HR 22 juni 2004, LJN AO8315, NJ 2004, 439, rov. 3.4.2.
HR, 09-10-2012, nr. 11/02536
ECLI:NL:HR:2012:BX5475
- Instantie
Hoge Raad (Strafkamer)
- Datum
09-10-2012
- Zaaknummer
11/02536
- Conclusie
Mr. Vellinga
- LJN
BX5475
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:PHR:2012:BX5475, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 09‑10‑2012
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BX5475
ECLI:NL:HR:2012:BX5475, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 09‑10‑2012; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2012:BX5475
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2012-0188
Conclusie 09‑10‑2012
Mr. Vellinga
Partij(en)
Nr. 11/02536
Mr. Vellinga
Zitting: 3 juli 2012 (bij vervroeging)
Conclusie inzake:
[verdachte]
1.
Verdachte is door het Gerechtshof te Amsterdam, zitting houdende te Arnhem, wegens "Medeplegen van het in strijd met een hem bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting opzettelijk nalaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, terwijl het feit kan strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, en terwijl hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de gegevens van belang zijn voor de vaststelling van zijn of eens anders recht op een verstrekking of een tegemoetkoming, meermalen gepleegd" veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van een maand, met een proeftijd van twee jaren.
2.
Er bestaat samenhang tussen de zaken met de nummers 11/00464 en 11/02536. In beide zaken zal ik vandaag concluderen.
3.
Namens verdachte heeft mr. B.P. de Boer, advocaat te Amsterdam, vier middelen van cassatie voorgesteld.
4.
Het eerste middel klaagt over het bewijs van het weten althans redelijkerwijze moeten vermoeden dat die gegevens van belang waren voor het verstrekken van een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand.
5.
In aanmerking genomen dat de gebezigde bewijsmiddelen onder meer inhouden dat op de verdachte en haar man verstrekte formulieren (ROF) was aangekruist dat zij niet hebben gewerkt en geen inkomsten hebben genoten en zij er aldus uitdrukkelijk op zijn gewezen dat gegevens omtrent werkzaamheden en inkomsten van belang waren voor de vaststelling van verdachtes of eens anders recht op een uitkering kan het bewezenverklaarde voor zover behelzende dat verdachte wist, althans redelijkerwijze moest vermoeden dat die gegevens van belang waren voor het verstrekken van bedoelde uitkering uit de gebezigde bewijsmiddelen worden afgeleid.
6.
Het middel faalt.
7.
Het tweede middel klaagt dat enkele onderdelen van de bewezenverklaring niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kunnen worden afgeleid.
8.
In de eerste plaats wordt geklaagd dat niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat verdachte werkzaamheden had verricht in een hennepkwekerij en/of inkomsten had uit een hennepkwekerij.
9.
In de toelichting op het middel wordt er terecht op gewezen dat in geval meerdere alternatieven zijn bewezenverklaard elk van deze alternatieven uit de gebezigde bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid.1.
10.
In aanmerking genomen dat de bewijsmiddelen slechts inhouden dat verdachte inkomsten heeft gehad uit de teelt en verkoop van hennep en niet (ook) dat zij zelf hennep heeft geteeld kan uit de gebezigde bewijsmiddelen bij gebreke van een nadere motivering niet worden afgeleid dat verdachte werkzaamheden heeft verricht in een hennepkwekerij. Daarbij teken ik aan dat het in de bewezenverklaring vervatte medeplegen betrekking heeft op het opzettelijk nalaten de benodigde gegevens te verstrekken en niet op het werken in een hennepkwekerij.
11.
Voor zover in dit verband wordt geklaagd dat de inhoud van het relaas van de sociaal rechercheur [verbalisant 1], anders dan het Hof heeft overwogen, geen adequate weergave is van de zich in het dossier bevindende stukken, wordt miskend dat hierover in cassatie niet voor het eerst kan worden geklaagd. In dit verband merk ik op dat noch verdachte noch zijn raadsman het relaas van [verbalisant 1] voor wat betreft de inkomsten van verdachte uit de teelt en verkoop van hennep heeft betwist.
