Met betrekking tot de rolnummers 22-004492-16 en 22-001038-18 (gevoegd). De parketnummers in eerste aanleg betreffen 10-680438-15 en 10-680701-16.
HR, 01-11-2022, nr. 20/04172
ECLI:NL:HR:2022:1564
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
01-11-2022
- Zaaknummer
20/04172
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2022:1564, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 01‑11‑2022; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2022:759
ECLI:NL:PHR:2022:759, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 13‑09‑2022
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2022:1564
Beroepschrift, Hoge Raad, 13‑08‑2021
Beroepschrift, Hoge Raad, 02‑08‑2021
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2022-0216
Uitspraak 01‑11‑2022
Inhoudsindicatie
Als leider van evangelisch therapeutisch centrum ontucht plegen met vrouwen (meermalen gepleegd), art. 249.2.3 Sr. Oplegging contactverbod als vrijheidsbeperkende maatregel, art. 38v Sr. 1. Kon hof vrijheidsbeperkende maatregel opleggen, nu bewezenverklaarde ook betrekking heeft op periodes vóór 1-4-2012 toen art. 38v Sr nog niet in werking was getreden? 2. Maximale duur van gijzeling bij schadevergoedingsmaatregel, art. 36f Sr. Kon hof duur van gijzeling op 365 dagen bepalen? Ad 1. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2018:79, inhoudende dat art. 38v Sr voorziet in mogelijkheid een vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen en dat invoering van deze bepaling een wijziging van toepasselijke regels van sanctierecht inhoudt. In aanmerking genomen dat hof de bewezenverklaarde feiten telkens heeft gekwalificeerd als meermalen gepleegd en uit bewijsvoering kan worden afgeleid dat een aantal van de bewezenverklaarde feiten is begaan op of na 1-4-2012, geeft oplegging van vrijheidsbeperkende maatregel niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Ad 2. Hof heeft verdachte schadevergoedingsmaatregelen opgelegd, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door respectievelijk 160 en 205 (in totaal 365) dagen gijzeling. O.g.v. art. 36f.5 Sr bepaalt rechter bij oplegging van maatregel de duur volgens welke met toepassing van art. 6:4:20 Sv gijzeling kan worden toegepast. Duur van gijzeling beloopt (ook in gevallen van samenloop a.b.i. art. 57 en 58 Sr (vgl. art. 60a Sr)) ten hoogste 1 jaar, waarbij in deze zaak geldt dat onder 1 jaar 360 dagen moet worden verstaan (vgl. HR:2022:714). HR vernietigt ’s hofs uitspraak en vermindert zelf duur van gijzeling in die zin dat is voldaan aan wettelijk bepaald maximum van 1 jaar. HR bepaalt dat met toepassing van art. 6:4:20 Sv gijzeling van 158 en 202 dagen kan worden toegepast.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 20/04172
Datum 1 november 2022
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 4 december 2020, nummers 22-001038-18 en 22-004492-16, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1940,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens de verdachte heeft H.M.W. Daamen, advocaat te Maastricht, bij schriftuur en aanvullende schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schrifturen zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend ten aanzien van de duur van de toegepaste gijzeling met betrekking tot de schadevergoedingsmaatregelen ten behoeve van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , tot bepaling dat ten aanzien van deze schadevergoedingsmaatregelen gijzeling van respectievelijk 158 en 202 dagen kan worden toegepast, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het vierde cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt over de beslissing van het hof tot oplegging van de vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), te weten een contactverbod met [slachtoffer 1] en met [slachtoffer 2] . Het voert daartoe aan dat het bewezenverklaarde ten aanzien [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ook betrekking heeft op periodes vóór 1 april 2012 toen artikel 38v Sr nog niet in werking was getreden.
2.2.1
Ten laste van de verdachte is onder meer bewezenverklaard dat:
“2.
hij op een of meerdere tijdstippen in de periode van 01 december 2008 tot en met 30 september 2012 te [plaats] en [plaats] en [plaats] en/of elders in Nederland,meermalen,terwijl hij toen werkzaam was in de gezondheidszorg of de maatschappelijke zorg, ontucht heeft gepleegd met [slachtoffer 1] , die zich als patiënt of cliënt aan verdachtes hulp of zorg had toevertrouwd,immers heeft hij als therapeut of hulpverlener in zijn relatie met haar ontuchtig
- haar schaamstreek en/of borst(en) betast en/of
- zijn penis door haar laten betasten en/of likken en/of zoenen en/of
- aan haar borst(en)/tepel(s) gezogen en/of gelikt en/of
- zijn vinger(s) in haar vagina gebracht en/of gehouden en/of
- in/aan haar vagina, althans tussen/aan haar schaamlippen, gelikt en/of
- zijn penis in haar mond gebracht en/of gehouden en/of
- zich door haar laten aftrekken en/of
- zijn penis in haar vagina en/of anus en/of tussen haar schaamlippen gebracht en/of gehouden en/of
- haar ge(tong)zoend;
5.
hij op een of meerdere tijdstippen in de periode van 09 september 2004 tot en met 31 december 2012 te [plaats] en/of elders in Nederland,
meermalen,
terwijl hij toen werkzaam was in de gezondheidszorg of de maatschappelijke zorg, ontucht heeft gepleegd met [slachtoffer 2] , die zich als patiënt of cliënt aan verdachte's hulp of zorg had toevertrouwd,
immers heeft hij als therapeut of hulpverlener in zijn relatie met haar ontuchtig
- haar vagina en/of borsten betast en/of gelikt en/of
- zijn penis in haar vagina , en/of mond gebracht en/of gehouden;
- zijn vinger in haar anus gebracht.”
2.2.2
Het hof heeft dit bewezenverklaarde gekwalificeerd als telkens:
“werkzaam in de gezondheidszorg of de maatschappelijke zorg, ontucht plegen met iemand die zich als patiënt of cliënt aan zijn hulp of zorg heeft toevertrouwd, meermalen gepleegd.”
2.2.3
Deze bewezenverklaring steunt op onder meer de volgende bewijsmiddelen:
“6. Een proces-verbaal van aangifte d.d. 16 november 2014 (...). Dit proces-verbaal houdt onder meer in (...):als de op 5 november 2014 afgelegde verklaring van [slachtoffer 1] :(...)
In december 2011 heb ik voor de laatste keer één op één seksueel contact gehad met [verdachte] . Ik heb dan nog ik denk tussen de zes en tien keer seks met [betrokkene 1] erbij. Vanaf juni 2012 gebeurde dat buiten het terrein van [A] . De laatste keer was in de zomer van 2012 in de caravan van [betrokkene 1] , die staat op het terrein van het chalet [verdachte] en [betrokkene 2] in [plaats] .
21. Een proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 24 juli 2015 (...). Dit proces-verbaal houdt onder meer in (...):
als de op 24 juli 2015 afgelegde verklaring van [slachtoffer 2] :
(...)
De begeleiding werd overgenomen door [verdachte] . Door hem werd aan mij voorgesteld om op [A] te komen wonen. Dat zal in 2001 zijn geweest dat ik op [A] ben gaan wonen. (...)
Het komt er in het kort op neer dat toen ik bij [verdachte] terechtkwam hij zich niet zo netjes gedragen heeft en hij mij seksueel benaderde en dat heeft hij 12 jaar gedaan. Als je het hebt over begeleiding, dan stopte hij het daar onder. Maar hij wilde gewoon seks met mij. En hij liet aan de andere teamleden blijken dat hij gesprekken met mij had maar dan gebeurde het dat hij met mij alleen was en dan we dan seks hadden. Dit gebeurde al een jaar kort nadat ik intern ben gaan wonen op [A] .
