Wilsdelegatie in het erfrecht
Einde inhoudsopgave
Wilsdelegatie in het erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/II.4.2.2:II.4.2.2 Wettelijke bepalingen buiten Titel 3.2 BW
Wilsdelegatie in het erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/II.4.2.2
II.4.2.2 Wettelijke bepalingen buiten Titel 3.2 BW
Documentgegevens:
mr. N.V.C.E. Bauduin, datum 09-09-2014
- Datum
09-09-2014
- Auteur
mr. N.V.C.E. Bauduin
- JCDI
JCDI:ADS623666:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Dat wil zeggen: ‘de meerzijdige rechtshandeling waarbij één of meer partijen jegens één of meer andere een verbintenis aangaan.’ Bijvoorbeeld de verbintenisscheppende schenking .
Struycken 1999, p. 579.
De bepaaldheid die tot uitdrukking komt in art. 3:231 lid 2 en art. 3:260 lid 1 BW ziet op de vestiging van zekerheidsrechten, zie in dit verband ook art. 3:84 lid 2 jo. art. 3:98 BW.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het bepaaldheidsvereiste komt in de wet uitdrukkelijk naar voren in art. 6:227 BW, art. 3:84 lid 2 BW, art. 3:231 lid 2 BW en art. 3:260 lid 1 BW. In andere artikelen wordt het bepaaldheidsvereiste niet met zoveel woorden genoemd, maar het ligt zoals gezegd niettemin in iedere (geldige) rechtshandeling besloten. Met name over art. 6:227 BW (dat ziet op de verbintenisscheppende ofwel obligatoire overeenkomst, zoals de koop- of schenkingsovereenkomst) en art. 3:84 lid 2 BW (in verband met de overdracht van een goed) is in de literatuur en jurisprudentie het een en ander opgemerkt, waarop ik hierna in de paragrafen 4.3 en 4.4 nader in zal gaan.
Art. 6:227 BW bepaalt voor de verbintenisscheppende overeenkomst als bedoeld in art. 6:213 lid 1 BW1 dat de verbintenissen die partijen op zich nemen bepaalbaar moeten zijn. Op grond van de schakelbepaling van art. 6:216 BW is deze bepaling in beginsel van overeenkomstige toepassing op andere meerzijdige vermogensrechtelijke rechtshandelingen, zoals bijvoorbeeld de vaststellingsovereenkomst (titel 7.15 BW), de goederenrechtelijke overeenkomst (art. 3:84 en 3:98 BW) of de bewijsovereenkomst (art. 7:900 lid 3 BW). Althans, voorzover de strekking van de betrokken bepalingen in verband met de aard van de rechtshandeling zich daartegen niet verzet. Wat dit inhoudt en wat bepaalbaar is, behandel ik hierna in paragraaf 4.3.
Art. 3:84 lid 2 BW schrijft voor dat bij de titel, die voor de overdracht van een goed wordt vereist, het goed met voldoende bepaaldheid moet zijn omschreven. Via de schakelbepaling van art. 3:98 BW geldt dit ook voor de vestiging, overdracht en afstand van een beperkt recht, zoals bijvoorbeeld de verpanding van een goed. Daarmee stelt art. 3:84 lid 2 BW in het goederenrecht, zoals Stuycken opmerkt, in het algemeen het bepaaldheidsvereiste, ‘dat geldt voor alle vormen van beschikkingshandelingen over alle soorten goederen, in samenhang met de schakelbepaling van art. 3:98 tevens voor de vestiging van beperkte rechten op alle soorten goederen’.2 Ik kom op art. 3:84 lid 2 BW terug in paragraaf 4.4, waarin ik inga op het bepaaldheidsvereiste voor de goederenrechtelijke overeenkomst.
Het bepaaldheidsvereiste dat in art. 6:227 BW en art. 3:84 lid 2 BW besloten ligt,3 zal ik in dit hoofdstuk nader belichten omdat hun uitleg behulpzaam kan zijn voor de uitleg van het bepaaldheidsvereiste dat geldt voor uiterste wilsbeschikkingen. Zo komt het bepaaldheidsvereiste van art. 6:227 BW aan bod vanwege de eerder genoemde gelijkenis tussen de schenking en het legaat (zie ook paragraaf 2.4 ‘Intermezzo: schenking’). Zowel het legaat als de schenking zien op verbintenisrechtelijke verhoudingen.
Het bepaaldheidsvereiste van art. 3:84 lid 2 BW zou behandeld kunnen worden vanwege de wijze waarop een legaat geleverd dient te worden. De legataris is immers ‘opvolger onder bijzondere titel’ en dient het legaat geleverd te krijgen. Voor dit onderzoek naar de mogelijkheid van wilsdelegatie, is de wijze waarop een legaat geleverd dient te worden evenwel niet van belang. Ik behandel art. 3:84 lid 2 BW dan ook vanuit een ander oogpunt, namelijk vanwege de uitleg van het bepaaldheidsvereiste voor goederenrechtelijke verhoudingen. Wellicht kan deze uitleg behulpzaam zijn voor de opvatting van het bepaaldheidsvereiste voor de erfstelling, waar het eveneens goederenrechtelijke verhoudingen betreft (doch dat op de vlakken van ‘meerzijdige rechtshandeling’ en ‘opvolging onder bijzondere titel’ niet met art. 3:84 lid 2 BW is te rijmen).