12.
In de tweede plaats wordt geklaagd dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat het nalaten de benodigde gegevens te verstrekken opzettelijk is geschied. Dat is niet juist. Op de formulieren was aangekruist dat de verdachten niet werkten en geen inkomsten hadden (bewijsm. 1) en verdachte heeft de formulieren ondertekend (bewijsm. 2). Het is dus niet zo dat de benodigde gegevens per ongeluk zijn weggevallen.
13.
Het middel slaagt ten dele.
14.
Het derde middel klaagt dat niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat verdachte opzettelijk geen opgave heeft gedaan van en heeft verzwegen dat haar echtgenoot in het bezit is geweest van een motorboot.
15.
Uit de bewijsmiddelen blijkt inderdaad niet dat verdachte ervan op de hoogte was dat haar echtgenoot in het bezit was van een motorboot.2. Het enkele feit dat zij met verdachte getrouwd was is onvoldoende om aan te nemen dat zulke kennis bij haar aanwezig is.
16.
Het middel slaagt.
17.
Het vierde middel klaagt dat het Hof heeft nagelaten te bevelen dat de duur van het voorarrest bij de eventuele tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke gevangenisstraf in mindering dient te worden gebracht. Volgens de toelichting op het middel is verdachte op 30 januari 2008 om 14:30 in verzekering gesteld en op 1 februari 2008 om 16:00 in vrijheid gesteld.
18.
Het middel is terecht voorgesteld. Uit de aan de Hoge Raad op de voet van art. 434 lid 1 Sv gezonden stukken volgt dat verdachte de in het middel genoemde termijn in verzekering heeft doorgebracht.3. Het Hof had ingevolge art. 27 lid 1 Sv bij het opleggen van de straf dienen te bevelen dat de tijd welke de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van de bestreden uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht bij de eventuele tenuitvoerlegging in mindering zal worden gebracht.4.
19.
Het middel is terecht voorgedragen. De Hoge Raad kan dit gebrek herstellen.
20.
Het eerste middel kan worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering.
21.
Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.
22.
Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Hof dan wel verwijzing van de zaak naar een aangrenzend Hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 09‑10‑2012
Zie HR 5 september 2006, LJN AW0394 voor een andere casus waarin de echtgenote in ieder geval wel wist dat haar man inkomsten had. In de zaak die tot dit arrest leidde had de vrouw verklaard dat zij nimmer aan haar man had gevraagd hoeveel hij verdiende en dat zij een beetje wist wat er op de uitkeringsformulieren stond die zij mede had ondertekend. De Hoge Raad oordeelde dat het Hof uit de bewijsmiddelen kon afleiden dat de vrouw zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat het werkelijke aantal door haar echtgenoot gewerkte uren niet in de formulieren was opgegeven. Overigens hield de veroordeling geen stand omdat gelet op een gevoerd verweer dat de echtgenoot alles regelde, zij de Nederlandse taal onvoldoende machtig was en dat zij van de sociale dienst geen uitleg had gekregen van de regels en voorwaarden, de motivering van het bewezenverklaarde opzet tekortschoot volgens de Hoge Raad.
P. 24 van het politiedossier.
Vgl. HR 28 januari 1997, LJN ZD625, NJ 1997, 408 en HR 28 oktober 2008, LJN BF0563.
Uitspraak 09‑10‑2012
Inhoudsindicatie
Slagende bewijsklachten.
Partij(en)
9 oktober 2012
Strafkamer
nr. S 11/02536
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam, zitting houdende te Arnhem, van 20 januari 2011, nummer 21/004227-09, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965, wonende te [woonplaats].
