Voorlopige hechtenis in het Nederlandse jeugdstrafrecht
Einde inhoudsopgave
Voorlopige hechtenis in het Nederlandse jeugdstrafrecht (Meijers-reeks) 2017/10.5:10.5 Conclusies
Voorlopige hechtenis in het Nederlandse jeugdstrafrecht (Meijers-reeks) 2017/10.5
10.5 Conclusies
Documentgegevens:
mr. drs. Y.N. van den Brink, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. drs. Y.N. van den Brink
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Met de uiteenzettingen in de voorgaande paragrafen van dit hoofdstuk is in feite reeds antwoord gegeven op de vraagstelling die in het onderhavige onderzoek centraal staat. Duidelijk is geworden dat de voorlopige hechtenis uiteenlopende functies en schaduwfuncties vervult en daarmee een belangrijke positie inneemt in het functioneren van het Nederlandse jeugdstrafrechtssysteem. Tegelijkertijd is vastgesteld dat de bescherming van minderjarige verdachten tegen onrechtmatige en willekeurige toepassing van voorlopige hechtenis binnen dit systeem niet optimaal is gewaarborgd. Niet is gegarandeerd dat voorlopige hechtenis van minderjarigen structureel enkel op legitieme gronden en slechts als uiterste maatregel en voor de kortst mogelijke duur wordt toegepast. Zoals is beschreven, zijn oorzaken hiervan gelegen op verschillende niveaus: het wettelijke kader, de rechterlijke besluitvorming en het stelsel en de organisatie van instanties en voorzieningen in de voorlopige hechtenispraktijk. Om die reden zijn in het bovenstaande op deze verschillende niveaus aanbevelingen gedaan om tegemoet te komen aan de eisen die het IVRK, IVBPR, EVRM en andere kinder- en mensenrechtenstandaarden stellen aan een rechtmatige en niet-willekeurige toepassing van voorlopige hechtenis van minderjarigen, waarbij onder meer een model voor een nieuw wettelijk kader voor voorlopige hechtenis uit de doeken is gedaan.
In deze concluderende paragraaf verdient het voornaamste ‘onderzoekssubject’ van deze studie bijzondere aandacht: de rechter-commissaris en raadkamerrechter. Steeds weer staan zij voor de complexe en delicate taak gesteld om een beslissing te nemen over de voorlopige hechtenis van een minderjarige verdachte. Het praktijkonderzoek heeft laten zien hoe rechters, binnen de kaders van de wet en de praktische mogelijkheden en beperkingen en met inachtneming van de uiteenlopende belangen, ingrijpende beslissingen moeten nemen over een minderjarige die wordt verdacht van een strafbaar feit, maar die veelal ook problemen kent op andere onderdelen van zijn leven. Niet zelden lijken rechters bij het nemen van deze beslissing te laveren tussen het ‘juridisch rechtmatige’ en het ‘pedagogisch wenselijke’. Dit kan een ingewikkeld spanningsveld opleveren, aangezien wat volgens de rechter vanuit pedagogisch oogpunt de meest wenselijke beslissing is niet per definitie ook vanuit juridisch oogpunt een rechtmatige beslissing is en vice versa.
Dit spanningsveld is exemplarisch voor het ambivalente karakter van het Nederlandse jeugdstrafrecht als een klassiek schuldstrafrecht, doch met een nadrukkelijke pedagogische invalshoek, waarbij de verhouding tussen juridische en pedagogische beginselen niet altijd probleemloos is. Hoe deze ‘beginselen’ in dergelijke gevallen worden afgewogen, verschilt per zaak, maar is ook sterk afhankelijk van de opvattingen van de betreffende rechter over de functie van voorlopige hechtenis en de schorsing onder voorwaarden, die op hun beurt niet los kunnen worden gezien van de visie van de rechter op het karakter en de doelstellingen van het jeugdstrafrecht. Bovendien blijken rechters zeer uiteenlopende opvattingen te kunnen hebben over welke aanpak ‘pedagogisch wenselijk’ c.q. ‘effectief’ is. Dit resulteert in een gedifferentieerde voorlopige hechtenispraktijk, waarin beslissingen over de voorlopige hechtenis en de schorsing onder voorwaarden van minderjarige verdachten sterk afhankelijk kunnen zijn van de opvattingen van de rechter die deze beslissingen neemt.
Gelet op het ingrijpende karakter van voorlopige hechtenis van een minderjarige verdachte en de mogelijk verstrekkende gevolgen daarvan voor het verdere verloop van zijn strafzaak en zijn toekomst daarna, is het evenwel cruciaal dat structureel wordt gewaarborgd dat minderjarigen worden beschermd tegen onrechtmatige en willekeurige toepassing van voorlopige hechtenis. Dit betekent dat de pedagogische invalshoek van het jeugdstrafrecht weliswaar kan of zelfs moet doorwerken in de wijze waarop wordt omgegaan met voorlopige hechtenis van minderjarigen, maar dat daarbij te allen tijde de rechtswaarborgen uit zowel het wettelijke kader als uit het internationale en Europese kader van kinder- en mensenrechten in acht moeten worden genomen. Het in paragraaf 10.2 weergegeven besluitvormingsschema beoogt de rechter hiervoor handvatten aan te reiken.
Rechterlijke besluitvorming staat echter nooit op zichzelf, want kan niet los worden gezien van het wettelijke kader, de dynamiek die ontstaat door interacties tussen verschillende actoren en de context van praktische mogelijkheden en beperkingen waarbinnen de beslissing van de rechter vorm moet krijgen. Het is dan ook de verantwoordelijkheid van de wetgever, beleidsmakers en de betrokken professionele actoren uit de praktijk om zich te bezinnen op het ontwikkelen van respectievelijk een wettelijk systeem en een stelsel van instanties en voorzieningen waarmee de condities worden geschapen voor een praktijk waarin is gewaarborgd dat voorlopige hechtenis van minderjarigen op een rechtmatige en niet-willekeurige wijze en enkel als uiterste maatregel en voor de kortst mogelijke duur wordt toegepast. Hiervoor zijn in het bovenstaande alvast enkele concrete handreikingen gedaan.