in tweede aanleg wordt geacht te zijn afgedaan op de datum waarop de beslissing, nadat de zaak door de registratiedienst is teruggestuurd, vanuit het kantoor van de rechter wordt verzonden’, dat ‘zodra de registratiedienst het dossier heeft ontvangen, […] hij het zo spoedig mogelijk aan het kantoor van de rechter [dient] terug te bezorgen’ en dat ‘[d]e beslissing […] vervolgens binnen een nieuwe termijn van acht dagen [wordt] verzonden’, in overeenstemming is met artikel 19, lid 1, VEU en artikel 47 van het Handvest [van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: ‘Handvest’)]?’
18.
Voorts heeft de Visoki trgovački sud Republike Hrvatske het Hof in zaak C-727/21 verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:
‘Is artikel 40, lid 2, van de wet betreffende de rechterlijke organisatie, dat bepaalt dat ‘het juridische standpunt dat is ingenomen tijdens de vergadering van alle rechters of van een afdeling van de Vrhovni sud Republike Hrvatske, de Visoki trgovački sud Republike Hrvatske, de Visoki upravni sud Republike Hrvatske, de Visoki kazneni sud Republike Hrvatske of de Visoki prekršajni sud Republike Hrvatske, of tijdens de vergadering van een afdeling van een Županijski sud, […] bindend [is] voor alle kamers of rechters in tweede aanleg van deze afdeling of rechterlijke instantie’, in overeenstemming met artikel 19, lid 1, VEU en artikel 47 van het van het [Handvest]?’
III. Procedure bij het Hof
19.
Bij beslissing van de president van het Hof van 14 maart 2022 zijn de zaken C-554/21, C-622/21 en C-727/21 gevoegd voor de schriftelijke en de mondelinge behandeling en voor het arrest.
20.
De Kroatische regering en de Europese Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend in de zaken C-554/21, C-622/21 en C-727/21. In zaak C-554/21 zijn schriftelijke opmerkingen ingediend door de verzoekende partij in het hoofdgeding. Ter terechtzitting van 5 juni 2023 hebben de Kroatische regering en de Commissie pleidooi gehouden.
IV. Analyse
21.
Zoals uit de verzoeken om een prejudiciële beslissing naar voren komt, is de verwijzende rechter van oordeel dat hij het Hof dient te verzoeken om uitlegging van artikel 19, lid 1, VEU en artikel 47 van het Handvest, aangezien hij betwijfelt of artikel 177, lid 3, van het reglement voor de procesvoering van de rechterlijke instanties en artikel 40, lid 2, van de wet betreffende de rechterlijke organisatie, die het beslissingsproces bij de Kroatische rechters in tweede aanleg regelen, met die Unierechtelijke bepalingen in overeenstemming zijn.
22.
Ofschoon geen van de partijen opmerkingen heeft gemaakt over de bevoegdheid van het Hof en de ontvankelijkheid van deze verzoeken, zij eraan herinnerd dat het Hof volgens vaste rechtspraak, ter toetsing van zijn bevoegdheid of de ontvankelijkheid van het verzoek, een onderzoek dient in te stellen naar de omstandigheden waaronder het door de nationale rechter is geadieerd.3.
A. Bevoegdheid van het Hof
23.
Opgemerkt zij dat het Hof in het kader van een prejudiciële verwijzing krachtens artikel 267 VWEU het Unierecht enkel binnen de grenzen van de hem toegekende bevoegdheden kan uitleggen.4.
24.
Wat in de eerste plaats de toepassing van artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU betreft, dient in herinnering te worden gebracht dat daarin wordt bepaald dat de lidstaten voor de justitiabelen voorzien in de nodige rechtsmiddelen om daadwerkelijke rechtsbescherming op de onder het Unierecht vallende gebieden te verzekeren. De lidstaten moeten dus voorzien in een stelsel van beroepsmogelijkheden en procedures dat een daadwerkelijke rechterlijke toetsing op deze gebieden kan verzekeren. Wat de werkingssfeer van artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU betreft, volgt uit de rechtspraak van het Hof dat deze bepaling ziet op de ‘onder het recht van de Unie vallende gebieden’, onafhankelijk van de situatie waarin de lidstaten dit recht ten uitvoer brengen in de zin van artikel 51, lid 1, van het Handvest.5.
25.
Artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU geldt met name ten aanzien van iedere nationale instantie die kan worden aangezocht om als rechter te oordelen over vraagstukken die de toepassing of de uitlegging van het Unierecht betreffen en dus behoren tot gebieden die onder dat recht vallen. Dat is het geval voor de verwijzende rechter die als Kroatische gewone rechterlijke instantie moet oordelen over vragen die verband houden met de toepassing of de uitlegging van het Unierecht, en als ‘rechterlijke instantie’ in de zin van het Unierecht deel uitmaakt van het Kroatische stelsel van beroepsmogelijkheden op de ‘onder het recht van de Unie vallende gebieden’6. in de zin van artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, zodat hij moet voldoen aan de vereisten van daadwerkelijke rechtsbescherming. Bovendien moet in herinnering worden gebracht dat de rechterlijke organisatie in de lidstaten weliswaar onder hun eigen bevoegdheid valt, maar dit neemt niet weg dat de lidstaten bij de uitoefening van deze bevoegdheid de verplichtingen moeten nakomen die voor hen voortvloeien uit het Unierecht en, in het bijzonder, uit artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU.7.
26.
Uit het voorgaande volgt dat het Hof in de onderhavige zaken bevoegd is om artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU uit te leggen.
27.
In de tweede plaats wordt het toepassingsgebied van het Handvest, wat het optreden van de lidstaten betreft, omschreven in artikel 51, lid 1, ervan. Hierin is vastgesteld dat de bepalingen van het Handvest tot de lidstaten zijn gericht wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen. Die bepaling bevestigt de vaste rechtspraak van het Hof volgens welke de in de rechtsorde van de Unie gewaarborgde grondrechten toepassing kunnen vinden in alle situaties die door het Unierecht worden beheerst, maar niet daarbuiten. Zoals uit vaste rechtspraak van het Hof voortvloeit, is het Hof, wanneer een juridische situatie niet binnen het toepassingsgebied van het Unierecht valt, niet bevoegd om daarover uitspraak te doen en kunnen de eventueel aangevoerde bepalingen van het Handvest op zich niet de grondslag vormen voor die bevoegdheid.8.
28.
Wat in casu met name artikel 47 van het Handvest betreft, waarop de onderhavige verzoeken om een prejudiciële beslissing zijn gericht, dient te worden opgemerkt dat de bij de verwijzende rechter aanhangige gedingen in wezen betrekking hebben op de vergoeding van kosten die door een overheidsinstantie zijn gemaakt als gevolg van haar tussenkomst in insolventieprocedures, en op de gegrondheid van een beslissing in eerste aanleg waarbij het verzoek tot inleiding van een procedure van surseance van betaling, dat door een te Zagreb (Kroatië) gevestigde vereniging was ingediend, is afgewezen. Specifiek met betrekking tot insolventieprocedures staat vast dat de Uniewetgever op dat gebied verschillende handelingen heeft vastgesteld.9. Nochtans moet worden geconstateerd dat de verwijzende rechter geen enkele Unierechtelijke bepaling op dat gebied noemt die op de betrokken geschillen van toepassing zou zijn en zelfs geen enkel element aanvoert waaruit blijkt dat de in de verwijzingsbeslissingen beknopt besproken hoofdgedingen onder het Unierecht vallen. De erkenning van het in artikel 47 van het Handvest verankerde recht op een doeltreffende voorziening in rechte in een bepaald geval veronderstelt dat de persoon die dit recht inroept, zich beroept op door het Unierecht gewaarborgde rechten of vrijheden. Uit de verwijzingsbeslissingen blijkt evenwel niet dat de verzoekende partijen in de hoofdgedingen zich beroepen op een door het Unierecht gewaarborgd recht.10.
29.
Uit het voorgaande volgt dat er geen reden is om aan te nemen dat de hoofdgedingen betrekking hebben op de uitlegging of de toepassing van een Unierechtelijk voorschrift dat op nationaal niveau ten uitvoer is gebracht. Bijgevolg is het Hof niet bevoegd om artikel 47 van het Handvest in deze zaak uit te leggen.
B. Ontvankelijkheid van de verzoeken om een prejudiciële beslissing
30.
De ontvankelijkheidsvraag lijkt me van bijzonder belang, gelet op de zeer ruime werkingssfeer van artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, zoals uitgelegd door het Hof, en de correlatieve bevoegdheid van het Hof.11. Sinds zijn arrest Associação Sindical dos Juízes Portugueses12. heeft het Hof talrijke prejudiciële verzoeken tot uitlegging van deze bepaling ontvangen in toch wel zeer uiteenlopende zaken, waarvan sommige ernstige schendingen van de rechtsstaat en meer in het bijzonder van de rechterlijke onafhankelijkheid aan het licht hebben gebracht, en andere betrekking hadden op een rechter die niet was bevorderd, op zijn indeling in de salarisschaal, op de regels voor de toewijzing van zaken binnen een rechterlijke instantie, op de hoedanigheid van een ondertekenaar van een verweerschrift of op het tijdstip van de uitspraak van een rechterlijke beslissing, zonder dat sprake was van een duidelijk verband met het voorwerp van het hoofdgeding.13. In deze context lijkt de behandeling van die verzoeken alleen te kunnen worden begrensd door een strenge beoordeling van de ontvankelijkheid van verzoeken om een prejudiciële beslissing die ingaan tegen de geest en het doel van dit rechtsmiddel, namelijk dat het Hof en de nationale rechter, overeenkomstig hun respectieve bevoegdheden, gezamenlijk een oplossing uitwerken voor het aan laatstgenoemde voorgelegde geschil.
31.
Gelet op de relevante rechtspraak van het Hof, en meer in het bijzonder zoals deze is geconsolideerd in het arrest Miasto Łowicz, moet erop worden gewezen dat de krachtens artikel 267 VWEU ingestelde procedure een instrument is voor de samenwerking tussen het Hof en de nationale rechterlijke instanties, dat het Hof in staat stelt de nationale rechters de elementen voor uitlegging van het Unierecht te verschaffen die zij nodig hebben om uitspraak te kunnen doen in de bij hen aanhangige gedingen, en dat rechtvaardiging van de prejudiciële verwijzing niet is gelegen in het formuleren van rechtsgeleerde adviezen over algemene of hypothetische vraagstukken, maar in de behoefte aan de daadwerkelijke beslechting van een geding. Uit de bewoordingen van artikel 267 VWEU volgt dat de gevraagde prejudiciële beslissing voor de verwijzende rechterlijke instantie ‘noodzakelijk’ moet zijn ‘voor het wijzen van haar vonnis’ in de bij haar aanhangige zaak. Het Hof heeft aldus meermaals in herinnering gebracht dat zowel uit de bewoordingen als uit de opzet van artikel 267 VWEU naar voren komt dat de prejudiciële procedure met name vooronderstelt dat daadwerkelijk een geding bij de nationale rechterlijke instantie aanhangig is, in het kader waarvan deze een beslissing moet geven waarbij rekening kan worden gehouden met de prejudiciële beslissing. Het Hof heeft in een prejudiciële procedure de taak om de verwijzende rechter bij te staan bij de beslechting van het bij hem aanhangige concrete geding. Bij een dergelijke procedure moet dus sprake zijn van een zodanig verband tussen dat geding en de bepalingen van Unierecht waarvan om uitlegging wordt verzocht, dat die uitlegging objectief noodzakelijk is voor de door de verwijzende rechter te nemen beslissing.14.