(...)De seks tussen [verdachte] en mij heeft ongeveer 12 jaar geduurd.(...)Hij kwam bijna elke morgen naar mij toe en dat resulteerde tot zeker 3 keer in de week in seks.”
2.2.4
De bestreden uitspraak bevat ten aanzien van de strafoplegging onder meer de volgende beslissing:
“Het hof:(...)
Legt op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid inhoudende dat de verdachte voor de duur van 2 jaren op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum] 1973, en [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum] 1968.”
2.3.1
“1. Ter beveiliging van de maatschappij of ter voorkoming van strafbare feiten kan een maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid worden opgelegd bij de rechterlijke uitspraak:1°.waarbij iemand wegens een strafbaar feit wordt veroordeeld;2°.waarbij overeenkomstig artikel 9a wordt bepaald dat geen straf zal worden opgelegd.
2. De maatregel kan inhouden dat de verdachte wordt bevolen:(...)
b. zich te onthouden van contact met een bepaalde persoon of bepaalde personen.”
2.3.2
In zijn arrest van 23 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:79 over artikel 38v Sr heeft de Hoge Raad onder meer overwogen:
“3.4.2 Artikel 38v Sr is ingevoerd bij de Wet van 17 november 2011 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafvordering in verband met de invoering van een rechterlijke vrijheidsbeperkende maatregel (rechterlijk gebieds- of contactverbod) (Stb. 2011, 546). Deze wet is in werking getreden op 1 april 2012.
3.5.
Art. 38v Sr voorziet in de mogelijkheid een vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen. De invoering van deze bepaling houdt derhalve een wijziging in van de toepasselijke regels van sanctierecht. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat het bewezenverklaarde feit dat door het Hof als één misdrijf is gekwalificeerd mede vóór 1 april 2012 is begaan, heeft het Hof miskend dat de genoemde bepaling buiten toepassing dient te blijven.”
2.3.3
In aanmerking genomen dat het hof de bewezenverklaarde feiten 2 (met betrekking tot [slachtoffer 1] ) en 5 (met betrekking tot [slachtoffer 2] ) telkens heeft gekwalificeerd als meermalen gepleegd en uit de bewijsvoering kan worden afgeleid dat een aantal van de onder 2 en 5 bewezenverklaarde feiten is begaan op of na 1 april 2012 geeft de oplegging van de vrijheidsbeperkende maatregel niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
2.4
Het cassatiemiddel faalt.
3. Beoordeling van het vijfde cassatiemiddel
3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat met betrekking tot de opgelegde schadevergoedingsmaatregelen de duur van de gijzeling is bepaald op in totaal 365 dagen.
3.2
Het hof heeft de verdachte de verplichting opgelegd, kort gezegd, om aan de Staat ten behoeve van de in het arrest genoemde slachtoffers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] de in het arrest vermelde bedragen te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door respectievelijk 160 en 205 dagen gijzeling.
3.3
Op grond van artikel 36f lid 5 Sr bepaalt de rechter bij de oplegging van de maatregel de duur volgens welke met toepassing van artikel 6:4:20 Wetboek van Strafvordering gijzeling kan worden toegepast. De duur van de gijzeling beloopt – ook in gevallen van samenloop zoals bedoeld in artikel 57 en 58 Sr (vgl. artikel 60a Sr) – ten hoogste één jaar, waarbij in deze zaak geldt dat onder één jaar 360 dagen moet worden verstaan (vgl. HR 24 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:714).
3.4
Het cassatiemiddel slaagt. De Hoge Raad zal de uitspraak van het hof vernietigen en zelf de duur van de gijzeling verminderen in die zin dat is voldaan aan het wettelijk bepaalde maximum van één jaar.
4. Beoordeling van de overige cassatiemiddelen
De beoordeling door de Hoge Raad van het eerste, het tweede, het derde en het zesde cassatiemiddel heeft als uitkomst dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van de uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
5. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de gijzeling die is verbonden aan de opgelegde schadevergoedingsmaatregelen;
- bepaalt dat met toepassing van artikel 6:4:20 Sv ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] gijzeling van 158 dagen kan worden toegepast en ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] gijzeling van 202 dagen kan worden toegepast;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren J.C.A.M. Claassens en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 november 2022.
Conclusie 13‑09‑2022
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Ontuchtzaak rondom zorginstellingen De Neshoeve en Hoeve Jedidja. De verschillende in cassatie opgevoerde klachten leiden naar het oordeel van de AG niet tot cassatie, m.u.v. het aantal toe te passen dagen gijzeling m.b.t. de opgelegde schadevergoedingsmaatregelen. Conclusie strekt tot gedeeltelijke vernietiging en afdoening door HR.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer20/04172
Zitting 13 september 2022
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1940,
hierna: de verdachte
Het cassatieberoep
1. Het gerechtshof Den Haag heeft de verdachte bij arrest van 4 december 20201.wegens onder feit 2 tweede cumulatief/alternatief, onder feit 5 tweede cumulatief/alternatief en onder feit 7, telkens inhoudende “werkzaam in de gezondheidszorg of de maatschappelijke zorg, ontucht plegen met iemand die zich als patiënt of cliënt aan zijn hulp of zorg heeft toevertrouwd, meermalen gepleegd”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 66 maanden en de bijkomende straf van ontzetting uit het beroep opgelegd. Daarnaast heeft het hof een vrijheidsbeperkende maatregel en twee schadevergoedingsmaatregelen opgelegd en tevens beslist op de vorderingen van een drietal benadeelde partijen, een en ander zoals nader in het arrest bepaald.
2. Het gaat in deze zaak om (de verdenking van) ontuchtige handelingen die jarenlang plaatsvonden in het [A] te [plaats] en het [B] te [plaats] en [plaats] . De verdachte was van deze instellingen de (geestelijk) leider en/of werkzaam als hulpverlener/therapeut. In het kader van therapie zouden seksuele handelingen hebben plaatsgevonden met meerdere patiënten/cliënten die in deze instellingen verbleven. De verdachte is onder meer verkrachting van en ontucht met diverse cliënten, terwijl deze aan zijn zorg waren toevertrouwd, ten laste gelegd. In hoger beroep ging het daarbij specifiek (nog) om de volgende vrouwen: [slachtoffer 1] (feit 2), [slachtoffer 2] (feit 3), [slachtoffer 3] (feit 4), [slachtoffer 4] (feit 5) en [slachtoffer 5] (feit 7, gevoegde zaak). Het hof heeft de ontucht bewezen verklaard ten aanzien van [slachtoffer 1] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] . Het hof heeft de verdachte integraal vrijgesproken met betrekking tot [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] .
3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. H.M.W. Daamen, advocaat te Maastricht, heeft bij schriftuur en aanvullende schriftuur in totaal zes middelen van cassatie voorgesteld. Gelet op de inhoud van de daarin vervatte klachten, bespreek ik achtereenvolgens het eerste, tweede, zesde, derde, vierde en tot slot het vijfde middel.
Het eerste middel
De klacht
4. Het eerste middel bevat de klacht dat de samenstelling van het hof is gewijzigd na de onderbreking van het onderzoek ter terechtzitting op 9 november 2020, althans dat het bestreden arrest is gewezen door andere raadsheren dan de raadsheren die laatstelijk aan het onderzoek ter terechtzitting hebben deelgenomen.
