Vgl. HR 4 november 2011 (LJN: BQ4182), NJ 2012/172 m.nt. H.B. Krans; HR 16 maart 2012 (LJN: BU7361).
HR, 10-08-2012, nr. 12/00756
ECLI:NL:HR:2012:BW8708
- Instantie
Hoge Raad (Civiele kamer)
- Datum
10-08-2012
- Zaaknummer
12/00756
- Conclusie
Mr. F.F. Langemeijer
- LJN
BW8708
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Burgerlijk procesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:PHR:2012:BW8708, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 10‑08‑2012
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BW8708
ECLI:NL:HR:2012:BW8708, Uitspraak, Hoge Raad (Civiele kamer), 10‑08‑2012; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2012:BW8708
- Vindplaatsen
Conclusie 10‑08‑2012
Mr. F.F. Langemeijer
Partij(en)
12/00756
Mr. F.F. Langemeijer
- 1.
juni 2012
Conclusie inzake:
- 1.
[Eiseres 1]
- 2.
[Eiser 2]
- 3.
[Eiseres 3]
tegen
de gezamenlijke erfgenamen van [betrokkene 1]
1.
Bij dagvaarding van 1 februari 2012 hebben eisers tot cassatie (hierna: [eiser] c.s.) beroep in cassatie ingesteld tegen het arrest van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 1 november 2011. De zaak is op 24 februari 2012 voor de eerste maal ter terechtzitting van de Hoge Raad uitgeroepen. Gedaagden in cassatie, de gezamenlijke erfgenamen van [betrokkene 1], zijn niet verschenen. Op 23 maart 2012 is tegen hen verstek verleend.
2.
Op 5 maart 2012 heeft de griffie van de Hoge Raad aan de advocaat van [eiser] c.s. een nota griffierecht verzonden, met daarin de mededeling dat het bedrag van € 728,- uiterlijk 23 maart 2012 op de bankrekening van de Hoge Raad dient te zijn bijgeschreven en dat niet of niet tijdige betaling van het griffierecht tot gevolg heeft dat de dagvaarding in beginsel niet inhoudelijk in behandeling wordt genomen. De griffie heeft geconstateerd dat het griffierecht niet binnen de gestelde termijn is betaald en heeft op 30 maart 2012 een aanmaning gestuurd met daarin de mededeling dat het verschuldigde bedrag binnen 14 dagen na dagtekening alsnog dient te zijn betaald. Het griffierecht is op 4 april 2012 voldaan. [Eiser] c.s. zijn in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de niet tijdige betaling.
3.
Ingevolge artikel 3 lid 3 Wet griffierechten burgerlijke zaken (Wgbz) behoorden [eiser] c.s. ervoor zorg te dragen dat het verschuldigde griffierecht binnen vier weken na uitroeping van de zaak ter terechtzitting was bijgeschreven op de rekening van de griffier van de Hoge Raad dan wel ter griffie van de Hoge Raad was gestort. De wettelijke betalingstermijn liep af op 23 maart 2012. [Eiser] c.s. hebben het griffierecht eerst op 4 april 2012 en derhalve niet binnen de wettelijke termijn voldaan. Artikel 409a lid 2 Rv bepaalt dat de niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep hiervan de consequentie is.1.
4.
Art. 127a lid 3 in verbinding met art. 409a lid 3 Rv biedt een mogelijkheid om deze sanctiebepaling buiten toepassing te laten indien de rechter van oordeel is dat de toepassing van die bepaling, gelet op het belang van een of meer van de partijen bij toegang tot de rechter, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard (de zgn. 'hardheidsclausule'). Bij akte uitlating van 4 mei 2012 heeft de advocaat van [eiser] c.s. zich primair op het standpunt gesteld dat de Wet griffierechten burgerlijke zaken in strijd is met het EVRM. Subsidiair heeft de advocaat kennelijk beoogd een beroep op de hardheidsclausule te doen. Ter adstructie van dit beroep heeft hij gewezen op de op 30 maart 2012 verzonden aanmaning, waarin is meegedeeld dat binnen 14 dagen na dagtekening alsnog dient te zijn betaald. Volgens hem is de wettelijke betalingstermijn daarmee verlengd tot 14 april 2012.
