Einde inhoudsopgave
Afscheid van de klassieke procedure (NJV 2017-1) 2017/III.9
Hoofdstuk III.9 Conclusies
J.H. Crijns en R.S.B. Kool, datum 08-06-2017
- Datum
08-06-2017
- Auteur
J.H. Crijns en R.S.B. Kool
- JCDI
JCDI:ADS297030:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie onder meer Knigge 1994, p. 75 en Groenhuijsen en Knigge 2001, p. 28: ‘Het is geens-zins onverantwoord om het niveau van rechtsbescherming afhankelijk te doen zijn van hetgeen voor individu en samenleving op het spel staat. Wat niet onverantwoord is, wordt al gauw een dringende eis in het licht van de schaarse middelen en de beperkte capaciteit van de strafrechtspleging’. Ook in het kader van het project Modernisering van het Wetboek van Strafvordering wordt dit standpunt herhaald en tot uitgangspunt genomen voor de inrichting van het nieuwe wetboek (zie Kamerstukken II 2015/16, 29 279, nr. 278, p. 6).
Zie Kamerstukken II 2015/16, 31 753, nr. 109, p. 1 en Kamerstukken II 2015/16, 29 279, nr. 3, par. 6.3. Aangekondigd wordt dat ter zake een aparte beleidsbrief volgt.
Welke conclusies kunnen we aan het voorgaande verbinden? Is de differentiatie van procedures die binnen de strafrechtspleging heeft plaatsgevonden problematisch? En leiden de in dit preadvies gedane voorstellen over het geheel genomen tot betere mogelijkheden voor het afdoen van strafbare feiten, waarbij ‘beter’ in dit verband moet worden opgevat als meer betekenisvol, mede in het licht van de doelstellingen van het strafrecht?
Als opgemerkt is procesdifferentiatie en afdoening via het buitengerechtelijk spoor een onomkeerbaar gegeven. Dit geldt ook voor de ZSM-werkwijze. Dergelijke keuzes zijn onlosmakelijk verbonden met de ‘brede’ opdracht die het strafrecht binnen de huidige maatschappelijke en politieke opvattingen wordt toegedicht. De werkstroom die daaruit voortvloeit is niet langs de weg van de klassieke gerechtelijke procedure te reguleren, althans zou aanleiding geven tot een disproportioneel beroep op de publieke middelen. Bovendien, en dat is een belangrijker argument, is de aard van de rechtsschendingen die in deze zaakstroom liggen besloten deels van een andere orde dan die welke zou noodzaken tot afdoening via de klassieke procedure. Betrokkenheid van de rechter is uit oogpunt van opportuniteit en zwaarte van de op te leggen sanctie niet altijd nodig om de afdoening legitiem te doen zijn.1
Dat neemt niet weg dat er wel degelijk het nodige aan te merken is op de huidige regeling en praktijk van de buitengerechtelijke afdoening van strafzaken. Dat is geen gevolg van gebrek aan integriteit bij de wetgever of het Openbaar Ministerie, maar van een te sterke nadruk op efficiëntie binnen de vormgeving van het buitengerechtelijk spoor. Het uitgangspunt dat wat betreft de rechtstatelijke waarborgen voor de buitengerechtelijke afdoening vertrouwd mag worden op de magistratelijkheid van het Openbaar Ministerie is onzes inziens niet houdbaar, zeker niet in het licht van voornoemde nadruk op efficiëntie en de noodzaak tot het doorvoeren van bezuinigingen waarmee het Openbaar Ministerie de afgelopen jaren is geconfronteerd. Magistratelijkheid staat als waarde weliswaar hoog in het vaandel, maar staat binnen de huidige organisatie en werkwijzen onder druk. Aandachtspunten zijn met name de mogelijkheid tot het bieden van een adequate gelegenheid voor hoor en wederhoor met betrekking tot de afdoeningsbeslissing alsmede het daarmee verband houdende recht op rechtsbijstand. Versterking daarvan kan, zoals ook de minister onderkent,2 bijdragen aan de (rechtstatelijke) legitimiteit van de buitengerechtelijke afdoening, en aan de opportuniteit daarvan. Wanneer het doel is te streven naar meer subsidiaire, proportionele vormen van afdoening die dienstbaar zijn aan de strafdoelen, is participatie van de zijde van de verdachte zonder meer wenselijk (en, zoals in het voorgaande betoogd, in het licht van het recht op een eerlijk proces ook noodzakelijk). Dat impliceert een dialoog en geen eenzijdig ‘administratief’ opgelegde sanctie vanwege het Openbaar Ministerie. Vanzelfsprekend zijn we ons bewust van het gegeven dat een daadwerkelijke ‘dialoog’ binnen het strafrechtelijk kader dat wordt gedomineerd door dwang en drang een utopie is. Niettemin vormt communicatie over de strafzaak en de daaraan mogelijk verbonden sanctie met de daarbij in acht te nemen rechtswaarborgen de sleutel voor een betekenisvolle en gewaarborgde afdoening.