32.
Uit het arrest Miasto Łowicz vloeit voort dat dit verband naargelang de daarin genoemde drie gevallen van ontvankelijkheid rechtstreeks of indirect kan zijn. Het verband is rechtstreeks wanneer de nationale rechterlijke instantie het Unierecht waarvan de uitlegging wordt gevraagd, dient toe te passen om te bepalen hoe het hoofdgeding ten gronde moet worden beslecht (eerste scenario). Het verband is indirect wanneer de prejudiciële beslissing van dien aard is dat zij de nationale rechterlijke instantie een uitlegging verschaft van de Unierechtelijke procedurevoorschriften die deze bij haar uitspraak zou moeten toepassen (tweede scenario), dan wel een uitlegging van het Unierecht die haar in staat zal stellen om procedurele kwesties van nationaal recht op te lossen alvorens uitspraak ten gronde te kunnen doen in het bij haar aanhangige geding (hierna: ‘derde scenario’).15.
33.
Zoals hierboven reeds is opgemerkt, vertonen de hoofdgedingen een zeker materieel verband met het op insolventieprocedures betrekking hebbende Unierecht, waarvan de verwijzende rechter geen enkele bepaling ter uitlegging aan het Hof voorlegt, en welk verband kennelijk onvoldoende is om te voldoen aan het noodzakelijkheidscriterium. Uit de verzoeken om een prejudiciële beslissing blijkt evenmin dat de verwijzende rechter artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, waarop de prejudiciële vragen betrekking hebben, zou moeten toepassen om te bepalen hoe deze gedingen met betrekking tot de kostenlast of de voorwaarden voor inleiding van een insolventieprocedure ten gronde moeten worden beslecht.
34.
In werkelijkheid beoogt de verwijzende rechter met de door hem aan het Hof voorgelegde prejudiciële vragen en met de door hem verzochte uitlegging van het Unierecht geen verduidelijking te verkrijgen over de bij hem aangebrachte gedingen ten gronde, maar over een procedurele kwestie van nationaal recht in de ruime zin16., welke hij in limine litis moet beslechten, aangezien deze ziet op het vermogen van die rechter om over deze gedingen in volledige onafhankelijkheid uitspraak te doen in het kader van een intern mechanisme ter waarborging van de samenhang van zijn rechtspraak waarbij andere rechterlijke organen betrokken zijn. De verwijzende rechter heeft afdoende uitgelegd waarom hij in casu vragen heeft over de uitlegging van artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, en met name duidelijk het verband uiteengezet dat hij legt tussen deze Verdragsbepaling en de nationale bepalingen die zijns inziens van invloed kunnen zijn op het beslissingsproces aan het einde waarvan hij zijn beslissingen zal geven. Volgens die rechter zal hij, nadat hij het antwoord van het Hof over de verenigbaarheid van voornoemd mechanisme heeft overwogen, al dan niet kunnen afwijken van de juridische standpunten die door de litigieuze afdeling van rechters zijn ingenomen met betrekking tot de hoofdgedingen.
35.
Deze overwegingen doen evenwel geenszins af aan het voorwerp van deze gedingen en evenmin aan de eerder gedane vaststelling dat uit de verzoeken om een prejudiciële beslissing niet blijkt dat deze betrekking hebben op kwesties die onder het Unierecht vallen. Het feit dat de uitlegging van artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU door het Hof, gelet op de aard van de in de verzoeken om een prejudiciële beslissing opgeworpen procedurele kwestie, van invloed kan zijn op de manier waarop de verwijzende rechter de hoofdgedingen zal beslechten, betekent niet dat zij absoluut nodig is voor een oplossing ten gronde van gedingen die betrekking hebben op het Unierecht.
36.
Moet het Hof bijgevolg een antwoord formuleren op vragen van de verwijzende rechter die effectief noodzakelijk zijn om hem in staat te stellen voor een procedurele kwestie van nationaal recht, die negatieve gevolgen kan hebben voor de krachtens artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU op de lidstaten rustende verplichting, in limine litis tot een oplossing te komen alvorens gedingen die geen verband houden met het Unierecht ten gronde te beslechten? Dit is mijns inziens een netelige vraag.
37.
In de eerste plaats zij eraan herinnerd dat het Hof bij het arrest Miasto Łowicz de ontvankelijkheid van de prejudiciële vragen achtereenvolgens heeft onderzocht in het licht van drie onderscheiden en autonome situaties die voldeden aan het noodzakelijkheidscriterium, en tot de slotsom is gekomen dat zij niet ontvankelijk waren, waarbij het Hof voor het derde scenario heeft gewezen op het onderscheid met de zaken die hebben geleid tot het arrest A. K. e.a. (Onafhankelijkheid van de tuchtkamer van de Sąd NajwyŻszy)17., waarin de aan het Hof gevraagde prejudiciële uitlegging van invloed kon zijn op de vaststelling van de rechter die bevoegd was om ten gronde te oordelen over gedingen ‘die betrekking hebben op het Unierecht’.18.
38.
In de tweede plaats houdt de verwijzing in het arrest Miasto Łowicz naar het derde ontvankelijkheidsscenario, in aanvulling op het meer gebruikelijke scenario van een rechtstreeks verband tussen het hoofdgeding ten gronde en het Unierecht, niet in dat dit scenario, om er betekenis aan te geven, noodzakelijkerwijs moet worden opgevat in de zin dat het moet worden toegepast in zaken waarin van dat verband geen sprake is. In feite moet er rekening worden gehouden met de diversiteit van de prejudiciële verwijzingen en moet er worden geredeneerd vanuit elke voorgelegde prejudiciële vraag. Verwijzingsbeslissingen kunnen, zoals in casu, prejudiciële vragen bevatten die uitsluitend betrekking hebben op een nationale procedurele kwestie, of zij kunnen een mengeling van verschillende soorten vragen bevatten, waarvan sommige rechtstreeks verband houden met het hoofdgeding ten gronde en andere met een nationale procedurele kwestie, waarbij de eerste in tegenstelling tot de laatste ontvankelijk kunnen worden verklaard.19.
39.
In de derde plaats kan de bevoegdheid van het Hof, gelet op de bewoordingen van artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, dat in het algemeen ziet op de ‘onder het recht van de Unie vallende gebieden’, ongeacht de situatie waarin de lidstaten dit recht ten uitvoer brengen, niet worden gerechtvaardigd door de ontvankelijkheid van de verzoeken om een prejudiciële beslissing, omdat anders twee onderscheiden rechtsbegrippen door elkaar zouden worden gehaald en dit laatste vereiste elke nuttige werking zou verliezen.
40.
Het is waar dat de rechterlijke onafhankelijkheid juridisch ondeelbaar is en dat er, zoals advocaat-generaal Bobek heeft benadrukt20., in wezen geen ‘‘rechterlijke onafhankelijkheid binnen de werkingssfeer van het Unierecht’ tegenover ‘rechterlijke onafhankelijkheid in zuiver interne zaken’’ bestaat. Hoe relevant deze opmerking ook moge zijn, zij is geen vrijgeleide om het stadium van de ontvankelijkheid van de voorgelegde prejudiciële vragen over te slaan en het Hof aldus toe te laten zich niet langer af te vragen of het Unierecht daadwerkelijk van toepassing is op het hoofdgeding dat de verwijzende rechterlijke instantie dient te beslechten.21.
41.
Het feit dat de door de verwijzende rechter opgeworpen kwestie een zekere mate van ernst vertoont omdat het bij de aan de orde zijnde regels gaat om systeemregels voor het nationale gerechtelijke stelsel, valt niet onder het onderzoek naar de ontvankelijkheid, maar wel onder het onderzoek ten gronde, namelijk de vraag of die regels voldoen aan de vereisten van artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU. Een zekere tegenzin om de verwijzende rechter niet te voorzien van een antwoord en dus om geen onderzoek te doen naar een regeling en een praktijk die de onafhankelijkheid van Kroatische rechters kunnen ondermijnen en die, door de instelling van dit mechanisme voor de uniformering van de rechtspraak, van belang kunnen zijn voor vele andere nationale rechtsstelsels, kan geen, in casu onderliggende, motivering zijn voor een ontvankelijkheidsbeslissing.22.
42.
Derhalve moet worden geoordeeld dat, ofschoon het Hof aanvaardt dat hem vragen worden voorgelegd over een Unierechtelijke bepaling teneinde een procedurele kwestie van nationaal recht te beslechten zodat de procedures in het hoofdgeding met inachtneming van het Unierecht kunnen worden gevoerd, die vragen enkel kunnen worden voorgelegd met het oog op een beslissing ten gronde van de verwijzende rechter in een hoofdgeding dat betrekking heeft op het Unierecht. Ik moet nochtans erkennen dat de rechtspraak van het Hof na het arrest Miasto Łowicz op dit laatste punt niet heel consistent is, zozeer zelfs dat sommige beslissingen om de voorgelegde prejudiciële vragen niet-ontvankelijk of ontvankelijk te verklaren in het verlengde van dat arrest liggen23., terwijl andere beslissingen hiervan lijken af te wijken en bovendien schijnbaar tegenstrijdige oplossingen lijken te geven.24.
43.
Bij een recent arrest heeft het Hof in algemene bewoordingen verklaard dat prejudiciële vragen die ertoe strekken de verwijzende rechterlijke instantie in staat te stellen in limine litis uitspraak te doen over procedurele kwesties, zoals die met betrekking tot haar eigen bevoegdheid om van een bij haar aanhangige zaak kennis te nemen of die met betrekking tot de rechtsgevolgen die al dan niet moeten worden toegekend aan een rechterlijke beslissing die de verdere behandeling van een dergelijke zaak door die rechter kan belemmeren, ontvankelijk zijn op grond van artikel 267 VWEU.25. Met deze benadering lijken procedurele kwesties als opzichzelfstaande kwesties te worden beschouwd, in die zin dat deze op zichzelf kunnen voldoen aan het noodzakelijkheidscriterium van artikel 267 VWEU. Het is evenwel duidelijk dat het Hof slechts twee specifieke gevallen heeft beoogd, die verschillen van de situatie van de verwijzende rechter, wiens verzoeken om een prejudiciële beslissing geen vragen opwerpen over zijn materiële bevoegdheid om de hoofdgedingen te beslechten, en evenmin verwijzen naar rechterlijke beslissingen die de verdere behandeling van die gedingen belemmeren.
44.
