De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen
Einde inhoudsopgave
De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen (SteR nr. 58) 2023/4.4:4.4 Conclusie
De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen (SteR nr. 58) 2023/4.4
4.4 Conclusie
Documentgegevens:
S. Schuite, datum 10-04-2023
- Datum
10-04-2023
- Auteur
S. Schuite
- JCDI
JCDI:ADS702041:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In dit hoofdstuk stond de vraag centraal of, en in hoeverre de positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen afwijkt (en dus bijzonder is) ten opzichte van de positie van andere deskundigen in civiele zaken respectievelijk bestuurszaken. Om die vraag te beantwoorden heeft een indicatieve vergelijking plaatsgevonden met een ‘referentiegroep’. Voor onteigeningsdeskundigen was dat de ‘commune’ deskundige in civiele zaken zoals die wordt ingeschakeld op basis van de artikelen 194 t/m 200 Rv. Voor nadeelcompensatie- en planschadedeskundigen heb ik als ‘commune’ deskundigen – en dus als ‘referentiegroep’ – aangemerkt de deskundige zoals die wordt genormeerd door afdeling 3.3 Awb, aangevuld met het doctrinaire kader van Hoogendijk-Deutsch en Samkalden en daaruit voortvloeiende literatuur. Waar nodig heb ik een kijkje genomen over de schutting van andere bestuursrechtelijke deelgebieden. De inhoudelijke vergelijking heb ik vervolgens verricht op basis van de drie kernaspecten die tezamen de positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen in grote mate bepalen. Dat zijn achtereenvolgens de (veelal) imperatieve benoeming (kernaspect 1), het inquisitoire en integrale karakter van de advisering (kernaspect 2), en de grote invloed van het advies op het oordeel van de rechter of het bestuursorgaan (kernaspect 3).
Geconcludeerd kan worden dat de positie van onteigeningsdeskundigen behoorlijk afwijkend is ten opzichte van de positie van ‘commune’ deskundigen in civiele zaken. Dat geldt met name voor het eerste en tweede kernaspect. Zo geldt voor de ‘commune’ civiele rechter, anders dan voor de onteigeningsrechter, niet de verplichting om steeds deskundigen te benoemen. Ook is de ‘commune’ civiele rechter in beginsel geheel vrij om te bepalen wie hij als deskundige benoemt alsmede om het aantal deskundigen te bepalen. Anders dan in het onteigeningsrecht zullen daarbij niet of nauwelijks juristen worden benoemd om als deskundige op te treden. Ook ten aanzien van het tweede kernaspect zijn onteigeningsdeskundigen bijzonder. Van ‘commune’ deskundigen in civiele zaken wordt immers niet gevraagd – en aan onteigeningsdeskundigen wel – om de rechter integraal te adviseren. Veeleer beantwoorden ‘commune’ deskundigen een specifieke onderzoeksvraag die zich buiten de kennis en kunde van de rechter bevindt. Ook is het voor ‘commune’ deskundigen niet de bedoeling dat die zelfstandig – inquisitoir dus – op zoek gaan naar de relevante feiten en omstandigheden. Partijen bepalen de omvang van de rechtsstrijd en het is niet aan de rechter of aan de deskundigen om die grenzen te overschrijden. Met betrekking tot het derde kernaspect is de situatie in het onteigeningsrecht niet zo bijzonder. Op basis van indicatieve rechtspraakanalyses kan worden geconcludeerd dat er geen (significant) verschil is tussen de mate waarin de onteigeningsrechter het deskundigenadvies volgt en de mate waarin de ‘commune’ civiele rechter dit doet.
De positie van planschade- en nadeelcompensatiedeskundigen is minder afwijkend ten opzichte van de positie van andere deskundigen die een bestuursorgaan adviseren dan de positie van onteigeningsdeskundigen ten opzichte van ‘commune’ deskundigen in civiele zaken. De hoofdregel dat een bestuursorgaan in beginsel voorafgaand aan het nemen van het besluit steeds deskundigen moet inschakelen, komt ook in andere bestuursrechtelijke deelgebieden voor. Ook die deskundigen zullen dikwijls op een zekere afstand van het bestuursorgaan staan. Wél kan als bijzonderheid worden bestempeld dat planschade- en nadeelcompensatiedeskundigen vaak juristen zijn, althans over juridische kennis beschikken. Binnen de ‘referentiegroep’ worden er nergens anders juristen als deskundigen benoemd. Het gegeven dat planschade- en nadeelcompensatieadviseurs het betrokken bestuursorgaan integraal en inquisitoir adviseren (kernaspect 2) is daadwerkelijk bijzonder te noemen. Mij zijn, buiten het planschade- en nadeelcompensatierecht, althans geen bestuursrechtelijke deelgebieden bekend waar van de deskundige wordt gevraagd om (mede) het voortouw te nemen bij de beantwoording en toepassing van regels van recht en – mede aan de hand van taxatietechnische expertise – te adviseren over het te nemen besluit. Dat geldt evenmin voor het zelfstandig onderzoek doen naar de relevante feiten en omstandigheden. Net als bij onteigeningsdeskundigen is het derde kernaspect dan weer minder bijzonder. Een indicatieve vergelijking met drie andere deelgebieden toont geen (significant) verschil in de mate waarin het bestuursorgaan het advies aan zijn besluit ten grondslag legt.