5.
Wat betreft de primair opgeworpen stelling geldt het volgende. De in art. 6 lid 1 EVRM geregelde vrijheid van toegang tot de rechter, waarop de advocaat van [eiser] c.s. kennelijk het oog heeft, is niet absoluut, nu de overheid aan die vrijheid beperkingen mag stellen die bij wet zijn voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk zijn ter bereiking van een gerechtvaardigd doel. Griffierechten worden geheven ter bestrijding van de voor de overheid aan rechtspraak verbonden kosten en, als het gaat om griffierechten voor hoger beroeps- en cassatie-instanties, tevens als financiële prikkel gericht op het voorkomen van onnodig gebruik van de rechtspraak. Dat is als een gerechtvaardigd doel aan te merken. De heffing van griffierechten is weliswaar te beschouwen als een beperking van het recht op toegang tot de rechter, maar die beperking is niet onverenigbaar met artikel 6 EVRM, zolang het daardoor gegarandeerde recht niet in zijn kern wordt aangetast.2. De algemeen geformuleerde stelling dat de Wet griffierechten burgerlijke zaken in strijd is met het EVRM is dan ook onjuist. Voorts is gesteld noch gebleken dat het recht op toegang tot de cassatierechter in dit specifieke geval in de kern is aangetast. In elk geval op 4 april 2012 waren [eiser] c.s. in staat het verschuldigde griffierecht van € 728,- te voldoen. Uit niets volgt dat tijdige betaling voor hen niet mogelijk zou zijn geweest.
6.
Ten aanzien van de subsidiaire stelling geldt in de eerste plaats dat de advocaat door wie partijen in cassatie in alle gevallen worden vertegenwoordigd, op grond van zijn deskundigheid en kennis ten aanzien van de procedure in cassatie zonder meer geacht moet worden op de hoogte te zijn van de termijn voor betaling en van de verstrekkende gevolgen die de wet verbindt aan overschrijding daarvan (vgl. HR 4 november 2011 (LJN: BU3348), NJ 2012/170 m.nt. H.B. Krans en HR 4 november 2011 (LJN: BQ7045), NJ 2012/171 m.nt. H.B. Krans3.. Nochtans is in rov. 3.4 van de eerstgenoemde beschikking overwogen dat er aanleiding bestaat toepassing te geven aan de hardheidsclausule in zaken waarin, naar de Hoge Raad bekend is, door de met de inning van griffierechten in cassatie belaste gerechtelijke administratie stelselmatig van de wettelijke regeling afwijkende mededelingen zijn gedaan met betrekking tot de termijn waarbinnen het verschuldigde griffierecht moet zijn voldaan op straffe van niet-ontvankelijkheid van het beroep. Anders dan de advocaat van [eiser] c.s. veronderstelt, kan deze redenering in dit geval niet worden toegepast. De op 5 maart 2012 aan de advocaat verzonden nota houdt niet een van de wet afwijkende mededeling in. De daarin genoemde uiterste datum voor betaling - 23 maart 2012 - is de datum die volgt uit toepassing van de in art. 3 lid 3 Wgbz genoemde termijn. [Eiser] c.s. hebben deze termijn ongebruikt laten verstrijken. De niet tijdige betaling is niet te wijten aan verwarringwekkende informatie van de gerechtelijke administratie. De op 30 maart 2012 door de griffie verzonden aanmaning, met mededeling dat het verschuldigde bedrag binnen 14 dagen na dagtekening dient te worden betaald, houdt geen mededeling in over een alsnog geboden gelegenheid om het griffierecht te betalen zonder te hoeven vrezen voor een niet-ontvankelijkverklaring van het beroep wegens te late betaling. Gesteld noch gebleken is dat van de zijde van de Hoge Raad of zijn griffie anderszins mededelingen van die strekking zijn gedaan of een dergelijke suggestie is gewekt. Het beroep op de hardheidsclausule moet dan ook falen.