Ten slotte moet mijns inziens worden verwezen naar het tweede scenario uit het arrest Miasto Łowicz. Hoewel het Hof in dat verband reeds prejudiciële vragen ontvankelijk heeft verklaard die betrekking hadden op de uitlegging van procedurele bepalingen van Unierecht die de desbetreffende nationale rechterlijke instantie moest toepassen om haar vonnis te wijzen, is dat mijns inziens niet de strekking van de in de onderhavige gevoegde zaken voorgelegde vragen, tenzij artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU moet worden ingedeeld bij de hierboven bedoelde soort regels. Uit het onderzoek van de relevante rechtspraak van het Hof blijkt dat die rechtspraak betrekking heeft op handelingen van afgeleid recht waarin specifieke procedurevoorschriften zijn neergelegd, dus op bijzondere situaties die bepalend zijn voor het door het Hof gekozen antwoord op de vraag naar de ontvankelijkheid.26.
45.
Dienaangaande moet erop worden gewezen dat het Hof een prejudiciële vraag over de uitlegging van verordening (EG) nr. 1206/200127. ontvankelijk heeft verklaard en met betrekking tot die vraag voorafgaand was vastgesteld dat het antwoord erop geen rechtstreekse gevolgen had voor de uitkomst van het hoofdgeding, dat betrekking had op de toekenning van schadevergoeding uit hoofde van een concurrentiebeding.28. De toepassing van die beslissing in de onderhavige zaken, in combinatie met de door het Hof gegeven uitlegging van artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU om zich bevoegd te verklaren, zou ertoe leiden dat deze bepaling ruim, of zelfs zonder beperkingen, wordt toegepast op een gebied, namelijk de rechterlijke organisatie in de lidstaten, dat geacht wordt tot de bevoegdheid van de lidstaten te behoren.
46.
In het licht van het voorgaande moet worden geoordeeld dat de aan het Hof voorgelegde prejudiciële vragen niet gericht zijn op de uitlegging van Unierecht die objectief noodzakelijk is om de hoofdgedingen te beslechten, maar van algemene aard zijn, hetgeen de conclusie rechtvaardigt dat deze niet ontvankelijk zijn.
47.
In een streven naar volledigheid bij de vervulling van de aan de advocaat-generaal opgedragen taak om het Hof terzijde te staan, zal ik niettemin mijn inhoudelijke analyse van deze vragen geven.
C. Ten gronde
48.
Uit de verzoeken om een prejudiciële beslissing blijkt dat de verwijzende rechter twijfels heeft over de conformiteit van de nationale regeling en de nationale praktijk op grond waarvan de registratierechter en de afdeling van rechters optreden in het rechterlijke beslissingsproces in tweede aanleg, waarover deze rechter het Hof afzonderlijk en specifiek vragen stelt. Aangezien dit optreden onderdeel is van eenzelfde mechanisme dat tot doel heeft om de samenhang van de rechtspraak van rechterlijke instanties te waarborgen, moet de vraag of dit mechanisme verenigbaar is met artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU worden beoordeeld door de voorgelegde prejudiciële vragen tezamen te onderzoeken.29.
49.
Bij de beoordeling van de conformiteit van dit mechanisme moet, als het gaat om het voorkomen van divergentie in de rechtspraak, allereerst worden gewezen op het belang van het rechtszekerheidsbeginsel.
1. Rechtszekerheidsvereiste
50.
Het rechtszekerheidsbeginsel strekt er als algemeen beginsel van Unierecht toe te waarborgen dat rechtssituaties en -betrekkingen die uit het Unierecht voortvloeien voorzienbaar zijn.30. Het vereist met name dat rechtsregels duidelijk en nauwkeurig zijn en dat de toepassing ervan voor de justitiabelen voorzienbaar is, zodat zij in staat zijn de omvang van de verplichtingen die hun door de betrokken regeling worden opgelegd, nauwkeurig te kennen, en dat zij ondubbelzinnig hun rechten en verplichtingen kunnen kennen en dienovereenkomstig hun voorzieningen kunnen treffen.31.
51.
Het waarborgen van samenhang in de rechtspraak over de uitlegging van het Unierecht, die een bron van voorspelbaarheid en dus van rechtszekerheid vormt, is uiteraard erg belangrijk voor het Hof, ook in zijn interne werking, aangezien dit zijn oorspronkelijke taak is. Het bij artikel 267 VWEU ingevoerde mechanisme van de prejudiciële verwijzing moet er volgens vaste rechtspraak voor zorgen dat het Unierecht in alle omstandigheden dezelfde werking heeft in alle lidstaten. Het dient aldus te voorkomen dat er divergenties ontstaan bij de uitlegging van het Unierecht dat de nationale rechterlijke instanties dienen toe te passen en strekt ertoe die toepassing te verzekeren door de nationale rechter een middel te verschaffen om de moeilijkheden die zouden kunnen ontstaan door het vereiste om het Unierecht volle werking te verlenen in het kader van de gerechtelijke stelsels van de lidstaten, uit de weg te ruimen.32.
52.
Voorts is het Hof van oordeel dat een verticaal mechanisme voor de uniformering van de rechtspraak door inmenging van de hoogste rechterlijke instanties van de lidstaten op zich niet in strijd is met het Unierecht, zelfs indien de beslissingen van deze rechterlijke instanties bindend zijn voor de lagere rechterlijke instanties. De conclusie dat er geen sprake is van compatibiliteit dringt zich slechts op indien het nationale recht de onafhankelijkheid van de hoogste rechterlijke instanties niet waarborgt of indien dit mechanisme een nationale rechter kan beletten het Hof om een prejudiciële beslissing te verzoeken.33.
53.
Zoals het EHRM in het kader van zijn toezicht op de naleving van artikel 6, lid 1, van het te Rome op 4 november 1950 ondertekende Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) terecht opmerkt, zijn eventuele divergenties in de rechtspraak tussen nationale rechterlijke instanties of binnen dezelfde rechterlijke instantie evenwel inherent aan elk gerechtelijk stelsel. Ofschoon een dergelijke situatie op zich niet indruist tegen het EVRM, wijst die rechterlijke instantie erop dat het rechtszekerheidsbeginsel, dat impliciet is vervat in alle artikelen van het EVRM, met name beoogt een zekere stabiliteit van de rechtssituaties te waarborgen en het vertrouwen van het publiek in de rechtsbedeling te bevorderen. Het voortbestaan van divergenties in de rechtspraak kan leiden tot een toestand van rechtsonzekerheid die het vertrouwen van het publiek in het gerechtelijke stelsel kan aantasten, terwijl dat vertrouwen toch een van de fundamentele bestanddelen van de rechtsstaat is. Het EHRM heeft daarom geoordeeld dat de verdragsluitende staten verplicht zijn hun gerechtelijke stelsel zodanig te organiseren dat wordt voorkomen dat afwijkende uitspraken worden gedaan, en ziet erop toe dat mechanismen worden ingesteld die de samenhang van de praktijk binnen de rechterlijke instanties en de eenmaking van de rechtspraak kunnen waarborgen.34.
54.
In de eerste plaats is het interessant om op te merken dat het in de onderhavige zaken bedoelde mechanisme ter waarborging van de samenhang van de rechtspraak geldt voor Kroatische rechters in tweede aanleg, terwijl het in beginsel aan de hoogste rechter staat om eventuele tegenstrijdigheden of onzekerheden als gevolg van uitspraken die uiteenlopende interpretaties bevatten, te verhelpen.35. Mijns inziens doet dit evenwel geenszins afbreuk aan het feit dat in tweede aanleg rekening moet worden gehouden met geharmoniseerde rechtspraak, temeer gelet op het buitengewone karakter van de rechtsmiddelen die tegen de beslissingen van die rechters kunnen worden ingesteld.36. Voorspelbaarheid van het recht en de daaruit voortvloeiende rechtszekerheid moeten de zorg zijn van alle rechterlijke instanties, ongeacht hun rang binnen het gerechtelijke stelsel, zodat de gelijkheid van alle justitiabelen voor de wet op het gehele grondgebied van een bepaalde lidstaat wordt gewaarborgd. In de tweede plaats is het litigieuze mechanisme bedoeld om de horizontale samenhang te waarborgen, aangezien elke rechter in tweede aanleg met dat mechanisme de eenheid van zijn eigen rechtspraak moet waarborgen, iets waaraan het EHRM bijzonder belang hecht.37.
55.
Bij de noodzakelijke invoering van mechanismen ter waarborging van de samenhang van de rechtspraak mag evenwel niet worden voorbijgegaan aan de toegang tot een bij wet ingesteld onafhankelijk en onpartijdig gerecht.
2. Eerbiediging van het recht op daadwerkelijke rechtsbescherming
56.
Er zij aan herinnerd dat de Unie staten verenigt die geheel uit vrije wil de in artikel 2 VEU bedoelde gemeenschappelijke waarden hebben onderschreven, die deze waarden eerbiedigen en die zich ertoe verbinden deze waarden te bevorderen. Inzonderheid vloeit uit artikel 2 VEU voort dat de Unie berust op waarden, zoals de rechtsstaat, die de lidstaten gemeen hebben in een samenleving die met name wordt gekenmerkt door rechtvaardigheid. Dienaangaande dient te worden opgemerkt dat het wederzijdse vertrouwen tussen de lidstaten en, in het bijzonder, hun rechterlijke instanties, is gebaseerd op de fundamentele premisse dat de lidstaten een reeks gemeenschappelijke waarden delen waarop de Unie berust, zoals wordt gepreciseerd in dat artikel. De eerbiediging door een lidstaat van de in artikel 2 VEU neergelegde waarden is bovendien een voorwaarde voor het genot van alle rechten die uit de toepassing van de Verdragen op die lidstaat voortvloeien. Een lidstaat mag zijn wettelijke regeling dus niet zodanig wijzigen dat afbreuk wordt gedaan aan de bescherming van de waarde van de rechtsstaat, een waarde die met name is geconcretiseerd in artikel 19 VEU. De lidstaten dienen er dus voor te zorgen dat zij wat deze waarde betreft elke teruggang in hun wettelijke regeling van de rechterlijke organisatie vermijden, door geen regels vast te stellen die de onafhankelijkheid van de rechters zouden ondermijnen.38.
57.
Zoals artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU bepaalt, staat het aan de lidstaten om te voorzien in een stelsel van rechtsmiddelen en procedures om de justitiabelen daadwerkelijke rechtsbescherming op de onder het Unierecht vallende gebieden te verzekeren. Het beginsel van daadwerkelijke bescherming van die rechten die de justitiabelen aan het recht van de Unie ontlenen en waarnaar artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU verwijst, is een algemeen beginsel van Unierecht dat uit de gemeenschappelijke constitutionele tradities van de lidstaten voortvloeit en dat is neergelegd in de artikelen 6 en 13 EVRM, en tegenwoordig is bevestigd in artikel 47 van het Handvest.39.
58.
