Verhandelbare emissierechten in broeikasgassen
Einde inhoudsopgave
Verhandelbare emissierechten in broeikasgassen (SteR nr. 34) 2017/9.4.3:9.4.3 Hoofdstuk 5
Verhandelbare emissierechten in broeikasgassen (SteR nr. 34) 2017/9.4.3
9.4.3 Hoofdstuk 5
Documentgegevens:
mr. T.J. Thurlings, datum 01-08-2017
- Datum
01-08-2017
- Auteur
mr. T.J. Thurlings
- JCDI
JCDI:ADS608223:1
- Vakgebied(en)
Energierecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In hoofdstuk 5 is de werking van het ETS-register besproken, zoals het is vastgelegd in Verordening (EU) 389/2013, en uitgewerkt in Nederlandse regelgeving. Daarbij stond de volgende deelvraag centraal:
Hoe functioneert de handel in emissierechten binnen het EU-register waarin de emissierechten worden geregistreerd? Welke beperkingen vloeien er uit deze regelgevingvoort voor de Nederlandse wetgeving en praktijk, en voldoet de Nederlandse wetgeving en praktijk aan deze beperkingen?
In paragraaf 5.2 kwam de werking van het register uitgebreid aan bod, voor zover van belang voor het ETS. De registeraspecten van de opening van een rekening, de overdrachten, de bescherming van het ‘eigendomsrecht’, de toewijzing levering en veiling van emissierechten, het gebruik van internationale kredieten, de afschrijving en inlevering van emissierechten, en annulering van internationale kredieten zijn aan bod gekomen. In deze paragraaf werden enkele gevolgen voor de Nederlandse rechtsorde reeds zijdelings besproken. De sterke positie van de verkrijger van een emissierecht - een verkrijger wordt vermoed rechthebbende te zijn, wanneer hij te goeder trouw handelt verkrijgt hij een emissierecht vrij van gebreken - valt daarbij op.
Bestuursrechtelijk van belang is dat besluiten inzake het beheer van rekeningen (waaronder de opening) worden genomen door de nationale administrateur (naar Nederlands recht een ambtenaar werkzaam bij de NEa, die door het bestuur van de NEa wordt aangewezen). De nationale administrateur is, zoals in hoofdstuk 6 wordt uitgewerkt, als een bestuursorgaan in de zin van artikel 1:1 onder a Awb te kwalificeren. Onder meer de besluiten inzake de opening van rekeningen zijn daarmee als besluiten in de zin van artikel 1:3 Awb te kwalificeren.
In paragraaf 5.3 werden de Nederlandse uitwerkingsregelingen behandeld. Grotendeels is de Nederlandse uitwerking conform de Verordening. Bij de regeling van de onherroepelijkheid van een overdracht moet evenwel worden vastgesteld dat er strijd ontstaat met de Verordening, nu de onherroepelijkheid is geregeld door de Verordening. Ingevolge de jurisprudentie van het Hof van Justitie is een implementatie van een Verordening niet toegestaan, zelfs als de nationale regeling (vrijwel) hetzelfde rechtsgevolg tracht te bewerkstelligen. Deze strijd is evenwel van ondergeschikt belang. Voor de praktijk zal deze strijdigheid geen gevolgen hebben. Ook staan de extra kosten die gerekend worden voor een rekening met toegang tot extra diensten van de NEa, waaronder een helpdesk, op gespannen voet met Verordening (EU) 389/2013. Verder is gesuggereerd dat de regeling omtrent de uitsluiting van het pandrecht en het recht van vruchtgebruik niet noodzakelijk is in het kader van de Verordening. De Verordening staat aan dergelijke beperkte (zekerheids)rechten niet in de weg. Aangezien beperkte (zekerheids)rechten regelingen van nationale aard zijn en de uitsluiting ervan de handel in emissierechten verder niet beperkt, is deze uitsluiting toelaatbaar en handelt Nederland in zoverre niet in strijd met het EU-recht.
Wel levert het niet aanwijzen in de Nederlandse regelgeving van de ‘desbetreffende autoriteit krachtens het nationale recht’ onduidelijkheden op. Ten aanzien van sommige besluiten van de nationale administrateur op grond van Verordening (EU) 389/2013 kan ingevolge die Verordening alleen bij die autoriteit bezwaar worden ingediend. In hoofdstuk 6 is uitgewerkt hoe deze leemte in de rechtsbescherming naar nationaal recht kan worden ondervangen.