De procedurele gang van zaken bij het hof
5. Het gaat thans om aanvankelijk twee zaken met elk een eigen parket- en rolnummer die in hoger beroep zijn gevoegd. In deze zaken vonden eerder regiezittingen en schorsingen van het onderzoek ter terechtzitting plaats. De inhoudelijke behandeling van de inmiddels gevoegde zaken vond vervolgens plaats op de zittingsdagen 5, 6 en 9 november 2020, waarbij het onderzoek ter terechtzitting op 5 november opnieuw is aangevangen wegens een wijziging van de samenstelling van het hof. Op de zittingsdagen 5, 6 en 9 november 2020 was het hof samengesteld uit de raadsheren Van Delden, Van Walree en Limborgh. Aan het eind van de zittingsdag van 5 november en die van 6 november 2020 heeft de voorzitter het onderzoek ter terechtzitting telkens onderbroken tot respectievelijk 6 en 9 november 2020.
6. Het hof heeft op 9 november 2020 het onderzoek ter terechtzitting wederom onderbroken, en wel tot 23 november 2020, zulks uitsluitend om op die datum na hervatting het onderzoek te sluiten en uitspraak te doen. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting van 5, 6, 9 en 23 november 2020 blijkt dat de advocaat-generaal en de raadsman desgevraagd hebben meegedeeld dat zij er geen bezwaar tegen hebben indien de sluiting van het onderzoek geschiedt door het hof in een andere samenstelling.
7. Het proces-verbaal van de terechtzitting van 5, 6, 9 en 23 november 2020 houdt in dat het onderzoek op 23 november 2020 is hervat in de stand waarin het zich op 9 november 2020 bevond. De verdachte en de raadsman waren 23 november 2020 niet in de zittingzaal aanwezig. Het onderzoek is vervolgens gesloten. Het hof was op deze dag samengesteld uit de raadsheren Van Delden, Wijnnobel-van Erp en Limborgh. Kortom, mr. Van Walree heeft zich op de zittingsdag van 23 november 2020 als ‘oudste’ raadsheer laten vervangen door mr. Wijnnobel-van Erp.
8. Op 4 december 2020 heeft het hof vervolgens uitspraak gedaan. Zowel de samenstelling van het hof op de terechtzitting van de uitspraak van 4 december 2020 als de samenstelling die de uitspraak heeft ondertekend, betreft dezelfde als die van het hof tijdens de zittingsdagen 5, 6 en 9 november 2020, te weten de raadsheren Van Delden, Van Walree en Limborgh.
Toelichting op de klacht
9. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat, anders dan bij schorsing (artikel 281 Sv), de wet bij onderbreking van het onderzoek op de voet van artikel 277 Sv zoals hier aan de orde, niet de mogelijkheid biedt om de samenstelling van het hof te wijzigen. Steun daarvoor kan worden gevonden in de wettelijke systematiek, in het bijzonder ook de artikelen 319 en 322 Sv en de wetsgeschiedenis.2.Dat de raadsman heeft medegedeeld geen bezwaar te hebben tegen sluiting van het onderzoek door een andere samenstelling van het hof, doet hieraan niet af. In de tweede plaats is het arrest gewezen door een samenstelling die niet dezelfde was als de samenstelling ten tijde van de sluiting van het onderzoek in hoger beroep. Dit roept de vraag op in welke samenstelling de beraadslaging in raadkamer, die in de regel plaatsvindt aansluitend op de sluiting van het onderzoek, heeft plaatsgevonden: met Van Walree of Wijnnobel-van Erp? Aldus blijkt niet dat de raadsheren die het arrest hebben gewezen, hebben beraadslaagd en beslist naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting.3.Dit dient te leiden tot nietigheid, aldus de steller van het middel.
De beoordeling van het eerste middel
10. De terechtzitting van 5, 6, 9 en 23 november 2020 is telkens onderbroken tot de volgende zittingsdag. Met de aan artikel 277 Sv ontleende term ‘onderbreking’ wordt, in de woorden van Corstens gedoeld op een aanhouding wegens in hoofdzaak huishoudelijke belangen.4.Voorbeelden zijn een lunchpauze of het feit dat er meer tijd nodig is voor een pleidooi. Bij schorsing (artikel 281 Sv) staat een aanhouding wegens zakelijke belangen centraal, zoals het laten doen van onderzoek of het oproepen en horen van getuigen, waaraan specifieke processuele consequenties verbonden zijn (zoals regels omtrent de oproeping).5.
11. Het ‘onmiddellijkheidsbeginsel’ vormt één van de uitgangpunten voor de inrichting van het strafproces.6.Dit beginsel brengt onder meer mee dat steeds dezelfde rechters op het onderzoek ter terechtzitting aanwezig zijn en diezelfde rechters naar aanleiding van dat onderzoek beraadslagen, beslissen en uitspraak doen. Om die reden is in artikel 322 lid 2 Sv als hoofregel opgenomen dat het onderzoek opnieuw moet worden aangevangen indien in het geval van schorsing de samenstelling van het gerecht wordt gewijzigd. Anders dan bij schorsing, voorziet de wet inderdaad niet in de mogelijkheid om bij onderbreking de samenstelling van de zittingscombinatie te wijzigen. Het middel wijst hierop met juistheid. Ik meen echter dat het middel wegens (evident) gebrek aan belang niet tot cassatie hoeft te leiden.7.
12. De raadsman heeft op 9 november 2020 expliciet met een wijziging van de samenstelling ingestemd. De gang van zaken liet er bij de procesdeelnemers in dat verband geen twijfel over bestaan dat de beraadslaging en uitspraak nog wel door de zittende samenstelling zou worden gedaan, alleen de sluiting van het onderzoek niet. Een en ander strekte ertoe het hof meer tijd te gunnen voor de beraadslaging en voor het wijzen van arrest. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting volgt dat op 23 november 2020 – overeenkomstig het besprokene op de zittingsdag van 9 november 2020 – géén inhoudelijke behandeling heeft plaatsgehad, maar slechts de sluiting van het onderzoek ter terechtzitting. Van onzekerheid over welke raadsheren hebben beraadslaagd en beslist naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting is (daarom) ook geen sprake. Aan het onmiddellijkheidsbeginsel is dus niet tekortgedaan.
13. Het eerste middels is duidelijk vergeefs voorgesteld.
Het tweede middel
14. Het tweede middel bevat de klacht dat het hof in strijd met artikel 311 Sv en 6 EVRM de verdachte onvoldoende in de gelegenheid heeft gesteld ter terechtzitting zijn verdediging te voeren.