Aangezien artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU alle lidstaten verplicht te voorzien in de nodige rechtsmiddelen om op de onder het Unierecht vallende gebieden daadwerkelijke rechtsbescherming in de zin van met name artikel 47 van het Handvest te verzekeren, dient laatstgenoemd artikel naar behoren in aanmerking te worden genomen voor de uitlegging van artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, net als de rechtspraak van het EHRM met betrekking tot artikel 6, lid 1, EVRM.40. Om te waarborgen dat instanties die mogelijk moeten oordelen over vragen die verband houden met de toepassing en de uitlegging van het Unierecht in staat zijn daadwerkelijke rechtsbescherming te bieden, is het cruciaal dat de onafhankelijkheid van deze instanties wordt beschermd, zoals wordt bevestigd door artikel 47, tweede alinea, van het Handvest, dat de toegang tot een ‘onafhankelijk’ gerecht vermeldt als een van de vereisten voor het fundamentele recht op een doeltreffende voorziening in rechte.41.
59.
Ofschoon de kwestie van de onafhankelijkheid van de geadieerde rechterlijke instantie in de onderhavige zaken centraal staat, moet ook rekening worden gehouden met de kwestie van de eerbiediging van de rechten van de verdediging en die van de garantie van toegang tot een vooraf bij wet ingesteld gerecht.
a) Vereiste van onafhankelijkheid van de rechterlijke instanties
60.
Het vereiste van onafhankelijkheid van de rechterlijke instanties, dat onlosmakelijk verbonden is met de taak om recht te spreken, behoort tot de kern van het fundamentele recht op daadwerkelijke rechtsbescherming en een eerlijk proces, dat van het grootste belang is als waarborg dat alle door de justitiabelen aan het Unierecht ontleende rechten worden beschermd en tevens de in artikel 2 VEU verankerde waarden die de lidstaten gemeen hebben, met name de rechtsstaat, worden behouden.42.
61.
Volgens vaste rechtspraak kent dit onafhankelijkheidsvereiste twee aspecten. Het eerste, externe, aspect vereist dat de betrokken instantie haar taken volledig autonoom uitoefent, zonder enig hiërarchisch verband en zonder aan wie dan ook ondergeschikt te zijn of van waar dan ook bevelen of instructies te ontvangen, en aldus beschermd moet zijn tegen inmenging of druk van buitenaf die de onafhankelijkheid van de oordeelsvorming van haar leden in gevaar zou kunnen brengen en van invloed zou kunnen zijn op hun beslissingen. Het tweede, interne, aspect sluit aan bij het begrip onpartijdigheid en heeft betrekking op het houden van gelijke afstand ten opzichte van de partijen bij het geding en hun respectieve belangen met betrekking tot het voorwerp van het geding. Voor dit aspect is het nodig dat objectiviteit in acht wordt genomen en dat elk belang bij de oplossing van het geschil, buiten de strikte toepassing van de rechtsregel, ontbreekt. Voor deze waarborgen van onafhankelijkheid en onpartijdigheid zijn regels nodig, onder andere met betrekking tot de samenstelling van het orgaan, de benoeming, de ambtstermijn en de gronden voor verschoning, wraking en afzetting van zijn leden, die geschikt moeten zijn om bij de justitiabelen elke legitieme twijfel erover weg te nemen dat dit orgaan zich niet laat beïnvloeden door externe factoren en onpartijdig is ten opzichte van de met elkaar strijdende belangen.43.
62.
In dit verband is het van belang dat rechters worden behoed voor inmenging of druk van buitenaf die hun onafhankelijkheid in gevaar zou kunnen brengen. De regels inzake het statuut van rechters en de uitoefening van hun taken moeten het in het bijzonder mogelijk maken om niet alleen elke rechtstreekse beïnvloeding — in de vorm van instructies — maar ook meer indirecte vormen van beïnvloeding die de beslissingen van de betrokken rechters zouden kunnen sturen, uit te sluiten en aldus te voorkomen dat deze rechters niet de indruk wekken onafhankelijk en onpartijdig te zijn, hetgeen het vertrouwen zou kunnen ondermijnen dat de rechterlijke macht in een democratische samenleving en een rechtsstaat bij de justitiabelen moet wekken.44.
63.
Ofschoon de hierboven in herinnering gebrachte rechtspraak van het Hof voornamelijk beoogt de onafhankelijkheid van de rechterlijke instanties ten opzichte van de wetgevende en de uitvoerende macht te waarborgen overeenkomstig het beginsel van de scheiding der machten dat de werking van een rechtsstaat kenmerkt, is zij, met name gelet op de algemene bewoordingen die zijn gebruikt, ten volle toepasselijk in een andere context die als zuiver nationaal kan worden aangemerkt. In casu zien de in de verwijzingsbeslissingen geuite twijfels met betrekking tot artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU in wezen op een nationale regeling en een nationale praktijk betreffende een mechanisme dat de samenhang van de rechtspraak moet waarborgen en daartoe voorziet in de inmenging van twee organen die behoren tot dezelfde rechterlijke instantie als de rechters die deze beslissingen hebben gegeven. Dienaangaande merk ik op dat het Hof in het kader van een geschil dat was gerezen naar aanleiding van een besluit van de voorzitter van een rechterlijke instantie om een rechter zonder diens instemming over te plaatsen van de afdeling waar deze tot dan toe zetelde naar een andere afdeling binnen dezelfde rechterlijke instantie, heeft geoordeeld dat het uit artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU voortvloeiende vereiste van onafhankelijkheid van rechters, gelezen in het licht van artikel 47 van het Handvest, gebiedt dat de regels voor onvrijwillige overplaatsingen van rechters, net als tuchtregels, met name de noodzakelijke waarborgen bieden om elk risico uit te sluiten dat deze onafhankelijkheid in gevaar wordt gebracht door directe of indirecte inmenging van buitenaf.45.
64.
Deze benadering vindt steun in de uitdrukkelijke rechtspraak van het EHRM met betrekking tot artikel 6, lid 1, EVRM, volgens welke de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht vereist dat rechters niet alleen van buiten het gerechtelijke stelsel, maar ook van binnen dat stelsel niet aan ongepaste beïnvloeding blootstaan. Deze interne onafhankelijkheid van rechters vereist dat zij geen instructies kunnen ontvangen van, noch onder druk kunnen worden gezet door de andere rechters of personen die bestuurlijke functies binnen de rechterlijke instantie uitoefenen, zoals de voorzitter ervan of de voorzitter van een afdeling binnen die rechterlijke instantie. Zonder voldoende waarborgen voor de onafhankelijkheid van de rechters binnen het gerechtelijke stelsel, en in het bijzonder ten aanzien van hun hiërarchische meerderen binnen hun rechterlijke instantie, kan aan de onafhankelijkheid en de onpartijdigheid van de rechterlijke instantie worden getwijfeld.46.
65.
Kan in casu worden aangenomen dat de inmenging van de registratierechter en de afdeling van rechters, twee rechterlijke organen op hetzelfde niveau als de rechterlijke formatie waarbij de zaak oorspronkelijk aanhangig is gemaakt, van dien aard is dat zij afbreuk doet aan het vereiste van onafhankelijkheid van de leden van die formatie? Op die vraag dient mijns inziens ontkennend te worden geantwoord.47.
66.
In de eerste plaats moet de aandacht uitgaan naar de letterlijke uitlegging van de relevante nationaalrechtelijke bepalingen betreffende de werking van de ‘afdeling’, die overeenkomstig artikel 37 van de wet betreffende de rechterlijke organisatie is samengesteld uit de rechters die behoren tot de verschillende kamers of formaties van de betrokken rechterlijke instantie, waaronder die met een alleensprekende rechter, die uitspraak doen over kwesties die vallen onder een of meer verwante rechtsgebieden. Volgens artikel 38 van die wet gaan de besprekingen tijdens een afdelingsvergadering over ‘kwesties’ die van belang zijn voor de afdeling, waaronder ‘controversiële rechtsvragen’ en ‘uniformering van de rechtspraak’. Aan het eind van die besprekingen wordt er overeenkomstig artikel 40, lid 2, van die wet een ‘juridisch standpunt’ ingenomen, hetgeen een betekenisvolle uitdrukking is voor zover deze tegenover ‘oplossing of beslissing’ in een bepaalde zaak staat.
67.
In de tweede plaats kan in de toelichtingen van de Kroatische regering en in het onderzoek van het aan het Hof overgelegde procesdossier steun worden gevonden voor deze verklarende analyse van de werking van een collegiaal rechterlijk orgaan — waarvan de rechters van de aangezochte formatie deel uitmaken — dat, algemeen bezien, debatteert over de uitlegging van de betrokken regels en de daarop betrekking hebbende rechtspraak en dat uiteindelijk bij meerderheid van stemmen een gemeenschappelijk rechterlijk standpunt inneemt over de te volgen uitlegging. Zo staat vast dat op 26 oktober 2021, op initiatief van de voorzitter van de afdeling handelsgeschillen, via videoconferentie een vergadering heeft plaatsgevonden waarbij 28 rechters aanwezig waren, waaronder de drie leden van de aangezochte formatie en de registratierechter. Tijdens die vergadering werden met name de in abstracto op de agenda geplaatste twee rechtskwesties behandeld die aanleiding hadden gegeven tot gedachtewisselingen tussen deze rechter en die formatie. De notulen van die vergadering beginnen met de vermelding dat de aanwezigheid van 28 van de 31 rechters waaruit de Visoki trgovački sud Republike Hrvatske is samengesteld, volstaat om geldige beslissingen te nemen, ‘dat wil zeggen juridische standpunten’ in te nemen, en beschrijven de verschillende tussenkomsten van de rechters, waaronder die van een rechter die deel uitmaakt van de aangezochte formatie, alsook het juridische standpunt met betrekking tot elk van de besproken kwesties. Deze standpunten zijn abstract geformuleerd zonder enige verwijzing naar de hoofdgedingen die aan de oorspronkelijke formatie zijn voorgelegd. Voorts volgt uit de opmerkingen van de Kroatische regering dat de afdeling van rechters niet beschikt over de procesdossiers die op die zaken betrekking hebben en die de schriftelijke stukken van de partijen bevatten; aan de deelnemers wordt enkel de eerste beraadslaging van de aangezochte formatie verstrekt, tezamen met elementen uit de rechtspraak.
68.
In de derde plaats is het aan de aangezochte formatie om rekening te houden met de algemene uitlegging van de toepasselijke rechtsregels teneinde in de bij haar aanhangig gemaakte zaken de passende juridische oplossing te kiezen in het licht van de concrete feiten en het in het dossier opgenomen bewijsmateriaal.48. Dit onderscheid tussen uitlegging en toepassing van een rechtsregel is bekend in andere nationale rechtsstelsels en vormt de kern van de manier waarop elke prejudiciële verwijzing, en uiteraard het mechanisme van artikel 267 VWEU, werkt. Dienaangaande moet in herinnering worden gebracht dat dit mechanisme tot doel heeft de coherentie en eenvormige uitlegging van het Unierecht te verzekeren door tussen het Hof en de nationale rechterlijke instanties een dialoog van rechter tot rechter tot stand te brengen.49. De bij artikel 267 VWEU aan het Hof opgedragen taak bestaat erin aan elke rechterlijke instantie van de Unie de elementen voor uitlegging van het Unierecht te verschaffen die zij nodig heeft om de voor haar aanhangige gedingen te beslechten.50. Deze bepaling verleent het Hof niet de bevoegdheid om de bepalingen van het Unierecht op een concreet geval toe te passen, maar enkel om uitspraak te doen over de uitlegging van de Verdragen en de handelingen van de instellingen van de Unie. Derhalve is het niet aan het Hof, maar aan de nationale rechterlijke instanties om het Unierecht toe te passen in het licht van de door het Hof verschafte elementen voor uitlegging van dat recht.51.