De bereidheid tot dialoog dient in de eerste plaats te komen van het Openbaar Ministerie. Openheid is immers een voorwaarde voor magistratelijkheid, en als de rechter op afstand wordt gehouden zal het Openbaar Ministerie diens taken dienen over te nemen. Van de zijde van de verdachte mag in dit verband gelet op zijn procespositie geen al te actieve houding worden verwacht. Weliswaar mag vanwege de rechtsgemeenschap zo’n appel worden gedaan, maar het is aan de verdachte daar wel of geen gehoor aan te geven. De aanleiding om dat te doen zal kunnen zijn gelegen in een meer op maat toegesneden sanctionering, die – bezien vanuit het perspectief van strafdoelen – beter aansluit op hetgeen hij ‘nodig’ heeft. Of zulk maatwerk mogelijk is zal evenwel niet altijd direct duidelijk zijn; hiervoor is immers contextinformatie over daad, verdachte en slachtoffer nodig. Dat vraagt in voorkomende gevallen om uitstel van de vervolgingsbeslissing, waarbij – in geval van slachtoffer-gerelateerde criminaliteit – ook het slachtofferbelang en diens behoeften meegewogen dienen te worden. Dit lijkt in eerste instantie niet te stroken met het oorspronkelijke streven van de ZSM-werkwijze om strafzaken zo spoedig mogelijk af te doen, maar op de lange termijn zijn zowel de verdachte als het slachtoffer en de samenleving meer gebaat bij zorgvuldige besluitvorming dan bij snelle afdoening.
In dit verband zien wij ook een taak weggelegd voor de rechter. Wij bepleiten immers ruimere mogelijkheden voor de rechter de initiële vervolgingsbeslissing van de officier van justitie te beoordelen en in voorkomende gevallen in het licht van nieuwe informatie te herzien. De voorstellen daarvoor in dit preadvies hebben tot op zekere hoogte gevolgen voor de reikwijdte van het vervolgingsmonopolie en het opportuniteitsbeginsel. Die prijs zijn wij echter bereid te betalen, mede in het licht van het feit dat de ruimte voor de officier van justitie om in elke individuele strafzaak tot een op maat gesneden, magistratelijk oordeel te komen anno 2017 toch tamelijk beperkt lijkt, de goede initiatieven binnen de ZSM-werkwijze niet te na gesproken. Bij die stand van zaken lijkt het ons wenselijk meer ruimte te bieden voor voortschrijdend inzicht bij de rechter wanneer hij – in het licht van gewijzigde omstandigheden – van oordeel is dat de eerdere afdoeningsbeslissing niet langer opportuun is.
Aldus heeft de rechter – die als gevolg van de toegenomen mogelijkheden tot buitengerechtelijke afdoening in zekere zin op afstand is komen te staan – ook mogelijkheden terrein terug te winnen. Wij menen dat dit aansluit op de actuele taakopvatting binnen de rechterlijke macht. Het beeld dat rechters de handen willen vrij houden, achteroverleunend wachtend tot het Openbaar Ministerie hen werk voorlegt om vervolgens in gebondenheid aan de tenlastelegging recht te spreken, lijkt aan het kantelen. Rechters streven in toenemende mate naar maatschappelijk effectief rechtspreken. Daarbij past het bieden van de mogelijkheid aan rechters om in voorkomende gevallen ‘een vlucht naar voren te maken’ door de initiële vervolgingsbeslissing op haar houdbaarheid te toetsen wanneer dat de opportuniteit van de afdoening ten goede zou kunnen komen. Men zou dit branchevervaging kunnen noemen, tegelijkertijd geldt dat ook voor de eerder ingezette ontwikkeling richting procesdifferentiatie.
Aan het einde van ons betoog gekomen, merken wij op dat wij ons terdege realiseren dat de achilleshiel van ons pleidooi voor beter opgetuigde buitengerechtelijke procedures met meer ruimte voor hoor en wederhoor, reflectie en maatwerk is gelegen in het feit dat dit onvermijdelijk geld gaat kosten. Zo men inhoudelijk met ons betoog wil mee gaan, komt het uiteindelijk dan ook aan op de politieke afweging of men daarvoor de middelen wil vrijmaken. Hoewel wij dit op basis van het voorgaande betoog niet hard kunnen maken, koesteren wij de stille hoop dat investeringen in meer zinvolle, op het individu toegesneden vormen van afdoening zich op den duur zullen uitbetalen in lagere recidivecijfers bij eenvoudige, veel voorkomende criminaliteit, een hogere ‘klanttevredenheid’ bij verdachten en slachtoffers en een grotere legitimiteit van de strafrechtspleging als geheel.