De procedurele gang van zaken
15. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting van 5, 6, 9 en 23 november 2020 blijkt samengevat, voor zover hier van belang, het volgende. De verdachte is op 5 november 2020 eerst in algemene zin bevraagd door het hof over zijn positie en rol in het [A] . Vervolgens zijn de individuele zaken/feiten, c.q. slachtoffers, besproken. Bij de bespreking van de eerste zaak inzake [slachtoffer 1] verklaarde de verdachte op een gegeven moment dat de verklaringen van een aantal getuigen over de aard van zijn relatie met [slachtoffer 1] niet berusten op de waarheid. De verdachte gaf te kennen dat hij alles heel nauwkeurig met bronvermeldingen heeft uitgewerkt in een verweerschrift. De raadsman vulde daarop aan dat de verdachte ter voorbereiding op de inhoudelijke behandeling van de gevoegde zaken een verweerschrift heeft opgesteld en daarop doelde. Dit verweerschrift is omvangrijk (2.600 pagina’s) en de raadsman heeft de verdachte geadviseerd hiervan een samenvatting te maken. De raadsman achtte het wenselijk het verweerschrift in te brengen, omdat de verdachte de indruk had onvoldoende tijd te krijgen om de inhoud daarvan tijdens de inhoudelijke behandeling naar voren te brengen. De raadsman voerde in dit verband aan dat hij voorafgaand aan de zitting te kennen heeft gegeven minstens vijf dagen voor de inhoudelijke behandeling nodig te hebben en dat er door het hof slechts vier dagen, waarvan één dag als uitloopdag, voor de inhoudelijke behandeling waren uitgetrokken. Ook voerde hij aan dat de verdachte zich tekortgedaan voelt en verzocht hij het hof een beslissing te nemen over het in ontvangst nemen van de schriftelijke uitweiding van de verdachte. De raadsman gaf aan dat de verdediging “an sich” niet om aanhouding van de behandeling van de zaak verzocht en dat het de wens van de verdachte was dat het hof en het Openbaar Ministerie op enig moment, welk moment ook na de inhoudelijke behandeling van de zaken kon liggen, kennis kunnen nemen van de inhoud van het verweerschrift. De verdachte gaf te kennen ook een samenvatting van het verweerschrift te hebben van ongeveer 150 pagina’s, alleen heeft hij daarin de zaak [slachtoffer 5] nog niet kunnen verwerken. Het hof heeft vervolgens op diezelfde dag besloten het verzoek tot voeging van het verweerschrift van 2.600 pagina’s af te wijzen. Deze beslissing motiveerde het hof als volgt:
“Het hof is van oordeel dat het verzoek tijdens de inhoudelijke behandeling van de feiten in hoger beroep en derhalve in een zeer laat stadium van het geding is gedaan. Daarnaast betreft het geschrift een verweerschrift dat 2.600 pagina's behelst en aldus zodanig groot van omvang is dat voeging ervan in het dossier een enorme impact op het strafproces tot gevolg zou hebben. Wat betreft de aard van het in te brengen geschrift oordeelt het hof dat door de verdachte en zijn raadsman een omschrijving van het verweerschrift is gegeven en dat de verdachte op de terechtzitting van heden uitgebreid in de gelegenheid is gesteld om datgene naar voren te brengen wat hij noodzakelijk acht. De verdachte zal op de terechtzitting van 6 november 2020, tot aan de lunchpauze, hiertoe alsnog en eveneens in de gelegenheid worden gesteld.”
16. Op de zittingsdag van 6 november 2020 overhandigde de verdachte vervolgens een ordner met daarin de samenvatting van het verweerschrift en deelde hij mee dat hij in de ochtend wegens tijdgebrek niet zou toekomen aan bespreking van de zaak [slachtoffer 5] . De voorzitter gaf daarop te kennen dat de verdachte uitsluitend deze ochtend naar voren zou kunnen brengen wat hem daartoe dienstig voorkwam. Vervolgens voerde de verdachte het woord aan de hand van zijn ingediende samenvatting. Na een korte onderbreking gedurende de ochtend herhaalde de voorzitter dat de verdachte tot aan de lunchpauze de gelegenheid kreeg om nog datgene naar voren te brengen wat hij noodzakelijk achtte. Na de lunch constateerde het hof dat de verdachte tot aan pagina 20 van feit 5 is gekomen met het naar voren brengen van de door hem opgestelde samenvatting. Vervolgens kreeg de advocaat-generaal het woord voor het voeren van haar requisitoir en legde zij haar vorderingen over. Het onderzoek werd daarop onderbroken tot 9 november 2020.
17. Op 9 november 2020 kreeg de raadsman van de verdachte het woord voor pleidooi. Daarna kreeg de raadsman van de benadeelde partijen het woord. De voorzitter onderbrak de zitting vervolgens voor een lunchpauze. Na hervatting van het onderzoek deelde de raadsman mee dat de verdachte tijdens de onderbreking had aangegeven dat hij in gelegenheid wilde worden gesteld om zich te verweren in de zaak [slachtoffer 5] en hij wenste dat op de zitting van vandaag te doen. Ook wilde hij reageren op het requisitoir van de advocaat-generaal en wilde daar morgen de tijd voor krijgen. De verdachte meende hiervoor onvoldoende tijd te hebben gehad. De reactie van de advocaat-generaal hield in dat zij van mening was dat het verzoek primair diende te worden afgewezen en subsidiair dat de mogelijkheid tot het voeren van nader verweer heel beperkt zou worden toegelaten en er een tijdslimiet aan zou worden verbonden. Na een onderbreking van de zitting voor beraad besliste het hof als volgt:
“De verdachte is op de terechtzitting van 5 en 6 november 2020 reeds zeer uitgebreid in de gelegenheid gesteld het woord te voeren, hetgeen op zich al een uitzonderlijke situatie betreft. De aan de verdachte verstrekte tijd voor het voeren van het woord ter verdediging is reeds van tevoren door het hof afgeschermd en aan de verdachte kenbaar gemaakt. De verdachte heeft de aan hem verstrekte tijd naar eigen inzicht besteed en de wijze waarop hij dat heeft gedaan, komt naar het oordeel van het hof voor zijn eigen rekening. Om desondanks aan de wensen van de verdachte tegemoet te komen, zal het hof de verdachte andermaal in de gelegenheid stellen om datgene naar voren te brengen wat hij thans wenselijk acht. Deze spreektijd zal gelet op het hiervoor overwogene worden beperkt tot een half uur.”
De verdachte voerde daarop het woord. Vervolgens kregen de advocaat-generaal en de raadsman de gelegenheid voor repliek en dupliek. Na afloop daarvan deelde de verdachte mee drie USB-sticks te hebben meegenomen met daarop digitaal het uit 2.600 pagina's bestaande verweerschrift. De voorzitter gaf daarop te kennen dat het hof deze USB-sticks niet in ontvangst kon nemen, reeds omdat op deze USB-sticks zaken kunnen staan waarmee de advocaat-generaal niet bekend is. Aan de verdachte werd vervolgens het recht gelaten het laatst te spreken waarna de voorzitter het onderzoek onderbrak tot 23 november 2020 teneinde het onderzoek op die dag te sluiten.
Toelichting op de klachten
18. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat (gelet op het voorgaande) de verdachte niet alles naar voren heeft kunnen brengen wat hem in het belang van zijn verdediging dienstig voorkwam. In aanmerking genomen dat voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling om meer spreektijd is verzocht, het aantal en de ernst van de feiten waarvan de verdachte werd verdacht, onder meer tot uitdrukking komende in de geëiste en opgelegde gevangenisstraf, alsook de omvang van het strafdossier, is deze gang onverenigbaar met de verdedigingsrechten zoals neergelegd in artikel 311 Sv en zoals die ook uit artikel 6 EVRM voortvloeien. Dit leidt tot nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting en het naar aanleiding daarvan gewezen arrest.
De beoordeling van het tweede middel
19. De verdachte die overeenkomstig artikel 311 lid 2 Sv het woord voert,8.heeft in beginsel het recht daarbij aan te voeren wat hem in het belang van de verdediging dienstig voorkomt. Deze regel is van zo grote betekenis dat niet-nakoming daarvan in het algemeen leidt tot nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting.9.Dit betekent echter niet dat de verdachte het recht heeft gedurende onbeperkte tijd het woord ter verdediging te voeren. Onjuist is de opvatting dat het beperken van de voor het houden van pleidooi beschikbare tijd steeds in strijd is met het in artikel 311 Sv verankerde recht op het voeren van pleidooi dan wel met het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 lid 3 onder c EVRM. Een begrenzing van de voor het houden van pleidooi beschikbare tijd brengt niet zonder meer mee dat de verdachte de hem krachtens artikel 311 lid 2 Sv en artikel 6 lid 3 onder c EVRM toekomende verdedigingsrechten niet voldoende heeft kunnen uitoefenen.10.