69.
De hierboven uiteengezette analyse is van fundamenteel belang voor de beoordeling van artikel 40, lid 2, van de wet betreffende de rechterlijke organisatie, dat bepaalt dat het juridische standpunt dat is ingenomen tijdens een afdelingsvergadering bindend is voor alle kamers of rechters in tweede aanleg van die afdeling. Indien wordt erkend dat er een onderscheid bestaat tussen uitlegging en toepassing van de rechtsregel, voldoet de omstandigheid dat de aangezochte formatie — die een integrerend deel uitmaakt van een collegiaal orgaan dat heeft gedebatteerd en bij meerderheid heeft gestemd over de vaststelling van het juridische standpunt — dit standpunt, net als een arrest van de hoogste rechterlijke instantie die uitsluitend uitspraak doet over rechtsvragen, moet toepassen aan de doelstelling van rechtszekerheid, zonder dat afbreuk wordt gedaan aan het vereiste van onafhankelijkheid van de rechterlijke instanties.52. Wanneer een mechanisme dat tot doel heeft de samenhang van de rechtspraak te waarborgen wordt erkend met het voorbehoud dat het juridische standpunt niet bindend is, zoals de Commissie suggereert, zou dat erop neerkomen dat dit mechanisme louter als aansporing gaat dienen en dat het nut ervan bijgevolg totaal ongewis is.
70.
In de vierde plaats moet de rol van de registratierechter bij het gelaakte mechanisme worden afgebakend. Ofschoon deze rechter volgens de informatie van de verwijzende rechter de macht heeft om het beslissingsproces te blokkeren en te voorkomen dat de beraadslaging van de aangezochte formatie formeel wordt omgezet in een rechterlijke handeling die aan partijen kennis wordt aangezegd, kan hij in geen geval zijn beoordeling in de plaats stellen van die van de formatie. Hij kan de zaak alleen voor heroverweging naar die formatie terugverwijzen, samen met opmerkingen over de aan de orde gestelde rechtskwestie, en, mocht de onenigheid met de aangezochte formatie blijven voortduren, enkel de voorzitter van de rechterlijke instantie of die van de afdeling waarschuwen, die de werkzaamheden ervan moet leiden, die als enige bevoegd zijn om naar die uitgebreide formatie te verwijzen ‘wanneer wordt vastgesteld dat sprake is van uitleggingsverschillen tussen afdelingen, kamers of rechters over kwesties inzake de toepassing van de wet of wanneer een kamer of een rechter van een afdeling afwijkt van het eerder ingenomen juridische standpunt’53.. De beoordeling van deze gronden berust dus uitsluitend bij deze twee organen die als enige bevoegd zijn om zaken voor te leggen aan de afdeling54., die een juridisch standpunt zal innemen dat eventueel ingaat tegen de benadering van de registratierechter en dat bindend is voor deze laatste als rechter van de betrokken afdeling.55. Derhalve kan deze rechter niet worden geacht het ‘laatste woord’ te hebben in een beraadslagingsproces dat eindigt met de vaststelling van een juridisch standpunt dat bindend is wat de uitlegging van de rechtsregel betreft, en met de daaropvolgende beslissing van de aangezochte formatie.
71.
Aldus worden de contouren zichtbaar van een in verschillende nationale rechtsorden bekend intern procedureel mechanisme waarin, zonder dat de betrokken zaak wordt overgedragen, een uitgebreide formatie wordt ingeschakeld die niet in de plaats van de formatie waarbij de zaak oorspronkelijk aanhangig is gemaakt het geding beslecht, maar zich enkel uitspreekt over een rechtsvraag en de zaak terugverwijst naar de oorspronkelijke rechterlijke formatie, zodat deze uitspraak doet over het geschil met inachtneming van het antwoord van de uitgebreide formatie. Afhankelijk van het rechtsstelsel zal het standpunt van die formatie adviserend dan wel, zoals in casu, bindend zijn56., enkel voor de oorspronkelijke formatie dan wel tevens voor andere formaties.
72.
Ofschoon in verschillende nationale rechtsorden uitsluitend de formatie waarbij de zaak oorspronkelijk aanhangig is gemaakt, de mogelijkheid of de verplichting heeft om naar de uitgebreide formatie te verwijzen wanneer zij overweegt om van eerdere rechtspraak af te wijken of wanneer een discrepantie in de rechtspraak wordt vastgesteld of dan wel dreigt te ontstaan, kan die verwijzingsbevoegdheid worden toegekend aan een derde rechterlijk orgaan, zoals de voorzitter van de rechterlijke instantie of van de betrokken afdeling, die in casu door de registratierechter gewoon wordt ingelicht.
b) Vereiste van eerbiediging van de rechten van de verdediging
73.
De Commissie heeft er in haar opmerkingen op gewezen dat de afdelingsvergaderingen niet openbaar zijn en dat de partijen hun argumenten niet naar voren kunnen brengen. Ter terechtzitting is opgemerkt dat de notulen van deze vergaderingen niet worden vrijgegeven en dat aan die vergaderingen wordt deelgenomen door rechters die de schriftelijke stukken van de partijen niet hebben gelezen noch hen hebben aangehoord, allemaal elementen die de kwestie van de eerlijkheid van het proces aan de orde stellen. Hetzelfde geldt voor de tussenkomst van de registratierechter.
74.
Er zij aan herinnerd dat het grondbeginsel van daadwerkelijke rechtsbescherming, dat opnieuw is bevestigd in artikel 47 van het Handvest, en het begrip ‘eerlijk proces’ in artikel 6 EVRM verschillende elementen omvatten, waaronder met name de eerbiediging van de rechten van de verdediging en het recht om zich te laten adviseren, verdedigen en vertegenwoordigen. Uit de rechtspraak van het Hof volgt ook dat het recht om in elke procedure te worden gehoord integraal deel uitmaakt van de rechten van de verdediging die zijn verankerd in de artikelen 47 en 48 van het Handvest en dat een dergelijk recht waarborgt dat eenieder in die procedure naar behoren en daadwerkelijk zijn standpunt kenbaar kan maken.57.
75.
In het onderhavige geval moet erop worden gewezen dat volgens artikel 334 van het Kroatische wetboek van burgerlijke rechtsvordering ‘een rechterlijke instantie gebonden is aan haar beslissing zodra deze is bekendgemaakt en, indien die beslissing niet is bekendgemaakt, zodra deze is verzonden. De beslissing sorteert ten aanzien van de partijen pas gevolgen vanaf de dag waarop deze aan hen is betekend’. Volgens artikel 177, lid 3, van het reglement voor de procesvoering van de rechterlijke instanties wordt ‘een zaak in tweede aanleg […] geacht te zijn afgedaan op de datum waarop de beslissing, nadat de zaak door de dienst voor het volgen en de registratie van de rechtspraak is teruggestuurd, vanuit het kantoor van de rechter wordt verzonden’.
76.
Uit voornoemde bepalingen volgt dat het aan de orde zijnde procedureel mechanisme onderdeel is van de fase van de beraadslaging van de rechtszaak bij de aangezochte formatie, en dat er formeel geen rechterlijke beslissing wordt gegeven na de debatten binnen die formatie, ongeacht of de meerderheid van de rechters dan wel alle rechters waaruit de formatie is samengesteld het eens zijn over een eerste beraadslaging. Die fase van de beraadslaging volgt op een procedure waarin de partijen hun eisen en argumenten op tegenspraak hebben kunnen uiteenzetten en heeft enkel tot doel de rechters in staat te stellen het voorgelegde geschil en de beslechting ervan overeenkomstig de toepasselijke rechtsregels te overdenken en te analyseren.
77.
In casu omvat dit beraad overleg dat collegiaal wordt gevoerd door de rechters die lid zijn van de betrokken afdeling, die geen toegang heeft tot het procesdossier van de door de aangezochte formatie behandelde zaak en uitsluitend gericht is op de abstracte uitlegging van de betrokken rechtsregel(s) die tijdens de voorafgaande contradictoire procedure werd(en) besproken. In deze context kan in beginsel geen sprake zijn van juridische standpunten die zouden zijn ingenomen op basis van elementen waarover de partijen zich niet hebben kunnen uitspreken. Indien de debatten binnen de afdeling uiteindelijk tot de slotsom leiden dat het geding moet worden beslecht in overeenstemming met een rechtsregel die de partijen tijdens de procedure op tegenspraak niet hebben beoogd en besproken, zou de toepassing van een dergelijk juridisch standpunt impliceren dat de debatten dienen te worden heropend teneinde het beginsel van hoor en wederhoor, dat deel uitmaakt van de rechten van de verdediging, te eerbiedigen. Dit betekent niet dat de discussie tussen de rechters binnen de afdeling niet mag gericht zijn op rechtspraak die niet door de partijen is aangehaald of niet de vorm mag aannemen van een redenering naar analogie met een andere bepaling dan die welke aan de orde is in de door de aangezochte formatie behandelde zaak. Deze discussie over de zuivere rechtsvraag is echter in wezen de taak van de rechter.
78.
Wordt erkend dat er een onderscheid bestaat tussen uitlegging en toepassing van de rechtsregel, kan in de hierboven beschreven omstandigheden niet worden gesteld dat het vereiste van een eerlijk proces is geschonden.
c) Toegang tot een gerecht dat bij de wet is ingesteld
79.
Onder verwijzing naar vaste rechtspraak van het EHRM heeft het Hof benadrukt dat de invoering van de uitdrukking ‘dat bij de wet is ingesteld’ in artikel 6, lid 1, eerste volzin, EVRM tot doel heeft te voorkomen dat de rechterlijke organisatie wordt overgelaten aan de uitvoerende macht, alsmede ervoor te zorgen dat deze aangelegenheid wordt geregeld bij een wet die door de wetgevende macht is vastgesteld in overeenstemming met de regels voor de uitoefening van haar bevoegdheid. Die uitdrukking weerspiegelt met name het beginsel van de rechtsstaat en heeft niet alleen betrekking op de rechtsgrondslag voor het bestaan zelf van het betreffende gerecht, maar ook op de samenstelling van de rechtsprekende formatie in elke zaak en op alle overige nationaalrechtelijke bepalingen waarvan de niet-inachtneming met zich meebrengt dat de deelname van een of meerdere rechters aan het onderzoek van de zaak onregelmatig is. Tot deze bepalingen behoren met name bepalingen over de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de leden van de rechterlijke instantie in kwestie.58.
80.
