Einde inhoudsopgave
Bewijsrechtelijke verhoudingen verzekeringsrecht (Verzekeringsrecht) 2008/5.2.3.2
5.2.3.2 De stelplicht en bewijslast in het kader van de belangenbenadeling
prof.mr. N. van Tiggele-van der Velde, datum 26-05-2008
- Datum
26-05-2008
- Auteur
prof.mr. N. van Tiggele-van der Velde
- JCDI
JCDI:ADS360639:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Asser/Clausing & Wansink 2007, nr. 231. Opgemerkt zij dat de eis van een geschaad zijn in een redelijk belang gelet op het bepaalde in 7:941 lid 5 - en de ontwikkeling die de Raad van Toezicht heeft doorgemaakt en het belang dat de Hoge Raad in zijn uitspraak van 3 december 2004, NJ 2005, 160, daaraan hecht - niet geldt indien de verzekerde zijn verplichting niet is nagekomen met het opzet tot misleiding. Anders: Hof Den Haag 4 februari 1977, NJ 1978, 264, r.o. 5: beroep op uitsluiting in de polisvoorwaarden door - naar in de procedure aangenomen werd: welbewust en om onoorbare redenen - niet nakomen van de polisverplichtingen is niet toegestaan, nu niet in een redelijk belang is geschaad.
Nadere MvA, Kamerstukken I 2004-/2005, 19 529, E, p. 10.
Onder de factor 'oorzaak' schaar ik voor de leesbaarheid naast het onderzoek naar de feiten/omstandigheden die van belang zijn voor de dekkingsvraag, ook die feiten/omstandigheden die onderzocht dienen te worden voor de beantwoording van de vraag of in het kader van een aansprakelijkheidsverzekering verzekerde aansprakelijk is voor de geleden schade.
Scheltema/Mijnssen 1998, nr. 6.10.
Rolnr. 99/425, n.g.
Terminologie ontleend aan Giesen 2001, p. 13.
Rb. Leeuwarden 16 juni 2004, zaak-/rolnr. 58584/HA ZA 03-407, n.g.
In de procedure stond vast dat een deel van pijpen lekte (beschadigd was). Verzekerde is in de procedure toegelaten tot het bewijs dat ook de andere pijpen daadwerkelijk beschadigd waren.
Het komt dus steeds erop neer dat de verzekeraar - in de woorden van Clausing en Wansink - op het concrete geval toegesneden feiten en omstandigheden zal moeten aandragen die het vermoeden rechtvaardigen dat het missen van de mogelijkheid tot het doen van een zelfstandig onderzoek en tot het verzamelen van feiten en omstandigheden, de verzekeraar ook daadwerkelijk in een ongunstiger positie heeft gebracht.1
In de parlementaire behandeling van titel 7.17 BW klinkt deze opvatting ook door, zij het heel laat in de Nadere memorie van antwoord aan de Eerste kamer:
'Bij toepassing van het in verzekeringsovereenkomsten gehanteerde alternatief, het verval van het recht op uitkering, is van belang dat deze sanctie een ingrijpend karakter heeft. Dat brengt mee dat aan het vereiste dat de verzekeraar in een redelijk belang is geschaad niet is voldaan door het enkele feit dat de verzekeraar door de niet-nakoming of niet-tijdige nakoming van de meldings- en inlichtingenplicht de mogelijkheid is onthouden om tijdig zelfstandig onderzoek te doen en om feiten en omstandigheden te verzamelen die van belang kunnen zijn voor de dekkingsvraag.'2
Vervolgens gaat de minister in de uitwerking in op de voor de rechtspraktijk zo belangwekkende stelplicht en bewijslast in het kader van de belan-genbenadeling, waarbij hij - met recht - ook het onderscheid aanstipt tussen enerzijds de factor 'oorzaak van de schade'3 en anderzijds de factor 'omvang van de schade':
'Ten aanzien van de stelplicht (en vervolgens zonodig de bewijslast) in dit verband zou ik er voorshands van willen uitgaan dat het aan de verzekeraar die zich beroept op een beding als bedoeld in lid 4 is om te stellen dat niet is voldaan aan de meldings- en inlichtingenplicht, alsmede - zoals lid 4 dwingendrechtelijk als voorwaarde stelt - dat hij daardoor geschaad is in een redelijk belang, zoals met name het nauwkeurig vaststellen van de door de verzekerde geleden schade. In beginsel zal het vervolgens aan de verzekerde zijn om daartegenover aan te voeren dat de schade niettemin kan worden vastgesteld, zodat het beroep op lid 4 dient te worden gepasseerd. Het zou te ver gaan om van de verzekeraar te vergen dat hij stelt en zo nodig ook bewijst dat de benodigde gegevens niet langs andere weg kunnen worden verkregen. Het is immers aan de verzekeringnemer en/of de verzekerde te wijten dat de verzekeraar de benodigde gegevens niet heeft kunnen verzamelen op de reguliere wijze van een schadevaststelling en toedrachtsonderzoek naar aanleiding van een onverwijlde melding en correcte verstrekking van inlichtingen.'