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. B.P. de Boer, advocaat te Haarlem, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof dan wel verwijzing naar een aangrenzend hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
2. Bewezenverklaring en bewijsvoering
2.1.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
"zij op tijdstip(pen) in de periode van 10 mei 2006 tot en met 31 oktober 2007 te Vianen, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, in strijd met een haar bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, te weten
artikel 17 van de Wet werk en bijstand, opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, zulks terwijl dit feit kon strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, terwijl verdachte wist, althans redelijkerwijze moest vermoeden dat die gegevens van belang waren voor de vaststelling van verdachtes of eens anders recht op een verstrekking of tegemoetkoming, te weten een uitkering krachtens de Wet werk en bijstand (WWB), dan wel voor de hoogte of de duur van die vertrekking of tegemoetkoming, immers heeft zij, verdachte en haar man [medeverdachte], opzettelijk geen opgave gedaan van en verzwegen dat zij, verdachte, en/of haar man [medeverdachte]
- -
werkzaamheden had verricht in een hennepkwekerij en/of inkomsten had uit een hennepkwekerij en/of
- -
verkoopwerkzaamheden (via het internet en bazaar) had verricht en inkomsten had uit de handel in gebruiksgoederen te weten onder meer speelgoed en fietsen en honden/(puppies) en
- -
in het bezit is geweest van vermogen te weten onder meer een motorboot (type Alpha One)."
2.2.
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
"1.
Het in de wettelijke vorm door [verbalisant 1], sociaal rechercheur van de regionale Sociale Recherche Nieuwegein, opgemaakte stamproces-verbaal van 8 februari 2008, (doss. pag 1 e.v.) voor zover inhoudende als relaas van verbalisant, zakelijk weergegeven:
Ingevolge artikel 65 lid 2 van de Abw en artikel 17 lid 2 van de Wwb wordt door het college van Burgemeester en wethouders van de gemeente Vianen aan belanghebbenden, maandelijks voor de verstrekking van gegevens een formulier (ROF) verstrekt. Zo ook aan de verdachten [medeverdachte en verdachte]. Dit ROF is een geschrift, als bedoeld in artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht.
Om het recht op de hoogte van de uitkering te kunnen bepalen, moeten op de ROF vragen beantwoord en/of eventuele veranderingen aangegeven worden met betrekking tot o.a. de gezins-, woon-, arbeids- en inkomensomstandigheden van de verdachten.
Deze op naam van de verdachten [medeverdachte en verdachte] staande formulieren werden na invulling, dag- en ondertekening ingeleverd bij de gemeente Vianen.
Op grond van de door verdachten gegeven informatie bleek dat deze recht hadden op een verstrekking/tegemoetkoming (uitkering) waarna de gemeente Vianen maandelijks de uitbetaling continueerde.
Door mij, verbalisant, werd een onderzoek ingesteld naar de ten name van de verdachten gestelde ROF's. Ik zag dat er door verdachten geen opgave was gedaan van hun werkzaamheden en/of inkomsten. Op de ROF's stond bij de desbetreffende relevante vragen aangekruist dat de verdachten niet werkten en geen inkomsten hadden. Ook werd door hen geen melding gemaakt van verandering van hun vermogen.
Verdachte heeft inkomsten gehad uit de teelt en verkoop van hennep.
In het Snelle Boten Register las ik dat het registratienummer [001] geregistreerd stond voor een Snelle motorboot, voorzien van een motor Mercruiser, type Alpha one. In het register las ik dat deze boot sinds 23 januari 2007 op naam geregistreerd staat van verdachte [medeverdachte].
In de periode van 10 mei 2006 tot 9 maart 2007 heeft verdachte [medeverdachte] bij de Kamer van Koophandel en fabrieken ingeschreven gestaan als bestuurder van een eenmanszaak, [A].
In de genoemde periode heeft de verdachte bij de gemeente Vianen zijn administratie ingeleverd met de inkomsten en uitgaven van zijn bedrijf. Zo heeft de verdachte [medeverdachte] de navolgende bedrijfsresultaten doorgegeven:
Inkomsten uitgaven rekeningInkomstenbriefjes
Mei 2006 Winst € 32,00
Juni 2006 Winst € 120,19 Winst € 79,32
Juli 2006 Verlies € 233,45 Geen opgave
Augustus 2006 Winst € 311,09 Geen opgave
September 2006 Verlies € 138,91 Geen opgave
Vanaf september 2006 doet de verdachte [medeverdachte] geen opgave inkomen en uitgaven meer van zijn onderneming.
