Einde inhoudsopgave
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/4.3.4
4.3.4 Bestanddelen op grond van art. 3:4 lid 2 BW
mr. J.C.T.F. Lokin, datum 01-03-2022
- Datum
01-03-2022
- Auteur
mr. J.C.T.F. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS645030:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Wichers merkte terecht op dat de redactie tussen lid 1 en lid 2 verschillend is (Wichers (2002), p. 95-96). Het eerste lid houdt zich bezig met de vraag wanneer sprake is van een eenheidszaak. Het tweede lid beoogt duidelijkheid te geven over de positie van de zaken die verbonden zijn met een hoofdzaak. Een eenheidszaak (lid 1) en een hoofdzaak (lid 2) zijn echter verschillende categorieën. De vraag of een hoofdzaak aanwezig is, wordt pas relevant bij het vaststellen wie de eigenaar is van de eenheidszaak. Is lid 2 niet van toepassing als na de verbinding geen “hoofdzaak” valt aan te wijzen? Het tweede lid veronderstelt immers een hoofdzaak. Het antwoord op deze vraag moet ontkennend luiden. Als na de verbinding van twee zaken geen hoofdzaak is aan te wijzen, zijn deze zaken bestanddelen geworden van de eenheidszaak. Zie uitgebreid over de totstandkoming van deze “ongelukkige redactie”: Wichers (2002), p. 95 e.v.
Spath, AA 2004/02, p. 91; Wichers (2002), p. 96 e.v.; Snijders & Rank-Berenschot (2017), p. 28 e.v.
VV II, art. 3.1.1.3, Parl. Gesch. Boek 3, p. 73.
Zie ook: HR 13 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1786, Ro. 3.3.1.
MvA II, art. 3.1.1.3, Parl. Gesch. Boek 3, p. 74.
Het tweede lid luidde oorspronkelijk: “Een zaak, die met een hoofdzaak zodanig verbonden is, dat zij daarvan niet kan worden afgescheiden zonder de hoofdzaak te beschadigen of te breken, is een bijzaak en vormt een bestanddeel van die hoofdzaak.”
Zie ook TM, art. 3.1.1.3, Parl. Gesch. Boek 3, p. 72.
In lid 2 van art. 3:4 BW is een afzonderlijke bepaling opgenomen die aangeeft wanneer zaken na de verbinding als bestanddelen moeten worden aangemerkt:
“Een zaak die met een hoofdzaak zodanig verbonden wordt dat zij daarvan niet kan worden afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis wordt toegebracht aan een der zaken, wordt bestanddeel van de hoofdzaak.”1
Terwijl het eerste lid de verkeersopvatting laat bepalen of sprake is van een eenheidszaak, stelt het tweede lid dat daar geen ruimte voor is als een bestanddeel niet kan worden afgescheiden zonder het toebrengen van “beschadiging van betekenis”. In lid 2 is het criterium van de materiële verbondenheid opgenomen, dat onder het OBW werd aangeduid met de term “aard- en nagelvast”.2 Bij de totstandkoming van het artikel werd de vraag gesteld of hierdoor lid twee niet te zeer een “dwingend karakter draagt”.3 Het korte antwoord uit de Memorie van Antwoord (MvA) luidde dat dergelijke ruimte voor aard- of nagelvaste verbindingen ongewenst is.4 De regel is “van de oudste tijden af en de ondergetekende ziet geen aanleiding hem te wijzigen”.5 Leidt een afscheiding tot een “beschadiging van betekenis”, dan is het onderdeel een bestanddeel, ongeacht de opvatting in het verkeer. Als is vastgesteld dat afscheiding tot gevolg heeft dat beschadiging van betekenis wordt toegebracht aan een der zaken, dan is het irrelevant wat de verkeersopvatting is. In de praktijk zal het ene criterium (beschadiging van betekenis) het andere (de verkeersopvatting) niet “bijten”. Als het losmaken van een deel een flinke beschadiging tot gevolg heeft, dan zal volgens de verkeersopvatting sprake zijn van een bestanddeel.
De oorspronkelijke tekst in het Ontwerp Meijers van lid 2 art. 3:4 BW stelde dat de onderdelen die niet zonder beschadiging of verbreking van een zaak konden worden afgescheiden, “bijzaken” waren.6 Uit deze redactie is af te leiden, dat het tweede lid is gemaakt voor de categorie zaken die onder het OBW onder de noemer “bijzaken” vielen. Deze zaken waren dusdanig met een hoofdzaak verbonden dat zij daarvan niet zonder “beschadiging” of “verbreking” konden worden losgemaakt.7 Het vereiste van verbreking is geschrapt. Breken zonder beschadiging is niet mogelijk en derhalve voegt het woord niets toe. Ook de term “bijzaak” is weggelaten. Meijers stelde de “bijzaken” gelijk aan de “bestanddelen”, waardoor tussen de begrippen juridisch geen verschil bestond. Vandaar dat het geen meerwaarde had om het woord in het artikel op te nemen, het kon slechts aanleiding geven tot misverstanden.