Met recht benadrukt de minister het uitgangspunt bij het beroep op de late melding en - in het verlengde daarvan - de belangenbenadeling, dat de verzekeraar deze dient te stellen en zonodig bewijzen. Het is immers de verzekeraar die zich beroept op een omstandigheid waardoor hij niet tot vergoeding van de schade is gehouden.4
Dat sluit ook aan bij de jurisprudentie op dit punt. Hof Den Haag verwoordt het in zijn arrest van 19 juni 1991 als volgt:
'Uitgangspunt is dat een beroep op de sanctie van verval van elk recht op uitkering slechts gerechtvaardigd wordt geacht indien de verzekeraar aantoont dat hij door het verzuim van de verzekerde in enig redelijk belang is geschaad. De rechtbank heeft derhalve terecht de bewijslast bij verzekeraar gelegd.
Voor zover verzekeraar bedoelt te betogen dat in de vaststaande feiten zoveel aanwijzingen zijn te vinden voor haar stelling dat zij in dezen in enig redelijk belang is geschaad dat dit tot op tegenbewijs vaststaat gaat dit betoog niet op. Verzekerde heeft de stellingen en standpunten van verzekeraar op dit punt gemotiveerd betwist en er zijn naar het oordeel van het hof onvoldoende concrete en op het geval toegespitste feiten en omstandigheden vast komen te staan, die het oordeel rechtvaardigen dat door de te late melding en/of de onvolledige informatieverstrekking verzekeraar daadwerkelijk in een ongunstiger positie is gekomen en in enig redelijk belang is geschaad.
Naar het oordeel van het hof is er tot slot in dezen ook geen aanleiding om in afwijking van de in art. 177 Rv. (thans: 150 Rv, NvT) neergelegde hoofdregel, op grond van de redelijkheid en billijkheid de bewijslast bij de verzekerde te leg-gen.'5
Het Hof heeft dus vast willen houden aan de hoofdregel. Rechtbank Leeuwarden doet dat ook in haar vonnis van 16 juni 2004, zij het dat zij 'meegaat' met de verzekeraar door de verzekeringnemer tegenbewijs te laten leveren tegen het vermoeden van een belangenbenadeling. Daarmee ligt de bewijsvoeringslast6 bij de partij die in principe niet het bewijsrisico draagt (en wordt niet gederogeerd aan de hoofdregel van art. 150 Rv):
'Met betrekking tot de vier ziektegevallen waarvan het herstel meer dan drie maanden heeft gevergd is de rechtbank van oordeel dat hetgeen [verzekeraar] in dat verband naar voren heeft gebracht het vermoeden rechtvaardigt dat zij door de niet tijdige aanmelding van die gevallen en het daardoor missen van mogelijkheden om aldus ten aanzien van die gevallen het herstel te bespoedigen, door het realiseren van aanpassingen op de werkplaats, begeleiding bij de rouwverwerking en het aanbieden van therapieën, in een ongunstiger positie is gebracht dan bij tijdige melding het geval was geweest. De bewerking van [verzekerde werkgever] dat [verzekeraar] na de - ontijdige - aanmelding in die gevallen ook niets heeft ondernomen en in het verleden door [verzekeraar] geen invulling is gegeven aan haar preventieve belang, kan voormeld vermoeden niet ontzenuwen, omdat [verzekeraar] juist in die gevallen het recht op uitkering aan [verzekerde werkgever] had ontzegd en [verzekeraar] dus ook niet meer gehouden was in die gevallen maatregelen te treffen.
Het voorgaande betekent dat het thans op de weg van [verzekerde werkgever] ligt tegenbewijs te leveren tegen voormeld vermoeden.'7
Een andere zaak waarin de bewijslast nadrukkelijk aan de orde gesteld is, is die welke heeft geleid tot het vonnis van de Rechtbank Rotterdam van 21 januari 1994. In deze zaak stond tussen partijen vast dat de verzekerde eerst nä onderzoek van lekkages in stalen pijpen en nä het in overleg met opdrachtgevers genomen besluit tot vervanging van de beschadigde pijpen, de schade gemeld heeft aan assuradeuren. De rechtbank overweegt op dit punt:
'Gelet op het feit dat [verzekerde] die melding eerst heeft gedaan nadat zij de lekkages had laten onderzoeken en nadat zij in overleg met [opdrachtgevers] tot vervanging van alle pijpen had besloten moet voorshands worden aangenomen
dat die melding naar vorenbedoelde maatstaf beoordeeld niet tijdig heeft plaatsgehad. [Verzekerde] zal echter niet tot tegenbewijs op dit punt worden toegelaten, nu niet valt in te zien wat voor nadeel [verzekeraar] als gevolg van dat enkele feit geleden zou kunnen hebben, nu tussen partijen kennelijk niet in geschil is dat, indien het standpunt van [verzekerde] omtrent het aangetast zijn van alle 122 pijpen van rij 4 in beide ketels juist is,8 vervanging daarvan noodzakelijk was.'9
Door aldus te overwegen geeft de rechtbank fraai inzicht in het samenstel dat nodig is voor een geslaagd beroep door de verzekeraar op de niet-nako-ming van de meldingsplicht: dat is enerzijds de te late melding, maar anderzijds de belangenbenadeling van verzekeraar. In het onderhavige geval werd zowel het één als het ander door de verzekerde betwist en hoewel de rechtbank de verzekerde nog had kunnen toelaten tot het tegenbewijs tegen de door haar aangenomen te late melding, doet zij dat niet omdat zij de stellingen van de verzekeraar dat hij in zijn belangen is geschaad, op gronden als door mij hiervoor weergegeven (en met recht) zonder meer verwerpt. En er aan bewijs op dit punt dus niet toegekomen wordt.