Conclusie
De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
a. - g.
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 10‑08‑2012
Vgl. HR 27 januari 2012 (LJN: BV2020), NJ 2012/201 onder verwijzing naar de alinea's 2.11 - 2.14 van de conclusie voor HR 8 juli 2011 (LJN: BQ3883), NJ 2012/169 m.nt. H.J. Snijders.
Zie nadien nog: HR 10 februari 2012 (LJN: BV3556) en HR 10 februari 2012 (LJN: BU9900).
Uitspraak 10‑08‑2012
Partij(en)
10 augustus 2012
Eerste Kamer
12/00756
EE/LZ
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
1. [Eiseres 1],
gevestigd te [vestigingsplaats],
2. [Eiser 2],
wonende te [woonplaats],
3. [Eiseres 3],
wonende te [woonplaats],
EISERS tot cassatie,
advocaat: mr. J. Groen,
t e g e n
De gezamenlijke erfgenamen van [betrokkene 1],
laatstelijk wonende te [woonplaats],
VERWEERDERS in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] c.s. en de erfgenamen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
- a.
het vonnis in de zaak 153395/HA ZA 07-166 van de rechtbank te 's-Hertogenbosch van 17 september 2008;
- b.
het arrest in de zaak HD 200.022.215 van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 1 november 2011.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof hebben [eiser] c.s. beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het door [eiser] c.s. verschuldigde griffierecht is op 4 april 2012 door de Hoge Raad ontvangen.
Aan de advocaat van [eiser] c.s. is verzocht zich schriftelijk uit te laten over de vraag waarom het griffierecht niet binnen de wettelijke betalingstermijn is bijgeschreven op rekening van de Hoge Raad en de rechtsgevolgen daarvan.
De advocaat van [eiser] c.s. heeft bij akte van 4 mei 2012 een reactie ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep.
3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het cassatieberoep
3.1
Ingevolge art. 3 lid 3 Wgbz dienden [eiser] c.s. het verschuldigde griffierecht binnen 4 weken na uitroeping van de zaak ter terechtzitting en derhalve uiterlijk op 23 maart 2012 te voldoen. Aangezien het griffierecht eerst op 4 april 2012 - en dus niet binnen de wettelijke termijn - is voldaan, is het cassatieberoep ingevolge art. 409a lid 2 Rv. niet-ontvankelijk.
3.2
Bij akte van 4 mei 2012 heeft de advocaat van [eiser] c.s. zich primair op het standpunt gesteld dat de Wet griffierechten burgerlijke zaken in strijd is met art. 6 EVRM. Subsidiair heeft hij kennelijk een beroep gedaan op de hardheidsclausule van art. 127a lid 3 in verbinding met art. 409a lid 3 Rv. Daartoe heeft hij aangevoerd dat in de aanmaning van 30 maart 2012 is medegedeeld dat binnen 14 dagen na dagtekening alsnog dient te worden betaald, waardoor de wettelijke betalingstermijn is verlengd tot 14 april 2012.
3.3
Het primaire betoog dient te worden verworpen op de gronden vermeld in HR 27 januari 2012, LJN BV2020, NJ 2012/201.
3.4
Het subsidiaire beroep op de hardheidsclausule treft, op de gronden als vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 6, evenmin doel.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart [eiser] c.s. niet-ontvankelijk in hun beroep;
veroordeelt [eiser] c.s. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de erfgenamen begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, C.A. Streefkerk en M.A. Loth, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer J.C. van Oven op 10 augustus 2012.