Einde inhoudsopgave
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/1.3.2
1.3.2 Mede-eigendom
mr. J.C.T.F. Lokin, datum 01-03-2022
- Datum
01-03-2022
- Auteur
mr. J.C.T.F. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS644931:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
D. 13, 6, 5, 15 (Ulpianus): “(…) Et ait duorum quidem in solidum dominium vel possessionem esse non posse: nec quemquam partis corporis dominum esse, sed totius corporis pro indiviso pro parte dominium habere (…)” “(…) Hij zegt dan dat de eigendom of het bezit niet voor het geheel bij twee personen kan berusten, en dat iemand ook niet eigenaar is van een deel van een lichamelijke zaak, maar dat hij de eigendom van de gehele lichamelijke voor een onverdeeld aandeel heeft (…)”; Zie ook: Windscheid I (1891), p. 502.
D. 10, 3, 7, 13 (Ulpianus); Kaser/Knütel/Lohsse (2021), p. 188; Seiler (1999), p. 605; Van Hemel (1998), p. 16 e.v.
Lokin/Brandsma (2016), p. 109. Zie ook Paulus hierover in D. 17, 2, 83 (Paulus): “Illud quaerendum est, arbor quae in confinio nata est, item lapis qui per utrumque fundum extenditur an, cum succisa arbor vel lapis exemptus eius sit cuius fundus, pro ea quoque parte singulorum esse debeat, pro qua parte in fundo fuerat? An qua ratione duabus massis duorum dominorum flatis tota massa communis est, ita arbor hoc ipso, quo separatur a solo propriamque substantiam in unum corpus redactam accipit, multo magis pro indiviso communis fit, quam massa? Sed naturali convenit rationi et postea tantam partem utrumque habere tam in lapide quam in arbore, quantam et in terra habebat.” “Stel dat er een boom is opgeschoten op de grens van twee erven of dat er een rotsblok ligt op twee percelen grond. Omdat een boom die gekapt wordt, of een rotsblok dat losgehakt wordt, toebehoort aan degene aan wie de grond toebehoort, moet men zich afvragen of deze boom of steen dan ook aan de individuele grondeigenaars dient toe te behoren in dezelfde verhouding als waarin de boom of steen zich op hun erven bevond. Of wordt, volgens het principe dat als twee metaalklompen toebehorend aan twee eigenaars worden gesmolten, de totale metaalklomp hun gemeenschappelijk toebehoort, ook de boom als gevolg van het enkele feit dat deze gescheiden wordt van de grond en een eigen zelfstandigheid in de vorm van één entiteit aanneemt nog veel meer dan die metaalklomp tot onverdeelde en gemeenschappelijke eigendom? Het strookt met het gezond verstand dat beiden ook naderhand in zowel de steen als de boom een even groot aandeel hebben als zij in de grond hadden.”
C. 4, 52, 3 (Impp. Diocletianus et Maximianus AA. et CC. Aurelio Eusebio): “Falso tibi persuasum est communis praedii portionem pro indiviso, antequam communi dividundo iudicium dictetur, tantum socio, non etiam extraneo posse distrahi.” “Valselijk heeft men u voorgehouden dat, alvorens uitspraak wordt gedaan in de delingsactie, een onverdeeld aandeel in gemeenschappelijke grond alleen maar aan een mede-eigenaar en niet ook aan een buitenstaander kan worden vervreemd.”
Dernburg I (1902), p. 454.
Wat waren de rechtsgevolgen in de gevallen waarin twee of meer gelijkwaardige zaken met elkaar werden verbonden? Allereerst rustte na de verbinding maar één eigendomsrecht op de eenheidszaak. Het was niet mogelijk dat twee of meer eigendomsrechten op de gehele zaak rustten.1 Wel kon de samenvoeging van twee of meer zaken tot gevolg hebben dat verschillende personen eigenaar werden van de zaak. In dat geval was sprake van mede-eigendom. Het ongedeelde eigendomsrecht transformeerde in verschillende rechten van mede-eigendom. Zo bezien was er sprake van materiële continuïteit van het eigendomsrecht. Wat hield een recht van mede-eigendom in? Het mede-eigendomsrecht was afgeleid van het eigendomsrecht en stond inhoudelijk gelijk aan een volledig eigendomsrecht. De omvang van dat recht was echter in die zin beperkt, dat de mede-eigenaren slechts gezamenlijk de gehele zaak konden overdragen of bezwaren.2 Een mede-eigenaar kreeg met het recht van mede-eigendom een aandeel in het eigendomsrecht. Dat aandeel (pars) werd een onverdeeld aandeel genoemd (pars pro indiviso). Het woord onverdeeld heeft betrekking op de zaak waarop het recht van mede-eigendom rustte; de zaak was immers onverdeeld.3 De opdeling van het eigendomsrecht in verschillende rechten van mede-eigendom hield niet in dat een mede-eigenaar een bepaalde bevoegdheid van het eigendomsrecht had, die een andere mede-eigenaar niet had. Een mede-eigenaar was wel bevoegd om zijn eigen zakelijke recht van mede-eigendom apart aan een derde over te dragen of om zijn deel te bezwaren met een beperkt recht.4 Niet alleen door verbinding van verschillende zaken die aan verschillende personen toebehoorden kon mede-eigendom ontstaan. Een vaak voorkomend geval waarin mede-eigendom ontstond, was door erfopvolging. Een erflater liet bijvoorbeeld aan verschillende erfgenamen zijn vermogen na of een zaak was door de erflater aan verschillende personen gelegateerd.
Mede-eigendom kon tenslotte ook op een toevallige wijze ontstaan, bijvoorbeeld als zaken met elkaar waren vermengd.5