Einde inhoudsopgave
Speaking the same language (AN nr. 181) 2023/4.3.10
4.3.10 Verruiming bescherming van opvolgende verkrijgers te goeder trouw bij een ‘breach of trust’
mr. K.R. Filesia, datum 25-09-2023
- Datum
25-09-2023
- Auteur
mr. K.R. Filesia
- JCDI
JCDI:ADS717397:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie paragraaf 3.3.9.2.4.
M.F. Murray, De Parlementaire Geschiedenis van het Curaçaose Burgerlijk Wetboek: Tekst en toelichting op het Burgerlijk Wetboek, Den Haag: Bju 2016, p. 756-757. Vgl. ook: W.H.M. Reehuis & E.F. Verheul, Bescherming tegen beschikkingsonbevoegdheid (Monografieën BW nr. B6d), Deventer: Kluwer 2022, nrs. 28 t/m 35.
Het bepaalde in art. 4:168 lid 2 BWC dient in casu als inspiratiebron met dien verstande dat in dit specifieke geval de vierde-verkrijger naast de goede trouw – evenals in het Anglo-Amerikaanse recht – tevens anders dan om niet moet hebben verkregen. Zie in dit kader ook: M.F. Murray, De Parlementaire Geschiedenis van het Curaçaose Burgerlijk Wetboek: Tekst en toelichting op het Burgerlijk Wetboek, Den Haag: Bju 2016, p. 1173-1174; Vgl. ook: M.J.A. van Mourik e.a. (red.), Handboek Erfrecht, Deventer: Kluwer 2020, p. 622-623; S. Perrick, Mr. C. Assers Handleiding tot de beoefening van het Nederlands Burgerlijk Recht. 4. Erfrecht en schenking, Deventer: Wolters Kluwer 2021, nr. 738.
Een vierde of opvolgende verkrijger die een trustgoed te goeder trouw en anders dan om niet heeft verkregen van een derde-verkrijger die niet te goeder trouw is, wordt in het huidige Curaçaose trustrecht voor wat betreft een overdracht anders dan waarop art. 3:86 BWC van toepassing is, niet beschermd tegen een ongeldige eigendomsoverdracht ex art. 3:88 lid 1 BWC.1 Krachtens het bepaalde in art. 3:88 BWC wordt enkel derdenbescherming geboden aan een derde-verkrijger indien de beschikkingsonbevoegdheid het gevolg is van de ongeldigheid van een eerdere overdracht die veroorzaakt is door een titel- of leveringsgebrek.2 Bij een ‘breach of trust’ vloeit de beschikkingsonbevoegdheid van de rechthebbende echter voort uit een gebrek in de beschikkingsonbevoegdheid van een eerdere overdracht. Het ontbreken van wettelijke bescherming van de opvolgende verkrijger die te goeder trouw en anders dan om niet heeft verkregen, leidt ertoe dat de (potentiële) begunstigden ondanks de goede trouw van de opvolgende verkrijger, de hun ter beschikking staande remedies kunnen aanwenden met het verlies van het betreffende trustgoed voor de opvolgende verkrijger tot gevolg. Om in de voornoemde leemte in de wet te voorzien, moet de Curaçaose wetgever wettelijk bepalen dat de ongeldigheid van beschikking door de rechthebbende als bedoeld in art. 3:88 BWC die voortvloeit uit het effect van het trustverband, niet in de weg staat aan de geldigheid van een latere overdracht daarvan indien de derde-verkrijger te goeder trouw is en anders dan niet heeft verkregen.3