In dit verband is het EHRM van oordeel dat het in artikel 6, lid 1, EVRM gewaarborgde recht op een ‘gerecht dat bij de wet is ingesteld’ weliswaar een autonoom recht vormt, maar dat dit recht niettemin zeer nauw verbonden is met de waarborgen van ‘onafhankelijkheid’ en ‘onpartijdigheid’ in de zin van deze bepaling. Zo heeft die rechterlijke instantie onder meer geoordeeld dat de institutionele vereisten van artikel 6, lid 1, EVRM weliswaar elk een specifiek doel nastreven waardoor zij specifieke waarborgen voor een eerlijk proces vormen, maar dat zij gemeen hebben dat zij de fundamentele beginselen van de rechtsstaat en de scheiding der machten beogen te eerbiedigen door dienaangaande te preciseren dat aan elk van deze vereisten de noodzaak ten grondslag ligt om het vertrouwen te bewaren dat de rechterlijke macht de justitiabele moet inboezemen en de onafhankelijkheid van deze macht ten opzichte van de andere machten in stand te houden.59.
81.
In de onderhavige zaak hebben de in de verwijzingsbeslissingen genoemde nationaalrechtelijke bepalingen geen betrekking op het bestaan zelf en de bevoegdheden van de Visoki trgovački sud Republike Hrvatske, die berusten op een vastgestelde rechtsgrondslag, maar op het beslissingsproces van die rechterlijke instantie na afloop van de schriftelijke en de eventuele mondelinge behandeling op tegenspraak, dat leidt tot de vaststelling van de definitieve rechterlijke handeling ter beslechting van het door de partijen voorgelegde geschil, en meer in het bijzonder op de voorwaarden waaronder de afdeling van rechters en de registratierechter in dit proces tussenkomen. Dit beslissingsproces is, gelet op de fundamentele gevolgen ervan voor de goede werking en de legitimiteit van de rechterlijke macht in een democratische rechtsstaat, noodzakelijkerwijs inherent aan het begrip ‘gerecht dat bij de wet is ingesteld’ in de zin van artikel 6, lid 1, EVRM.60.
82.
Ook moet worden opgemerkt dat het bij de door de verzoeken om een prejudiciële beslissing opgeworpen kwestie niet gaat om de niet-naleving van interne regels die het mogelijk maken om bij de justitiabelen elke legitieme twijfel over de onvatbaarheid van dit orgaan voor externe factoren weg te nemen61., maar wel om het bestaan van bepalingen die de beraadslagingsfase van de rechtszaak regelen en aanleiding geven tot een dergelijke twijfel.
83.
Dienaangaande stel ik vast dat alle regels betreffende de werking van de afdeling van rechters hun oorsprong vinden in de wet betreffende de rechterlijke organisatie. De deelname van die afdeling aan de fase van beraadslaging door de aangezochte formatie berust dus op een onbetwistbare rechtsgrondslag die de mate van voorspelbaarheid en zekerheid biedt die nodig is om aan het betrokken vereiste te voldoen.62. Bovendien zijn de nadere voorschriften ervan, zoals reeds is opgemerkt, niet van dien aard dat zij bij de justitiabelen legitieme twijfel kunnen doen rijzen over de onafhankelijkheid van de leden van de aangezochte formatie.
84.
Het bestaan zelf van de registratierechter is ook in de wet betreffende de rechterlijke organisatie opgenomen, waarbij de titel van de functie het doel ervan omschrijft, namelijk het volgen en bestuderen van de rechtspraak. Het doorzenden van de zaken naar die dienst voordat de beslissingen vanuit het kantoor van de rechter worden verzonden, vloeit duidelijk voort uit artikel 177, lid 3, van het reglement voor de procesvoering van de rechterlijke instanties, een reglement tot uitvoering van die wet dat is vastgesteld door de minister die bevoegd is voor justitiële zaken krachtens de hem bij artikel 76 van die wet verleende bevoegdheid.63. Desondanks kan noch uit deze wet, noch uit dit reglement worden opgemaakt wat die functie precies inhoudt wat meer bepaald de bevoegdheid betreft om de registratie van een beraadslaging van een rechterlijke formatie op te schorten. Die bevoegdheid volgt uit een gerechtelijke praktijk of vindt volgens de Kroatische regering een tekstuele grondslag in een interne justitiële handeling van de rechterlijke instantie.
85.
Niettemin moet niet uit het oog worden verloren dat het de taak is van de registratierechter om de rechtspraak te volgen, vergelijkbare zaken op te sporen om ervoor te zorgen dat deze op een uniforme manier worden behandeld en, als dit niet het geval is, als laatste de voorzitter van de afdeling van rechters in te lichten — een eenvoudige handeling van gerechtelijk bestuur — zodat een vergadering kan worden bijeengeroepen en na overleg een bindend juridisch standpunt kan worden ingenomen bij meerderheid van stemmen. Gedurende de tijd die nodig is om dat standpunt vast te stellen wordt het beslissingsproces logischerwijs opgeschort.
86.
Daarenboven moet de functie van de registratierechter worden gezien in het licht van de redenen voor het bijeenroepen van een afdelingsvergadering, namelijk, volgens artikel 40, lid 1, van de wet betreffende de rechterlijke organisatie, wanneer sprake is van uitleggingsverschillen tussen afdelingen, kamers of rechters over kwesties inzake de toepassing van de wet of wanneer een kamer of een rechter van een afdeling afwijkt van het eerder ingenomen juridische standpunt. De tussenkomst van de registratierechter draagt bij tot de samenhang en de doeltreffendheid van een mechanisme dat de eenheid van de rechtspraak van de betrokken rechterlijke instantie kan waarborgen.
87.
In die omstandigheden kan, wat betreft de inhoud van de rechterlijke handeling waarmee het geschil wordt afgedaan, de strekking van de specifieke tussenkomst van de registratierechter in het beslissingsproces geenszins worden vergeleken met die van de afdeling, en lijkt het mij dat het vereiste dat vervat is in de uitdrukking ‘bij de wet is ingesteld’ niet voor die tussenkomst mag gelden, in tegenstelling tot die van de afdeling.64.
3. Tussenconclusie
88.
Om de voorgaande redenen ben ik van mening dat artikel 19, lid 1, VEU aldus moet worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een mechanisme dat tot doel heeft de samenhang van de rechtspraak van een rechterlijke instantie te waarborgen, zoals het mechanisme dat in de hoofdgedingen aan de orde is. Deze conclusie lijkt mij ook gegrond in het licht van twee opmerkingen.
89.
Ten eerste moet erop worden gewezen dat noch artikel 2, noch artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, noch andere bepalingen van Unierecht de lidstaten een welbepaald grondwettelijk model opleggen om de verhoudingen en de interactie tussen de verschillende staatsmachten te regelen, met name wat de bepaling en de begrenzing van hun bevoegdheden betreft, en evenmin een institutioneel model houdende organisatie van de rechterlijke macht.65. De vaststelling van laatstgenoemd model, met inbegrip van het verloop van de beraadslagingsfase van een rechtszaak, behoort tot de bevoegdheid van de lidstaten, die over een zekere beoordelingsmarge beschikken om de toepassing van de beginselen van de rechtsstaat te waarborgen66., met name wat het evenwicht betreft tussen de vereisten van rechtszekerheid, zoals toegepast op de rechterlijke instanties in tweede aanleg, en die van de onafhankelijkheid van die rechterlijke instanties. Zoals advocaat-generaal Bobek heeft benadrukt, wordt in de rechtspraak beoogd minimumeisen vast te stellen waaraan de nationale stelsels moeten voldoen.67.
90.
Het EHRM van zijn kant heeft erop gewezen dat de rechterlijke organisatie in landen met gecodificeerd recht niet kan worden overgelaten aan de rechterlijke autoriteiten zelf — hoewel dit niet betekent dat gerechten geen enkele speelruimte hebben bij de uitlegging van toepasselijk nationaal recht. Voorts is de delegatie van bevoegdheden in aangelegenheden die de rechterlijke organisatie betreffen, aanvaardbaar voor zover die mogelijkheid valt binnen het kader van het nationale recht van de betrokken staat, met inbegrip van de desbetreffende bepalingen van de grondwet.68.
91.
Ten tweede klopt het dat uit de rechtspraak van het EHRM blijkt dat de vereisten van rechtszekerheid en bescherming van het gewettigd vertrouwen van justitiabelen geen verworven recht op vaste rechtspraak inhouden. Verandering in de rechtspraak is op zich niet in strijd met een goede rechtsbedeling, aangezien het loslaten van een dynamische en evolutieve benadering het risico inhoudt dat elke hervorming of verbetering wordt belemmerd.69. In het onderhavige geval zorgt het litigieuze mechanisme mijns inziens evenwel voor een relatief passend evenwicht tussen deze vereisten en de noodzakelijke mogelijkheid om het recht aan te passen aan maatschappelijke veranderingen door middel van ontwikkelingen in de rechtspraak. Laten we niet vergeten dat de juridische standpunten die tijdens de vergadering van de rechters van de rechterlijke instanties in tweede aanleg worden ingenomen, niet bindend zijn voor de rechterlijke instanties in eerste aanleg, mogen ingaan tegen de benadering van de registratierechter en geenszins verhinderen dat de hoogste rechterlijke instantie haar rol als toezichthouder speelt bij de toepassing van het nationale recht, indien nodig door de voorgelegde beslissing van de rechterlijke instantie in tweede aanleg te vernietigen en tegelijkertijd de koers in de rechtspraak te verleggen.
V. Conclusie
92.
Voor het geval het Hof de verzoeken van de Visoki trgovački sud Republike Hrvatske om een prejudiciële beslissing ontvankelijk verklaart, geef ik het Hof in overweging om die rechter als volgt te antwoorden:
‘Artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU
moet aldus worden uitgelegd
dat het zich niet verzet tegen een nationale regeling en een nationale praktijk op grond waarvan tijdens de beraadslagingsfase van een gerechtelijke procedure in tweede aanleg betreffende een geschil waarover de aangezochte rechterlijke formatie heeft beraadslaagd,
- —
de voorzitter van de rechterlijke instantie of de voorzitter van een gespecialiseerde afdeling, gelet op die beraadslaging en in omstandigheden waarin de samenhang van de rechtspraak van de rechterlijke instantie wordt of dreigt te worden aangetast, de zaak kan verwijzen naar een uitgebreide formatie om over de algemene en abstracte uitlegging van de toepasselijke rechtsregel, die vooraf door de partijen is besproken, bij meerderheid van stemmen een gemeenschappelijk standpunt in te nemen waarmee de oorspronkelijk aangezochte formatie rekening moet houden om het geschil ten gronde te beslechten;
- —
een rechter die verantwoordelijk is voor het toezicht op de rechtspraak van de rechterlijke instantie, de voorzitter van die rechterlijke instantie of de voorzitter van een gespecialiseerde afdeling kan wijzen op een situatie waarin, doordat de aangezochte formatie vasthoudt aan haar oorspronkelijke beslissing, de samenhang van die rechtspraak wordt of dreigt te worden aangetast, en de uitspraak van die formatie ter beslechting van het geschil en de betekening ervan aan de partijen kan opschorten in afwachting van de vaststelling van voormeld juridisch standpunt.’
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 26‑10‑2023
Oorspronkelijke taal: Frans.
Huglo, J..Cahier du Conseil constitutionnel, nr. 11, december 2001.