Op de internetsite van Google van 3 oktober 2007 zag ik dat door verdachte [medeverdachte] verschillende goederen te koop aangeboden werden. Zo stonden er verwijzingen naar een advertentie waarin de volgende goederen te koop aangeboden werden:
- -
Honden, Chihuahua;
- -
Fietsen;
- -
Modelauto's;
- -
Kaptafel met spiegel.
Ik zag dat verdachte [medeverdachte] op 22 oktober 2007 nog steeds diverse goederen te koop aanbood.
In de door Marktplaats verstrekte gegevens over de periode van 1 augustus 2007 tot en met 29 september 2007 las ik dat de verdachten [medeverdachte en verdachte] diverse goederen te koop hebben aangeboden. Zo zijn door hen de navolgende goederen op Marktplaats o.a. te koop aangeboden:
- 1.
x een Mitsubishi met onderdelen 1:10
- 1.
x Protech Subaru 555
- 2.
x modelauto's
- 24.
inch Batavus jongensfiets leuk sportief en apart model
Aangeboden 24 inch in goede staat verkerende meisjesfiets.
Door verdachten [medeverdachte en verdachte] werden hondjes (puppies) te koop aangeboden op internet. De verdachten fokken zelf hondjes echter zij kopen ook hondjes die vervolgens via internet weer te koop worden aangeboden.
[Medeverdachte] heeft in oktober 2007 in Apeldoorn twee pallets speelgoed gekocht, welk speelgoed hij op de Utrechtse bazaar verkocht heeft.
Het hof constateert dat het relaas van verbalisant een adequate weergave is van de zich in het dossier bevindende stukken. De belangrijkste daarvan zijn hierna als bewijsmiddel aangehaald.
Voor zover het relaas van verbalisant conclusies bevat, maakt het hof die tot de zijne.
2.
De als bijlage bij het stamproces-verbaal van 8 februari 2008, gevoegde, door het hof als schriftelijk bescheid als bedoeld in artikel 344, eerste lid onder 5° van het Wetboek van Strafvordering te bezigen, rechtmatigheidsonderzoeksformulieren WWB (doss. pag 95 t/m 133).
Het hof stelt vast dat de betreffende formulieren op naam van verdachte en de medeverdachte zijn gesteld en ook telkens door beiden zijn ondertekend, als zijnde naar waarheid ingevuld en zonder iets te verzwijgen.
3. Een als bijlage bij het stamproces-verbaal van 8 februari 2008, gevoegde, door het hof als schriftelijk bescheid als bedoeld in artikel 344, eerste lid onder 5° van het Wetboek van Strafvordering te bezigen, uitdraai snelle motorboten gegevens SMB, van 14 augustus 2007 (doss. pag. 317) voor zover inhoudende:
Registratienummer: [001]
Soort: Snelle motorboot
Kleur: groen wit
Type: 160BR
Materiaal: Polyester
Afgiftedatum: 14/07/2006
Tenaamstelling: 23/01/2007
Naam: [medeverdachte]
Geboren. [geboortedatum]/1967
Adres: [adres]
Merk Motor: Mercruiser
Type: Alpha One
Serienummer [002]
Het hof acht niet aannemelijk geworden, dat de motorboot niet aan medeverdachte [medeverdachte] toebehoorde, Hij heeft steeds geweigerd de naam van de pretense eigenaar te noemen, heeft de boot geruime tijd op zijn naam gehad.
4. Het als bijlage bij het stamproces-verbaal van 8 februari 2008, gevoegde, door het hof als schriftelijk bescheid als bedoeld in artikel 344, eerste lid onder 5° van het Wetboek van Strafvordering te bezigen, overzicht van advertenties op Marktplaats.nl (doss. pag 337 t/m 351).