20. In dit licht bezien meen ik dat het middel kansloos is voorgesteld. Uit de hiervoor geschetste gang van zaken volgt immers dat het hof de verdachte meer dagen uitgebreid de tijd heeft gegeven het woord te voeren. Telkens heeft het hof aangegeven hoeveel tijd de verdachte had zodat hij daarmee rekening kon houden. Daarnaast heeft het hof de verdachte nog eens extra tijd van een half uur gegeven. Het hof heeft aan de verdachte geen beperkingen opgelegd waarover hij wenste te verklaren,11.het heeft alleen zekere grenzen gesteld aan de tijd die hij daarvoor kreeg. Daartoe is de voorzitter ook bevoegd teneinde de zitting in goede banen te kunnen leiden (artikel 124 en 272 Sv).12.De verdachte heeft niet het recht om gedurende onbeperkte tijd (het laatst) te spreken.13.
21. Tot slot neem ik bij mijn oordeel in aanmerking dat de verdediging, nadat de verdachte nog een extra half uur was gegund, niet meer heeft gesteld dat de verdachte (nog steeds) onvoldoende gelegenheid heeft gekregen om naar voren te brengen wat hem dienstig voorkomt en ook niet om aanhouding van de zaak heeft verzocht. Het hof mocht ervan uitgaan dat de verdachte (ook naar eigen inzicht) voldoende gelegenheid heeft gekregen de eigen verdediging te voeren. Van schending van enige rechtsregel is geen sprake.
22. Het tweede middel faalt.
Het zesde middel
23. Het zesde middel bevat de klacht dat het hof heeft verzuimd in het bijzonder de redenen op te geven waarom het is afgeweken van de uitdrukkelijk onderbouwde standpunten van de verdachte zelf.
24. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep ook zelf verweer gevoerd, naast het pleidooi en de dupliek van zijn raadsman. Dit verweer is neergelegd in twee documenten, te weten de hier onder de bespreking van het tweede middel reeds genoemde ordner, overgelegd en deels voorgedragen door de verdachte ter terechtzitting van het hof op 6 november 2020 en het geschrift met als opschrift "11 redenen voor Vrijspraak".14.
25. Het hof heeft naar aanleiding hiervan (onder meer) het volgende overwogen:
“Verweren verdachte
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep de verdediging ook zelf uitgebreid ter hand genomen. Hij heeft daartoe aan de hand van door hemzelf opgestelde "samenvattingen" van een dossier dat over de 2.600 pagina's behelst een ordner genaamd Etna I en II overgelegd, waaruit de verdachte ter terechtzitting deels heeft geciteerd. In deze ordner heeft de verdachte, per feit op de tenlastelegging, minutieus aangegeven dat en waarom hij de beweerdelijke gedragingen niet heeft gepleegd, of zelfs niet heeft kunnen plegen. Hiertoe heeft hij tal van - door hem als zodanig gekwalificeerde - "bewijzen" aangedragen die het tenlastegelegde zouden (kunnen) ontzenuwen. Onder (veel) meer, bijvoorbeeld op grond van de door hem betrokken stelling dat hij een erectiestoornis heeft, waar meerdere mensen van afweten, en dat geen vrouw die zijn min of meer permanent ontstoken genitale wratjes zou zien op zijn voorhuid hem (seksueel) zou (willen) benaderen.
Het hof overweegt ten aanzien van al deze ter terechtzitting aangedragen "verweren" en "bewijzen" van de verdachte als volgt.
Het is vaste rechtspraak van de HR dat de selectie en waardering van het bewijs aan de feitenrechter is voorbehouden. Hiertoe heeft de HR het volgende gesteld.
"Ingeval de rechter die over de feiten oordeelt het tenlastegelegde bewezen acht, is het aan die rechter voorbehouden om, binnen de door de wet getrokken grenzen, van het beschikbare, materiaal datgene tot bewijs te bezigen wat deze uit een oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en terzijde te stellen wat hij voor het bewijs van geen waarde acht. Deze beslissing inzake die selectie en waardering, die - behoudens bijzondere gevallen - geen motivering behoeft, kan in cassatie niet met vrucht worden bestreden. Hetzelfde heeft te gelden in het tegenovergestelde geval dat de rechter op grond van de aan hem voorbehouden selectie en waardering van het bewijsmateriaal tot de slotsom komt dat vrijspraak moet volgen. De nadere motivering van de vrijspraak maakt de gegeven beslissing niet onbegrijpelijk doordat het beschikbare bewijsmateriaal - al dan niet op grond van een andere uitleg van gegevens van feitelijke aard - een andere (bewijs)beslissing toelaat (vgl. HR 4. mei 2004, NJ 2004, 480)".
Het voorgaande betekent dat wanneer het hof een verklaring van een verdachte omtrent de feitelijke toedracht niet geloofwaardig acht, gezien de andersluidende door het hof weergegeven bewijsmiddelen, het het hof vrij staat om die andersluidende (getuigen)verklaringen en aangiften tot het bewijs te bezigen, en de verklaringen van de verdachte terzijde te stellen. Eén en ander gelet op de aan hem als feitenrechter voorbehouden selectie en waardering van het bewijsmateriaal (vgl. HR 11 april 2006, LJN AU9130, NJ 2006, 393, rov. 3.8.1 en 3.8.2).
Het hof passeert de door de verdachte ter zitting aangedragen redeneringen en "bewijzen" welke volgens hem tot zijn integrale vrijspraak zouden moeten leiden. Het hof acht deze redeneringen van de verdachte niet of onvoldoende overtuigend voor het bewijs. De bewijsredeneringen van de verdachte vinden hun weerlegging in de door het hof in zijn arrest en bewijsbijlage aangegeven bewijsmiddelen. Dit geldt ook voor het specifieke - niet nader met medische stukken onderbouwde - verweer van de door de verdachte geclaimde erectiestoornis. Het hof gaat daaraan dan ook voorbij.”
26. Volgens de steller van het middel heeft het hof hiermee tot uitdrukking gebracht het verweer van de verdachte te beschouwen als “een verklaring van een verdachte omtrent de feitelijke toedracht”, waarop het niet uitdrukkelijk hoeft te responderen. Zulks ten onrechte. Het gaat bij dit verweer immers niet slechts om een verklaring van de verdachte op basis van wat hij zelf heeft waargenomen en ondervonden. Het verweer is doorspekt met verwijzingen naar andere potentiële bewijsmiddelen in het politiedossier, teneinde de ontkenningen van de verdachte te adstrueren en zijn vrijspraak te bepleiten. Het is geen verklaring, maar een pleidooi. Aan het verweer komt dan ook eenzelfde processuele betekenis toe als het pleidooi van de raadsman (die ook in dit opzicht een van de verdachte afgeleid recht heeft). Dit betekent dat het hof ook had moeten responderen op de daarin vervatte uitdrukkelijk onderbouwde standpunten, dit uiteraard slechts voor zover daarvan is afgeweken, zodat het geldt voor de standpunten die zien op het onder 2, 5 en 7 bewezen verklaarde. Het hof heeft ten onrechte gemeend hieraan voorbij te kunnen gaan met een verwijzing naar de aan de feitenrechter voorbehouden selectie en waardering van het bewijs. Het verzuim de redenen op te geven die hebben geleid tot het afwijken van deze standpunten heeft ingevolge artikel 359 lid 8 Sv nietigheid tot gevolg.
