NJB 2023/2703:Het ‘nodige initiatief’-vereiste uit rechtspraak post-Keskin over getuigenverzoeken, art. 6 EVRM: in gevallen waarin de rechter voor het bewijs gebruik wil maken van een door een getuige afgelegde verklaring, terwijl de verdediging – ondanks het nodige initiatief – niet een behoorlijke en effectieve mogelijkheid heeft gehad om ten aanzien van die getuige het ondervragingsrecht uit te oefenen, moet de rechter nagaan of het proces als geheel eerlijk is verlopen. Het vereiste dat de verdediging het ‘nodige initiatief’ neemt, houdt in dat de verdediging de wens kenbaar maakt dat zij het ondervragingsrecht wil uitoefenen en dat zij daartoe een stellig en duidelijk verzoek doet tot het oproepen en horen van een concreet aangeduide persoon als getuige. Behoudens bijzondere situaties zoals het overlijden van de getuige, is pas sprake van het ‘nodige initiatief’ als het betreffende getuigenverzoek tegenover de zittingsrechter en dus op de terechtzitting is gedaan. Hieruit volgt dat het voor het ‘nodige initiatief’ doorgaans niet volstaat dat een getuigenverzoek – zoals in casu het geval is – uitsluitend voorafgaand aan de aanvang van het onderzoek ter terechtzitting bij de rechter-commissaris of de raadsheer-commissaris is gedaan.