Einde inhoudsopgave
De geschillenregeling ten gronde (VDHI nr. 108) 2011/VII.5.1
VII.5.1 Inleiding
prof.mr. C.D.J. Bulten, datum 28-04-2011
- Datum
28-04-2011
- Auteur
prof.mr. C.D.J. Bulten
- JCDI
JCDI:ADS373745:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
De volgende auteurs achten de analoge toepassing van de geschillenregeling in kort geding mogelijk: Slagter, commentaar onder Hof Den Bosch 14 januari 1999, Ondememingsrecht 1999, p. 276; Leijten (1999/1), p. 328; Losbl. Rp. (Roest), art. 336, aant. 5; en Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 241* (2009), nr. 724. Het kamp van de tegenstanders wordt gevormd door Groffen, noot onder Pres. Rb. Breda 13 maart 1998, JOR 1998/61 (Wighers/De Jong); en Van Hassel (2005), p. 109-120. Janssen (2004), p. 210-213, aarzelt maar neemt uiteindelijk niet een duidelijk standpunt in.
Een procedure tot uitstoting of uittreding duurt lang, veelal enkele jaren. De lange duur is, zoals ik schreef, een van de knelpunten van de huidige procedure. In de praktijk is daarom een aantal malen geprobeerd een aandeelhouder bij wijze van onmiddellijke voorziening uit te stoten. Ook werd eenmaal de uittreding in kort geding gevorderd. De toepassing van een vordering van de geschillenregeling in kort geding is omstreden. In de literatuur heerst onenigheid over het antwoord op de vraag of analoge toepassing van de geschillenregeling in kort geding kan.1
Ik bespreek eerst de grondslag voor het vragen van een voorlopige voorziening in kort geding, zie art. 254 Rv. Vervolgens bepleit ik dat de uitstoting van een aandeelhouder in kort geding met analoge toepassing van de uitstotingsvordering van de geschillenregeling (art. 2:336 lid 1 BW) mogelijk is. Dit werd tot nu toe driemaal ook toegewezen. Deze jurisprudentie komt uitgebreid aan bod, omdat hierin een aantal belangrijke voorwaarden voor de toepassing van de geschillen-regeling in kort geding naar voren komen. Mede aan de hand van deze uitspraken en van de afgewezen vorderingen, formuleer ik een aantal voorwaarden waaraan de kortgedingrechter analoge toepassing van de geschillenregeling dient te toetsen. De geuite bezwaren tegen het gebruik van de geschillenregeling in kort geding komen eveneens aan de orde.
Een voorziening in kort geding werd niet alleen gevraagd voor een vordering tot uitstoting of uittreding zelf, maar ook in verband met een reeds geëntameerde procedure bij de 'gewoon bevoegde rechtbank'. Aan het eind van deze paragraaf ga ik hier op in.