De beoordeling van het zesde middel
27. Allereerst merk ik op dat in het middel en de toelichting erop een precisering ontbreekt van de (uitdrukkelijk onderbouwde) standpunten uit het omvangrijke betoog van de verdachte waarop het middel het oog heeft. “Een grief die voor de Hoge Raad een zoekplaatje vormt, is immers niet een middel van cassatie (…),” aldus Van Dorst.15.Alleen al vanwege dit verzuim faalt de klacht.
28. Bovendien mist de als middel gepresenteerde klacht feitelijke grondslag. Het hof respondeert namelijk expliciet op hetgeen de verdachte zelf nog – naast zijn raadsman – te berde heeft gebracht. Dat het hof dit doet door op deze plaats te verwijzen naar de aan de feitenrechter voorbehouden selectie en waardering van het bewijs, is niet onbegrijpelijk. Kennisneming van de hiervoor bedoelde ordner en het geschrift, dat zich tussen de stukken in cassatie bevindt, noopt tot die conclusie. Weliswaar wordt daarin ook verwezen naar bewijsmiddelen, zoals processen-verbaal van aangifte of verhoren, maar het betreft in feite een betoog dat een alternatief scenario bevat, c.q. een andere uitleg aan de bewijsmiddelen geeft dan het hof doet. De verdachte legt daarin bijvoorbeeld (ook) uit waarom volgens hem bepaalde (belastende) verklaringen (waaronder tekstberichten en e-mails) niet juist of niet geloofwaardig zijn en andere (ontlastende) verklaringen weer wel.
29. Het hof heeft hoe dan ook genoegzaam uitgelegd waarom het is afgeweken van de door de verdachte ingenomen stellingen door te verwijzen naar de in het arrest en in de bijlage bij het arrest weergegeven bewijsmiddelen, en door hetgeen het overigens in zijn arrest heeft overwogen naar aanleiding van het betoog van de verdediging. Tot een nadere motivering was het hof mijns inziens niet gehouden.
30. Het zesde middel faalt.
Het derde middel
31. Het derde middel keert zich tegen de strafoplegging, daaronder begrepen alle (bijkomende) straffen en maatregelen, en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] , en het bevat de klacht dat deze niet naar behoren met redenen zijn omkleed.
32. Het hof heeft aan de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 66 maanden en de bijkomende straf van ontzetting uit het beroep opgelegd. Daarnaast heeft het hof een vrijheidsbeperkende maatregel en twee schadevergoedingsmaatregelen (m.b.t. [slachtoffer 1] en [slachtoffer 4] ) opgelegd en tot slot de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] (gedeeltelijk) toegewezen. In de strafmotivering heeft het hof daartoe onder andere overwogen: “Het misbruik vond telkens gedurende een periode van jaren herhaaldelijk plaats”.
33. Dit is volgens de steller van het middel niet zonder meer begrijpelijk, omdat het hof voor elk van de drie bewezen verklaarde feiten heeft vastgesteld dat het heeft plaatsgevonden “op een of meerdere tijdstippen in de periode (…)”. De mogelijkheid wordt daarin opengelaten dat de bewezen verklaarde ontucht zich per slachtoffer op één tijdstip heeft geconcentreerd en dus niet zo herhaaldelijk en langdurig als het hof in de strafmotivering heeft overwogen.
De beoordeling van het derde middel
34. De steller van het middel ziet over het hoofd dat ten laste van de verdachte kort gezegd is bewezen verklaard dat hij meermalen ontucht heeft gepleegd met de vrouwen [slachtoffer 1] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] op “een of meerdere tijdstippen” in respectievelijk de volgende perioden: 1 december 2008 tot en met 30 september 2012 (feit 2), 9 september 2004 tot en met 31 december 2012 (feit 5) en 1 december 2011 tot en met 28 juli 2015 (feit 7). Het hof heeft bovendien elk strafbaar feit telkens gekwalificeerd als “meermalen gepleegd”.
35. Gelet hierop en in aanmerking genomen de door het hof gebezigde bewijsmiddelen, waaruit onmiskenbaar volgt dat de ontucht ten aanzien van de drie vrouwen gedurende een periode van jaren herhaaldelijk en (dus) vele malen plaatsvond,16.heeft het hof kennelijk abusievelijk de woorden “op een of meerdere tijdstippen” vergeten door te halen in de bewezenverklaring. Maar ook als dit niet het geval is (en/of de kwalificatie anders zou zijn geweest), kon het hof de grootschaligheid van de ontucht (die op grond van het verhandelde ter zitting aannemelijk is geworden) als omstandigheid waaronder de (wel) bewezen verklaarde feiten zijn begaan, betrekken bij de strafoplegging.17.De strafmotivering is geenszins onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd op dit punt.
36. Het derde middel faalt evident.
Het vierde middel
37. Het vierde middel bevat de klacht dat het hof ten onrechte een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr heeft opgelegd, althans dat het hof niet (kenbaar) heeft vastgesteld dat de bewezenverklaring op of na 1 april 2012 (de inwerkingtreding van de maatregel) gepleegde feiten omvat, zodat de strafoplegging ontoereikend is gemotiveerd.
38. Ten laste van de verdachte is, ik herhaal het hier nog eens, kort gezegd bewezen verklaard dat hij meermalen ontucht heeft gepleegd met de vrouwen [slachtoffer 1] , [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] (op een of meerdere tijdstippen) in respectievelijk de volgende perioden: 1 december 2008 tot en met 30 september 2012 (feit 2), 9 september 2004 tot en met 31 december 2012 (feit 5) en 1 december 2011 tot en met 28 juli 2015 (feit 7).
39. Het hof heeft de oplegging van de hiervoor bedoelde vrijheidsbeperkende maatregel als volgt gemotiveerd:
“Voorts acht het hof het passend en geboden aan de verdachte ter voorkoming van strafbare feiten een maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid zoals bedoeld in art. 38v, eerste lid, Sr op te leggen. Het hof neemt daarbij de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten in aanmerking. De verdachte zal worden bevolen zich te onthouden van ieder contact met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 4] voor de duur van 2 jaren. Het hof stelt een vervangende hechtenis van twee weken vast voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van 6 (zes) maanden.
Het hof zal voorts bevelen dat deze maatregel dadelijk uitvoerbaar is. Het hof is gelet op de aard van de bewezenverklaarde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd alsmede de persoon van de verdachte waaronder het gebrek aan inzicht in de laakbaarheid van zijn handelen, namelijk van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een feit zal plegen dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.”
De beoordeling van het vierde middel
40. Artikel 38v Sr voorziet in de mogelijkheid een vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen. De bepaling is ingevoerd bij de Wet van 17 november 2011 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafvordering in verband met de invoering van een rechterlijke vrijheidsbeperkende maatregel (rechterlijk gebieds- of contactverbod).18.Deze wet is in werking getreden op 1 april 2012. De invoering van artikel 38v Sr houdt een wijziging in van de toepasselijke regels van sanctierecht. Dat betekent dat het in artikel 1 lid 2 Sr verankerde legaliteitsbeginsel eraan in de weg staat een vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen ter zake van strafbare feiten die hebben plaatsgevonden vóór de inwerkingtreding van die maatregel.
