Nemo tenetur in belastingzaken
Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/6.4.3.2:6.4.3.2 Doel en strekking ruime notie van zelfbelasting
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/6.4.3.2
6.4.3.2 Doel en strekking ruime notie van zelfbelasting
Documentgegevens:
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS492229:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Leidende beginselen voor de invulling hiervan zijn tegenspraak en de gelijkwaardigheid van partijen. Zie § 3.4 hiervoor.
Vgl. EHRM 4 oktober 2005 (Shannon t. Verenigd Koninkrijk), § 40.
HvJ 18 oktober 1989 (Orkem) en (Solvay), NJ 1991, 687; SEW 1990, p. 397 e.v. Zie nader Stevens 2005, p. 139.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De in § 6.4.3.1 bedoelde ruime uitleg van de notie van zelfbelasting door het EHRM past goed in de wijze waarop het een klacht over schending van het recht tegen gedwongen zelfbelasting toetst. Gelet op het adversaire karakter van het strafproces dat art. 6 EVRM beoogt te waarborgen, moet de verdachte in staat worden gesteld om zijn verdediging in vrijheid te voeren. Wanneer de verdachte wordt gedwongen (mogelijk) zichzelf te belasten, dan kan die vrijheid te zeer worden aangetast.1 Vgl. de zaak Shannon. Daarin overweegt het Hof dat wanneer de klager wel zou hebben verklaard, het gebruik van de verklaringen zou resulteren in schending van het recht tegen gedwongen zelfbelasting ‘if he had relied on evidence inconsistent with it’, omdat ‘such use would have deprived the applicant of the right to determine what evidence he wished to put before the trial court’ en mogelijk zou hebben geresulteerd in ‘resort to evidence obtained through methods of coercion or oppression in defiance of the will of the accused’.2
Deze ruime uitleg van de notie van zelfbelasting door het EHRM is niet vanzelfsprekend. Zij contrasteert bijvoorbeeld met de opvatting van het HvJ, dat nemo tenetur enkel betrekking heeft op vragen waarvan de beantwoording zou neerkomen op erkenning van de overtreding. Volgens het HvJ ziet het beginsel niet op feitelijke informatie in de toezichtssfeer.3