Einde inhoudsopgave
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/8.3.4
8.3.4 De onderneming van de betrokken rechtspersoon
F. Eikelboom, datum 01-06-2017
- Datum
01-06-2017
- Auteur
F. Eikelboom
- JCDI
JCDI:ADS363632:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
HR 4 juni 1997, NJ 1997, 671 m.nt. Maeijer, r.o. 4.7.1.
Veenstra (Diss.), par. 3.2.2.
De vraag of een enquête naar een vennootschap in oprichting kan worden ingesteld, zou ik ontkennend willen beantwoorden. Een dergelijke “organisatie” mist immers rechtspersoonlijkheid en valt daarmee mijns inziens buiten de reikwijdte van art. 2:344 BW. Evenwel kan het onderzoek zich mijns inziens wel uitstrekken tot de periode waarin de vennootschap in oprichting was, nu het beleid en de gang van zaken bij een v.o.f. onderwerp kan zijn van een dergelijk onderzoek.
Zie hoofdstuk 9.
Zie Hof Amsterdam (OK) 28 januari 2013, ARO 2013/33 (Eye Center Europe-Nijmegen), r.o. 3.9
De reorganisatie, die met eindvoorzieningen wordt bewerkstelligd, richt zich op de onderneming van de vennootschap die voorwerp is van de enquête. Uit de Text Lite-beschikking1 blijkt dat de term “onderneming van de betrokken rechtspersoon” ruim moet worden uitgelegd. Text Lite was reeds jaren failliet toen de ondernemingskamer overging tot vernietiging van déchargebesluiten die de aandeelhoudersvergadering van Text Lite in de jaren voor het faillissement had genomen. Toch sanctioneerde de Hoge Raad deze vernietiging, omdat dit bijdroeg aan de ongedaanmaking van de gevolgen van het wanbeleid.
Veenstra acht dit verwarrend, want mogelijk strijdig met de OGEM- en DSM-beschikkingen, waarin is bepaald dat eindvoorzieningen maatregelen van reorganisatorische aard binnen de onderneming van de betrokken rechtspersoon moeten zijn.2 Zijns inziens was de onderneming van Text Lite reeds vijf jaar beëindigd toen de ondernemingskamer de déchargebesluiten vernietigde, zodat er geen onderneming meer zou zijn geweest die kon worden gereorganiseerd. Kennelijk meent hij dat met de term “onderneming van de betrokken rechtspersoon” slechts een onderneming in de operationele fase kan worden bedoeld. Uit de Text Lite-beschikking blijkt nu echter juist dat de term “onderneming” ruim moet worden uitgelegd. Dus niet alleen als de onderneming in de operationele fase, maar ook in de vereffeningsfase. Ik meen voorts dat reorganisatorische maatregelen kunnen worden genomen indien de onderneming van de (reeds opgerichte)3 vennootschap nog niet of nauwelijks uit de startblokken is gekomen. Art. 2:344 BW stelt immers niet als voorwaarde voor toepassing van het enquêterecht dat de daarin genoemde rechtspersonen ook daadwerkelijk een onderneming drijven.
Dit betekent dat ook ten aanzien van rechtspersonen in faillissement maatregelen van reorganisatorische aard kunnen worden getroffen. Dat zijn dan maatregelen die het proces van de vereffening bevorderen, althans die ervoor zorgen dat in het kader van de vereffening zo veel mogelijk de situatie kan worden nagebootst waarin geen wanbeleid had plaatsgevonden. Het vernietigen van een déchargebesluit past prima in een dergelijke doelstelling.
Dat neemt niet weg dat de ondernemingskamer het treffen van eindvoorzieningen in het kader van de proportionaliteitstoets4 achterwege kan laten om redenen die samenhangen met het staken van de onderneming van de rechtspersoon. Bijvoorbeeld, omdat het staken van de onderneming meebrengt dat er onvoldoende belang bestaat bij het treffen van eindvoorzieningen.5