41. Indien de bewezen verklaarde feiten door het hof telkens als één misdrijf zouden zijn gekwalificeerd en, zoals hier het geval, mede vóór 1 april 2012 zijn begaan, zou het hof volgens de Hoge Raad daarmee hebben miskend dat artikel 38v Sr buiten toepassing dient te blijven.19.In dit geval heeft het hof de feiten echter niet als één misdrijf gekwalificeerd, maar telkens gekwalificeerd als “meermalen gepleegd”. Het betreft dus een samenloop van verschillende, afzonderlijk begane misdrijven.
42. Aangezien uit de bewijsvoering onmiskenbaar volgt dat ook ná 1 april 2012 nog ontuchtige handelingen hebben plaatsgevonden in de bewezen verklaarde periode,20.heeft het hof dus strikt genomen alleen miskend dat het geen vrijheidsbeperkende maatregel kon opleggen voor zover deze ziet op de bewezen verklaarde feiten in de periode van 9 september 2004 tot 1 april 2012. Voor de ernst en de aard van het bewezen verklaarde maakt het echter geen (dusdanig) verschil dat de maatregel wordt opgelegd voor ontucht begaan gedurende een kortere periode dan genoemd in de bewezenverklaring.21.Ook de periode van ontucht voorafgaand aan 1 april 2012 kon het hof mijn inziens (als omstandigheid waaronder de feiten zijn begaan22.) betrekken bij zijn oordeel over de aard en ernst van de feiten gepleegd na 1 april 2012. De oplegging van de maatregel voor zover deze ziet op de feiten in de periode na 1 april 2012, acht ik hoe dan ook niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Het middel mist mijns inziens daarom belang bij cassatie.
43. Het vierde middel is vergeefs voorgesteld.
Het vijfde middel
44. Het vijfde middel komt op tegen de door het hof opgelegde gijzeling in het kader van de opgelegde schadevergoedingsmaatregelen en bevat de klacht dat die ten onrechte in totaal meer dan één jaar bedraagt.
45. Het hof heeft aan de verdachte zowel ten aanzien van feit 2 ( [slachtoffer 1] ) en feit 5 ( [slachtoffer 4] ) schadevergoedingsmaatregelen opgelegd. Daaraan is een gijzeling gekoppeld van 160 respectievelijk 205 dagen. Dat zijn in totaal 365 dagen.
46. In de toelichting op het middel wordt het volgende aangevoerd. De maximale duur van de gijzeling is één jaar (artikel 36f lid 5 Sr). In een tijdvak tussen de bewezen verklaarde perioden en het bestreden arrest, namelijk tussen 1 januari 2020 en 25 juli 2020 was een jaar in de zin van artikel 36f lid 5 Sr niet 365 maar 360 dagen volgens het toen geldende artikel 88 Sr. Deze bepaling is voor de verdachte "of all the laws in force during the period between the commission of the offence and delivery of the final judgment" de meest gunstige en dient daarom te worden toegepast op grond van het Scoppola-arrest van het Europees Hof van Justitie.23.Daarbij verwijst de steller van het middel naar het arrest van de Hoge Raad van 1 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:812, waarin de conclusie (ECLI:NL:PHR:2021:113) werd gevolgd.
De beoordeling van het vijfde middel
47. Het middel slaagt op de in de toelichting vermelde gronden. Er is gedurende de vervolging van de verdachte inderdaad een tijdvak geweest (van 1 januari 2020 tot 25 juli 2020) waarin een jaar op grond van artikel 88 (oud) Sr niet 365 maar 360 dagen bedroeg.24.Deze (tijdelijke) wijziging, die invloed heeft op de toepasselijke maximale duur van de aan de schadevergoedingsmaatregel verbonden gijzeling, moet worden aangemerkt als een verandering van regels van sanctierecht.25.Daarvoor geldt dat de – gedurende de vervolging – meest gunstige regel voor de verdachte moet worden toegepast.26.Dit heeft het hof ten onrechte nagelaten. Omdat het hof echter onmiskenbaar bij elkaar opgeteld de maximale termijn van gijzeling wilde toepassen, kan de Hoge Raad dit gebrek naar mijn inzicht zelf herstellen door het teveel aan dagen evenredig te verminderen, zodat de maxima van de duur van de aan de schadevergoedingsmaatregelen verbonden gijzelingen op respectievelijk 158 en 202 dagen uitkomen.27.
48. Het vijfde middel slaagt, maar hoeft niet tot terugwijzing te leiden.
Slotsom
49. Het vijfde middel slaagt. De overige middelen falen en kunnen met de aan artikel 81 lid 1 RO ontleende motivering worden afgedaan.
50. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
51. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend ten aanzien van de duur van de toegepaste gijzeling met betrekking tot de schadevergoedingsmaatregelen ten behoeve van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 4] , tot bepaling dat ten aanzien van deze schadevergoedingsmaatregelen gijzeling van respectievelijk 158 en 202 dagen kan worden toegepast, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 13‑09‑2022
Verwezen wordt naar Kamerstukken II 1995/96, 24692, nr. 3, p. 19.
Verwezen wordt naar HR 12 april 1983, NJ 1983/602 (in het kader van schorsing).
G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, bewerkt door M.J. Borgers en T. Kooijmans, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 775-776.
Kamerstukken II 1995/96, 24692, nr. 3, p. 19. Dit noemt ook de steller van het middel.
Zie hierover: G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, bewerkt door M.J. Borgers en T. Kooijmans, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 57-58. Zie bijvoorbeeld ook HR 26 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1340, NJ 2015/299 m.nt. Rozemond, rov. 2.5.
Opmerking verdient dat blijkens de hiervoor geschetste procedurele gang van zaken de verdachte ook voorafgaande aan het requisitoir van de advocaat-generaal uitvoerig het woord ter verdediging heeft gevoerd. Strikt genomen heeft de verdachte zich (ook) ‘verdedigd’ tijdens de fase van ondervraging van de verdachte (i.e. de ‘eigenlijke’ onderzoeksfase van het eindonderzoek). Daarop ziet art. 311 Sv op zichzelf niet (die bepaling betreft namelijk de ‘retorische fase’, die aanvangt met het requisitoir en eindigt met het laatste woord van de verdachte). Niettemin acht ik dit onderscheid voor een bespreking van de klachten van slechts gering gewicht. Het gaat er per saldo om of de verdachte zich (al dan niet met de hulp van een rechtsgeleerd raadsman) ten overstaan van de rechter voldoende heeft kunnen verdedigen.Zie in dit verband ook de bespreking van het zesde middel, waaruit m.i. volgt dat het hof hetgeen de verdachte te berde heeft gebracht in de fase van ondervraging heeft aangemerkt als deel uitmakend van zijn verdediging.
Vgl. HR 23 maart 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC9251, NJ 1993/696; HR 29 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI4663.
HR 26 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1340, NJ 2015/299 m.nt. Rozemond, rov. 2.3. Zie hierover ook G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, bewerkt door M.J. Borgers en T. Kooijmans, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 770-771 (onder het kopje ‘vrijheid van pleiten’).
Zoals in HR 23 maart 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC9251, NJ 1993/696 wel het geval was. Zie ook HR 21 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:468, NJ 2017/170 m.nt. Schalken.