Arrest van 22 maart 2022, Prokurator Generalny e.a. (Tuchtkamer van de Sąd NajwyŻszy — Benoeming) (C-508/19, EU:C:2022:201, punt 59).
Zie in die zin arrest van 19 november 2019, A. K. e.a. (Onafhankelijkheid van de tuchtkamer van de Sąd NajwyŻszy) (C-585/18, C-624/18 en C-625/18, EU:C:2019:982, punt 77).
Arrest van 26 maart 2020, Miasto Łowicz en Prokurator Generalny (C-558/18 en C-563/18, EU:C:2020:234, punten 32 en 33; hierna: ‘arrest Miasto Łowicz’).
Volgens de informatie van de Commissie neemt de Visoki trgovački sud Republike Hrvatske als rechter in tweede aanleg onder meer kennis van handelsgeschillen, geschillen met betrekking tot het vennootschapsrecht, het recht inzake intellectuele eigendom, maar ook met betrekking tot vliegtuigen en schepen. Overeenkomstig de artikelen 21 en 24 van de wet betreffende de rechterlijke organisatie doet de verwijzende rechter uitspraak op de hoger beroepen die worden ingesteld tegen de beslissingen van de handelsrechters, die oordelen over verzoeken tot inleiding van insolventieprocedures en de procedures van surseance van betaling leiden.
Zie in die zin arrest Miasto Łowicz (punten 34–36).
Arresten van 19 november 2019, A. K. e.a. (Onafhankelijkheid van de tuchtkamer van de Sąd NajwyŻszy) (C-585/18, C-624/18 en C-625/18, EU:C:2019:982, punt 78), en 26 februari 2013, Åkerberg Fransson (C-617/10, EU:C:2013:105, punt 22).
Verordening (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 betreffende insolventieprocedures (PB 2015, L 141, blz. 19) en richtlijn (EU) 2019/1023 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende preventieve herstructureringsstelsels, betreffende kwijtschelding van schuld en beroepsverboden, en betreffende maatregelen ter verhoging van de efficiëntie van procedures inzake herstructurering, insolventie en kwijtschelding van schuld, en tot wijziging van richtlijn (EU) 2017/1132 (richtlijn betreffende herstructurering en insolventie) (PB 2019, L 172, blz. 18). Opgemerkt zij dat die verordening betrekking heeft op grensoverschrijdende insolventieprocedures, gericht is op het oplossen van jurisdictie- en rechtsconflicten in grensoverschrijdende insolventieprocedures en de erkenning van rechterlijke beslissingen inzake insolventie in de hele Unie waarborgt. Het materiële insolventierecht van de lidstaten wordt door die verordening niet geharmoniseerd. Richtlijn 2019/1023 laat het toepassingsgebied van verordening 2015/848 onverlet, doch strekt tot aanvulling ervan door wezenlijke minimumnormen vast te stellen voor preventieve herstructureringsprocedures en procedures met schuldbevrijdende werking voor ondernemers (overwegingen 12 en 13).
Zie in die zin arrest van 22 februari 2022, RS (Gevolgen van de uitspraken van een grondwettelijk hof) (C-430/21, EU:C:2022:99, punten 34 en 35).
Gelet op de opneming van dat Unierecht, dat steeds productiever wordt, in de rechtsorde van de lidstaten en op de taak van de nationale rechter, de gewone rechter van de Unie, om de doeltreffende handhaving van de Unierechtelijke voorschriften te waarborgen, lijkt mij aan het criterium voor de toepassing van artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, namelijk dat een nationale rechter zich moet uitspreken over kwesties inzake de toepassing of de uitlegging van het Unierecht, vrijwel altijd te moeten zijn voldaan.
Arrest van 27 februari 2018 (C-64/16, EU:C:2018:117).
In een aantal zaken is het verzoek om een prejudiciële beslissing mijns inziens niet meer dan een procedureel voorwendsel voor de opsteller ervan om louter onder verwijzing naar artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU zijn ongenoegen over en kritiek op de werking van het nationale gerechtelijke stelsel voor te leggen aan het Hof.
Arrest Miasto Łowicz (punten 44–46).
Zie arrest Miasto Łowicz (punten 49–51).
Mijns inziens volstaat de vaststelling dat het litigieuze mechanisme voor de eenmaking van de rechtspraak bepalend is voor het beslissingsproces tijdens de fase van beraadslaging door de verwijzende rechter, waarbij het feit dat de gelaakte bepalingen geen deel uitmaken van het Kroatische wetboek van burgerlijke rechtsvordering geen verschil maakt.
Arrest van 19 november 2019 (C-585/18, C-624/18 en C-625/18, EU:C:2019:982).
Arrest Miasto Łowicz (punt 51).
Zie arrest van 23 november 2021, IS (Onwettigheid van de verwijzingsbeslissing) (C-564/19, EU:C:2021:949), wat de eerste en de tweede prejudiciële vraag betreft.
Conclusie van advocaat-generaal Bobek in de gevoegde zaken Prokuratura Rejonowa w Mińsku Mazowieckim e.a. (C-748/19—C-754/19, EU:C:2021:403, punt 136).
Nochtans is dit in wezen hetgeen waarvan de verwijzende rechter uitgaat, namelijk dat het mechanisme voor de uniformering van de rechtspraak aanzienlijke gevolgen kan hebben voor de eerbiediging van de rechtsstaat en de rechterlijke onafhankelijkheid, met name omdat het geldt voor alle zaken die aanhangig zijn bij om het even welke rechterlijke instantie in tweede aanleg in Kroatië, ‘ongeacht of in de betrokken zaak Unierecht wordt toegepast of niet’ (bladzijde 4 van de verwijzingsbeslissing in zaak C-554/21).
Is het trouwens redelijk om aan te nemen dat dit mechanisme in de toekomst nooit door een Kroatische rechter in tweede aanleg in twijfel zal worden getrokken naar aanleiding van een geding dat betrekking heeft op het Unierecht? Naast dit scenario kan ook worden gedacht aan de mogelijkheid van een door de Commissie ingeleide inbreukprocedure of verdragstoetsing door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM).
Beschikking van 6 oktober 2020, Prokuratura Rejonowa w Słubicach (C-623/18, EU:C:2020:800); arresten van 6 oktober 2021, W.Ż. (Kamer voor bijzondere controle en publieke zaken van de Sąd NajwyŻszy — Benoeming) (C-487/19, EU:C:2021:798, punt 94); 23 november 2021, IS (Onwettigheid van de verwijzingsbeslissing) (C-564/19, EU:C:2021:949, punten 58–66 en 87), en 29 maart 2022, Getin Noble Bank (C-132/20, EU:C:2022:235, punten 67, 92 en 99).
Beschikking van 2 juli 2020, S.A.D. Maler und Anstreicher (C-256/19, EU:C:2020:523), waarbij het Hof de redenering van het arrest Miasto Łowicz heeft hernomen en tegelijkertijd een specifieke motivering heeft gegeven voor het feit dat het derde ontvankelijkheidsscenario niet werd toegepast, hoewel het voorafgaand had vastgesteld dat er geen verband tussen het hoofdgeding en het Unierecht bestond. Zo heeft het Hof er in deze zaak, die betrekking had op de zaakverdeling binnen de rechterlijke instantie, op gewezen dat de verwijzende rechterlijke instantie alle rechtsmiddelen had uitgeput waarover zij beschikte en in het kader van het hoofdgeding geen uitspraak kon doen over de vraag of die zaak haar op rechtmatige wijze was toegewezen. Zie ook arrest van 16 november 2021, Prokuratura Rejonowa w Mińsku Mazowieckim e.a. (C-748/19–C-754/19, EU:C:2021:931, punten 48 en 49), waarin het verband tussen de hoofdgedingen ten gronde (strafprocedures in de fase van de terechtzitting) en het Unierecht niet wordt verduidelijkt, en arrest van 18 mei 2021, Asociaţia ‘Forumul Judecătorilor din România’ e.a. (C-83/19, C-127/19, C-195/19, C-291/19, C-355/19 en C-397/19, EU:C:2021:393, punten 113–121), waarbij in het kader van een hoofdgeding betreffende de verkrijging door een vereniging van rechters van statistische gegevens die in het bezit waren van de gerechtelijke inspectie, een vraag ontvankelijk is verklaard die betrekking had op een procedurele exceptie inzake de hoedanigheid van de opsteller van een verweerschrift.
Arrest van 13 juli 2023, YP e.a. (Opheffing van de immuniteit en schorsing van een rechter) (C-615/20 en C-671/20, EU:C:2023:562, punten 46 en 47), waarbij moet worden opgemerkt dat uit geen enkel element kan worden opgemaakt dat de hoofdgedingen die ten gronde door de verwijzende rechterlijke instantie moesten worden beslecht, betrekking hadden op het Unierecht.
Arresten van 17 februari 2011, Weryński (C-283/09, EU:C:2011:85); 13 juni 2013, Versalis/Commissie (C-511/11 P, EU:C:2013:386), en 11 juni 2015, Fahnenbrock e.a. (C-226/13, C-245/13 en C-247/13, EU:C:2015:383).
Verordening van de Raad van 28 mei 2001 betreffende de samenwerking tussen de gerechten van de lidstaten op het gebied van bewijsverkrijging in burgerlijke en handelszaken (PB 2001, L 174, blz. 1).
Arrest van 17 februari 2011, Weryński (C-283/09, EU:C:2011:85, punt 38). In dat verband is geoordeeld dat het begrip ‘wijzen van haar vonnis’ in de zin van artikel 267, tweede alinea, VWEU aldus moet worden begrepen dat het betrekking heeft op de gehele procedure die leidt tot het vonnis van de verwijzende rechterlijke instantie, zodat het Hof in staat is uitspraak te doen over de uitlegging van de Unierechtelijke procedurevoorschriften die de verwijzende rechterlijke instantie dient toe te passen om haar vonnis te wijzen, ongeacht of de uitlegging van verordening nr. 1206/2001 niet noodzakelijk is ter beslechting van het hoofdgeding (punt 42 van het arrest).
De twijfels van de verwijzende rechter betreffen het mechanisme als zodanig, dat volgens zijn informatie van toepassing is ‘ongeacht of in de betrokken zaak Unierecht wordt toegepast of niet’. Uit de onderhavige procedure blijkt bovendien dat niets de Kroatische rechters in tweede aanleg lijkt te beletten om het Hof krachtens artikel 267 VWEU te verzoeken om een prejudiciële beslissing teneinde het Hof de toepasselijke bepalingen van het Unierecht te laten uitleggen.
Arrest van 2 februari 2023, Spanje e.a./Commissie (C-649/20 P, C-658/20 P en C-662/20 P, EU:C:2023:60, punt 81).
Arrest van 17 november 2022, Avicarvil Farms (C-443/21, EU:C:2022:899, punt 46).
Arrest van 22 februari 2022, RS (Gevolgen van de uitspraken van een grondwettelijk hof) (C-430/21, EU:C:2022:99, punt 64).