5. Het als bijlage bij het stamproces-verbaal van 8 februari 2008, gevoegde, in de wettelijke vorm door [verbalisant 2], sociaal rechercheur, buitengewoon opsporingsambtenaar (beëdigingnummer: 6012229/0), standplaats Nieuwegein, opgemaakte proces-verbaal van 9 oktober 2007 (doss. pag. 656), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant, zakelijk weergegeven:
Op zaterdag 6 oktober 2007 zag ik in hal 2 van de Utrechtse Bazaar dat de standplaatsen 91en 92 waren ingenomen door de beide mij bekende verdachten [medeverdachte en verdachte]. Ik zag dat de standplaats bestond uit een lange tafel in "L" vorm van ongeveer 5 à 6 meter lang. Op deze tafels zag ik allemaal dozen met kinderspeelgoed dat te koop werd aangeboden. Ik zag dat verdachte [verdachte] een stuk speelgoed verkocht aan een marktbezoeker en wisselgeld aan deze man terug gaf. Later zag en hoorde ik dat verdachte [medeverdachte] tegen een bezoeker praatte over de prijs van een speelgoedauto.
Op 7 oktober 2007 trof ik in hal 2 ongeveer in het midden een standplaats aan met kinderspeelgoed. Achter deze standplaats zag ik de mij bekende [medeverdachte] samen met zijn vrouw [verdachte]. Ik zag en hoorde dat [verdachte] sprak tegen een bezoekster van de markt, die kennelijk een speelgoedpop kocht. Ik zag dat [verdachte] die vrouw als wisselgeld een bedrag van € 10,- terug gaf.
- 6.
Het als bijlage bij het stamproces-verbaal van 8 februari 2008, gevoegde, in de wettelijke vorm door [verbalisant 3] en [verbalisant 4], beiden sociaal rechercheur, buitengewoon opsporingsambtenaar, standplaats respectievelijk Nieuwegein en Amersfoort, opgemaakte proces-verbaal van 31 januari 2008 (doss. pag. 981 e.v.), voor zover inhoudende als verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven:
Ik heb één keer op de Zwarte markt in Utrecht gestaan. Ik stond daar met speelgoed. Ik stond daar met mijn man [medeverdachte]. Ik heb deze werkzaamheden niet aan de gemeente doorgegeven. We hebben daar wel wat speelgoed verkocht.
[Medeverdachte] kocht de fietsen in en verkocht ze op internet. Hij verkocht ze op Marktplaats. De fietsen werden met winst verkocht. [Medeverdachte] maakte de afspraken met de mensen en soms verkocht ik ook wel eens een fiets.
Wij hebben niet veel honden verkocht. Het zullen er hooguit 5 of 6 zijn geweest. U deelt mij mede dat [medeverdachte] telefonisch de honden te koop aanbiedt. Het zijn 6 wippertjes, hazewindhonden en 1 Chihuahua. Dat zijn 6 honden van Evita. Evita is van ons. U deelt mij mede dat ik verklaard heb dat ik drie pinchers te koop heb aangeboden en dat ik nu met 6 wippertjes aan kom. Ja,...oh goed. Wat beur je er voor. Ja... Wij zijn heel makkelijk. Die tel ik niet eens mee."
- 3.
Beoordeling van het tweede en het derde middel
- 3.1.
De middelen klagen dat de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed.
- 3.2.
Uit de gebezigde bewijsmiddelen kan niet volgen dat de verdachte werkzaamheden heeft verricht in een hennepkwekerij. Evenmin kan daaruit worden afgeleid dat zij een motorboot in haar bezit heeft gehad. Het enkele feit dat haar echtgenoot [medeverdachte] een motorboot bezat doet daaraan niet af nu het Hof niet tevens heeft vastgesteld dat zij daarvan op de hoogte was. Voor zover de middelen hierover klagen zijn deze terecht voorgesteld.
- 4.
Beoordeling van het eerste middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
5.
Slotsom
Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven, het vierde middel geen bespreking behoeft en als volgt moet worden beslist.
6. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak;
verwijst de zaak naar het Gerechtshof te Arnhem, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en Y. Buruma, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 9 oktober 2012.