Arresten van 7 augustus 2018, Banco Santander en Escobedo Cortés (C-96/16 en C-94/17, EU:C:2018:643), en 22 februari 2022, RS (Gevolgen van de uitspraken van een grondwettelijk hof) (C-430/21, EU:C:2022:99, punt 44), en beschikking van 17 juli 2023, Jurtukała (C-55/23, EU:C:2023:599, punt 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
EHRM, 29 november 2016, Grieks-katholieke parochie Lupeni e.a. tegen Roemenië, (CE:ECHR:2016:1129JUD007694311, §§ 116 en 129). Uit een onderzoek van de verschillende nationale rechtsstelsels binnen de Unie blijkt dat bij gebreke van een precedentenregeling in de zin van de common law veel rechtsorden op het Europese vasteland gebruikmaken van interne mechanismen om de samenhang van de rechtspraak binnen hun rechterlijke instanties te waarborgen.
EHRM, 29 november 2016, Grieks-katholieke parochie Lupeni e.a. tegen Roemenië, (CE:ECHR:2016:1129JUD007694311, § 123). In stelsels die mechanismen bevatten om de samenhang van de rechtspraak bij de behandeling van een bepaalde zaak te waarborgen, voorzien de rechtsorden van de Unie doorgaans in dergelijke mechanismen voor de hoogste rechterlijke instanties, maar binnen de rechterlijke instanties in tweede aanleg bestaan er mechanismen voor verwijzing naar een uitgebreide kamer, zoals dat bijvoorbeeld het geval is in Duitsland voor bestuursrechters in tweede aanleg wanneer deze in laatste aanleg uitspraak doen over een bepaalde kwestie, alsook in Finland.
Volgens de informatie die de Kroatische regering ter terechtzitting heeft verstrekt, moeten ook de herzieningsprocedures die kunnen worden ingesteld bij de Vrhovni sud Republike Hrvatske, als zodanig worden aangemerkt. Voorts heeft de Kroatische regering erop gewezen dat de juridische standpunten van de hogere rechters niet bindend zijn voor de rechters in eerste aanleg.
EHRM, 1 juli 2010, Vusić tegen Kroatië (CE:ECHR:2010:0701JUD004810107); 29 november 2016, Lupeni Greek catholic parish e.a. tegen Roemenië (CE:ECHR:2016:1129JUD007694311), en 23 mei 2019, Sine Tsaggarakis A.E.E. tegen Griekenland (CE:ECHR:2019:0523JUD001725713).
Arrest van 15 juli 2021, Commissie/Polen (Tuchtregeling voor rechters) (C-791/19, EU:C:2021:596, punten 50 en 51; hierna: ‘arrest Commissie/Polen’).
Arrest Commissie/Polen, punt 52.
Zie in die zin arrest van 22 februari 2022, RS (Gevolgen van de uitspraken van een grondwettelijk hof) (C-430/21, EU:C:2022:99, punt 37).
Arrest Commissie/Polen, punt 57 en aldaar aangehaalde rechtspraak.
Arrest Commissie/Polen, punt 58.
Zie in die zin arrest van 19 november 2019, A. K. e.a. (Onafhankelijkheid van de tuchtkamer van de Sąd NajwyŻszy) (C-585/18, C-624/18 en C-625/18, EU:C:2019:982, punten 121–123).
Arrest Commissie/Polen, punt 60.
Arrest van 6 oktober 2021, W.Ż. (Kamer voor bijzondere controle en publieke zaken van de Sąd NajwyŻszy — Benoeming) (C-487/19, EU:C:2021:798, punt 117).
EHRM, 22 december 2009, Parlov-Tkalčić tegen Kroatië (CE:ECHR:2009:1222JUD002481006, §§ 86–88).
Het staat uiteindelijk aan de verwijzende rechterlijke instantie om zich na het verrichten van de vereiste beoordelingen hierover uit te spreken. Er moet immers in herinnering worden gebracht dat artikel 267 VWEU het Hof niet de bevoegdheid verleent om de bepalingen van het Unierecht op een concreet geval toe te passen, maar enkel om uitspraak te doen over de uitlegging van de Verdragen en de handelingen van de instellingen van de Unie. Volgens vaste rechtspraak kan het Hof echter in het kader van de gerechtelijke samenwerking waarin dat artikel voorziet, op grond van de gegevens van het dossier de nationale rechter de elementen met betrekking tot de uitlegging van het Unierecht verschaffen, die voor deze rechter van waarde kunnen zijn bij de beoordeling van het effect van deze of gene bepaling van dat recht [arrest van 19 november 2019, A. K. e.a. (Onafhankelijkheid van de tuchtkamer van de Sąd NajwyŻszy) (C-585/18, C-624/18 en C-625/18, EU:C:2019:982, punt 132)].
De Kroatische regering verwijst in de punten 42 en 43 van haar opmerkingen naar beschikkingen van de Ustavni sud (grondwettelijk hof, Kroatië) waarin wordt gepreciseerd dat over de vraag of aan de voorwaarden voor toepassing van de juridische standpunten is voldaan, wordt beslist door de rechters zelf, die in de betrokken zaak autonoom en onafhankelijk uitspraak doen en het recht en de plicht hebben om alle aspecten van de zaak die zij behandelen te motiveren, met inbegrip van de vraag of een bindend juridisch standpunt al dan niet van toepassing is op de vastgestelde rechtsgrondslag van het beroep.
Arrest van 6 maart 2018, Achmea (C-284/16, EU:C:2018:158, punten 35 en 37).
Zie in die zin arrest van 9 september 2015, Ferreira da Silva e Brito e.a. (C-160/14, EU:C:2015:565, punt 37).
Zie in die zin arresten van 16 juli 2015, CHEZ Razpredelenie Bulgaria (C-83/14, EU:C:2015:480, punt 71), en 5 april 2016, PFE (C-689/13, EU:C:2016:199, punt 33). Het is waar dat in bepaalde zaken waarin de betrokken regeling zeer precies/technisch is, de scheidslijn tussen de begrippen uitlegging en toepassing van de rechtsregel moeilijk te trekken kan zijn. Mijns inziens kan de verenigbaarheid van het Kroatische mechanisme rechtens evenwel niet worden beoordeeld op de uitsluitende grond dat een aantal zaken, wat de feiten ervan betreft, bijzonderheden vertonen die de relevantie van het betrokken conceptuele onderscheid niet volledig teniet kunnen doen.
Het feit dat de leden van een rechtsprekende instantie geen punt op de agenda van de afdelingsvergadering kunnen laten plaatsen kan de onafhankelijkheid van deze rechters niet tot nul reduceren, zoals de verwijzende rechter vermeldt.
Ook deze formulering is bijzonder veelzeggend.
Deze vaststelling komt mijns inziens tegemoet aan het feit dat de verwijzende rechter de door de registratierechter bij de uitoefening van zijn bevoegdheden gemaakte keuze van zaken in twijfel trekt, waarbij hij meer in het bijzonder aangeeft dat de betrokkene in het dossier van zaak C-727/21 niet echt een inconsistentie in de rechtspraak heeft vastgesteld.
Ik wijs erop dat uit het dossier dat in zaak C-727/21 aan het Hof is voorgelegd, voortvloeit dat de registratierechter die de brief van 23 juni 2021 heeft geschreven waarin de aangezochte formatie werd gevraagd haar standpunt te heroverwegen, een van de 28 aanwezige rechters was van de 31 rechters waaruit de betrokken afdeling is samengesteld, zoals blijkt uit de notulen van die vergadering.
Er zij aan herinnerd dat de nationale rechter die de hem door artikel 267, tweede alinea, VWEU geboden mogelijkheid heeft benut, voor de beslechting van het hoofdgeding gebonden is aan de door het Hof gegeven uitlegging van de bepalingen in kwestie en de door de hogere rechter verrichte beoordelingen in voorkomend geval moet negeren indien deze volgens hem gelet op die uitlegging in strijd zijn met het Unierecht [beschikking van 17 juli 2023, Jurtukała (C-55/23, EU:C:2023:599, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak)].
Arrest Commissie/Polen, punten 203 en 205.
Arrest van 26 maart 2020, Heroverweging Simpson/Raad en HG/Commissie (C-542/18 RX-II en C-543/18 RX-II, EU:C:2020:232, punt 73 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Arrest van 6 oktober 2021, W.Ż. (Kamer voor bijzondere controle en publieke zaken van de Sąd NajwyŻszy — Benoeming) (C-487/19, EU:C:2021:798, punt 124 onder verwijzing naar EHRM, 1 december 2020, Ástráðsson tegen IJsland, CE:ECHR:2020:1201JUD002637418, §§ 231 en 233).
Zie naar analogie arrest van 6 oktober 2021, W.Ż. (Kamer voor bijzondere controle en publieke zaken van de Sąd NajwyŻszy — Benoeming) (C-487/19, EU:C:2021:798, punt 125 onder verwijzing naar EHRM, 1 december 2020, Ástráðsson tegen IJsland, CE:ECHR:2020:1201JUD002637418, §§ 227 en 232).
Arrest van 26 maart 2020, Heroverweging Simpson/Raad en HG/Commissie (C-542/18 RX-II en C-543/18 RX-II, EU:C:2020:232, punt 71).
Zie naar analogie arrest Commissie/Polen, punt 171.
Punt 11 van de opmerkingen van de Kroatische regering.
Vermeldenswaard is dat het Hof bij het arrest van 26 maart 2020, Heroverweging Simpson/Raad en HG/Commissie (C-542/18 RX-II en C-543/18 RX-II, EU:C:2020:232), heeft geoordeeld dat de onregelmatigheden in de procedure voor de benoeming van een rechter geen inbreuk vormen op het beginsel van de bij wet aangewezen rechter, dat overeenkomt met het vereiste van een gerecht dat bij de wet is ingesteld, aangezien deze niet als een schending van de fundamentele regels van die procedure kunnen worden beschouwd. Zoals een auteur opmerkt, heeft het Hof hiermee de reikwijdte van bovengenoemd vereiste beperkt (zie Dero-Bugny, D., ‘Le principe du juge légal en droit de l'Union européenne’, Journal du droit européen, blz. 154, 2022).
Zie in die zin arrest van 22 februari 2022, RS (Gevolgen van de uitspraken van een grondwettelijk hof) (C-430/21, EU:C:2022:99, punten 38 en 43).
Arrest van 5 juni 2023, Commissie/Polen (Onafhankelijkheid en privéleven van rechters) (C-204/21, EU:C:2023:442).
Conclusie van advocaat-generaal Bobek in de zaken Asociaţia ‘Forumul Judecătorilor din România’ e.a. (C-83/19, C-127/19, C-195/19, C-291/19 en C-355/19, EU:C:2020:746, punt 230).
EHRM, 28 april 2009, Savino e.a. tegen Italië (CE:ECHR:2009:0428JUD001721405, § 94), aangehaald in het arrest Commissie/Polen, punt 168.
EHRM, 18 december 2008, Unédic tegen Frankrijk (CE:ECHR:2008:1218JUD002015304, § 74); 29 november 2016, Lupeni Greek catholic parish e.a. tegen Roemenië (CE:ECHR:2016:1129JUD007694311, § 116), en 20 oktober 2011, Nejdet Sahin en Perihan Sahin (CE:ECHR:2011:1020JUD001327905, § 58).