Ofschoon het hier gaat om voorzittersbeslissingen ex artt. 124 en 272 Sv (die niet voor cassatie vatbaar zijn), meen ik dat cassatieklachten over de schending van art. 311 Sv en/of art. 6 EVRM raken aan de totstandkoming van de einduitspraak van het hof, zodat beslissingen van de voorzitter die effect hebben op de uitoefening van verdedigingsrechten in dit verband in aanmerking mogen worden genomen als waren zij (cassabele) tussenbeslissingen van het hof. Zie met name HR 15 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:911, NJ 2017/299 m.nt. Van Kempen.
Vgl. HR 23 maart 1982, NJ 1982/627.
Zie respectievelijk het proces-verbaal terechtzitting van 5, 6, 9 en 23 november 2020, p. 30-33, en p. 39 onderaan.
A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken (Handboek strafzaken 45), Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 180.
Om een voorbeeld te noemen, het als bewijsmiddel 6 gebruikte proces-verbaal van aangifte bevat onder andere als verklaring van [slachtoffer 1] : “Het is vaak gebeurd, ik kan geen aantallen noemen. Altijd als wij bij elkaar waren om wat te bespreken dan altijd was er seks. Gaandeweg werd de seks wel minder maar het kon soms vier keer per week zijn en dan weer twee keer per week. De seks werd minder frequent omdat ik meer en meer de dingen ging doorzien.”
Vgl. HR 19 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:896 (t.a.v. grootschaligheid inzake belastingfraude), en HR 24 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1497 (t.a.v. grootschaligheid inzake voorhanden hebben van kinderporno).
Stb. 2011, 546.
Vgl. HR 23 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:79.
Ik wijs ten aanzien van feit 2 bijvoorbeeld op het volgende onderdeel van het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] dat als bewijsmiddel 6 is gebezigd: “In december 2011 heb ik voor de laatste keer één op één seksueel contact gehad met [verdachte] . Ik heb dan nog ik denk tussen de zes en tien keer seks met [betrokkene 1] erbij. Vanaf juni 2012 gebeurde dat buiten het terrein van [A] . De laatste keer was in de zomer van 2012 in de caravan van [betrokkene 1] , die staat op het, terrein van het chalet van [verdachte] en [betrokkene 2] in [plaats] .”Ik wijs ten aanzien van feit 5 op het volgend onderdeel in bewijsmiddel 21 als verklaring van [slachtoffer 4] : “Het komt er in het kort op neer dat toen ik bij [verdachte] terecht kwam hij zich niet zo netjes gedragen heeft en hij mij seksueel benaderde en dat heeft hij 12 jaar gedaan.” En op volgend onderdeel in bewijsmiddel 22 als verklaring van [slachtoffer 4] (proces-verbaal verhoor bij de rechter-commissaris): “Ik ben in april 2001 op [A] gaan wonen. (…) Toen (het hof begrijpt: omstreeks 2007) is het pand in de [a-straat] in [plaats] aangekocht en ben ik daar naartoe verhuisd. (…) De individuele sessies met [verdachte] zijn al die tijd doorgegaan, 12 jaar lang. Het werd wel wat minder, één keer per week.” Tot slot bewijsmiddel 23, met als verklaring van getuige [betrokkene 3] (proces-verbaal gehoor getuige): “In januari 2013 werd ik door twee collega's geroepen, waaronder [slachtoffer 1] , en zij zeiden dat zij mij wilden spreken op neutraal terrein. Zij vertelden mij op die ochtend in januari dat zij allebei een seksuele relatie hadden met [verdachte] . (…) De tweede persoon die mij dat vertelde was [slachtoffer 4] . Mijn vrouw en ik besloten om [verdachte] ermee te confronteren. Wij hebben hem in januari 2013, een paar dagen nadat ik het hoorde, ermee geconfronteerd. Zeer tot onze verbazing gaf hij toe dat hij een seksuele relatie had met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 4] .” Ten aanzien van feit 7 wijs ik op bewijsmiddel 29 (proces-verbaal van aangifte van [betrokkene 4] namens [slachtoffer 5] ): “Het is begonnen in 2012 en het is gestopt toen [verdachte] is opgepakt.” In samenhang met de volgende bewijsoverweging van het hof: “Op 28 juli 2015 is de hulpverlening van de verdachte aan [slachtoffer 5] gestopt, na een inval van de politie op [B] en de arrestatie van de verdachte (aangifte [betrokkene 4] bij de politie, p. 6-30, proces-verbaal van politie, dossier E).” En tot slot de uitwerking van chatgesprekken tussen de verdachte en [slachtoffer 5] (bewijsmiddel 31) waarover het hof het volgende overweegt (p. 32-33 van het arrest): “En tot slot – en vanwege de bewijsbron bovenal – is er het bewijsmiddel van de seksueel ronduit expliciete chatgesprekken van maart en april 2013 tussen [slachtoffer 5] en de verdachte, waarin [slachtoffer 5] onder (veel) meer het bericht verstuurt: 'neem je me gauw weer? (onderstreping door het hof) Hard en diep? Neuk me'. En waarin de verdachte met [slachtoffer 5] chat over zijn eigen wensen en verlangens, (…).”
Dat geldt nog het meest voor feit 7, ten aanzien waarvan de bewezen verklaarde periode loopt tot 28 juli 2015.
Vgl. HR 26 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM9968, rov. 2.4.
De wijziging naar 360 dagen werd ingevoerd door de Wet van 22 februari 2017, houdende wijziging van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en enige andere wetten in verband met een herziening van de wettelijke regeling van de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen (Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen), Stb. 2017/82, i.w.tr. Stb. 2019/507. Deze wijziging werd op 25 juli 2020 weer teruggedraaid door de Wet van 24 juni 2020 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering en enkele andere wetten in verband met het doorvoeren van enkele noodzakelijke reparaties en andere kleine wijzigingen (Spoedreparatiewet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen), Stb. 2020/225, i.w.tr. Stb. 2020/286. Zie nader conclusie (toenmalig) AG Bleichrodt, ECLI:NL:PHR:2021:113.
Vgl. HR 26 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:914.
Daarmee worden ongelukken in de executie ook voorkomen. In ECLI:NL:HR:2021:812 neemt de Hoge Raad het aantal dagen overigens niet expliciet op in het dictum.
Beroepschrift 13‑08‑2021
AANVULLENDE CASSATIESCHRIFTUUR
Griffienummer: S 20/04172
Aan de Hoge Raad der Nederlanden
te 's‑Gravenhage
Geeft eerbiedig te kennen:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum]-1940,
requirant van cassatie (hierna te noemen: requirant),
voor deze aangelegenheid woonplaats kiezende te (6224 AH) Maastricht aan de Meerssenerweg 273A ten kantore van zijn raadsman, mr. H.M.W. Daamen, advocaat, die door hem bepaaldelijk is gemachtigd deze aanvullende cassatieschriftuur te ondertekenen en in te dienen;
dat requirant ter zake een hem betreffend arrest van het gerechtshof te Den Haag, uitgesproken op 4 december 2020 onder de parketnummers 22-004492-16 en 22-001038-18, in aanvulling op de reeds op 2 augstus jl. ingediende cassatieschriftuur het navolgende middel van cassatie voordraagt:
Middel 6 verweer requirant niet als zodanig (ond)erkend
Het recht is geschonden en/of naleving is verzuimd van op straffe van nietigheid in acht te nemen vormvoorschriften;
in het bijzonder zijn de artikelen 350 en 359 juncto 415 Wetboek van Strafvordering geschonden, doordat het hof heeft verzuimd in het bijzonder de redenen op te geven waarom het is afgeweken van de uitdrukkelijk onderbouwde standpunten van requirant zelf.
Toelichting op het middel
6.1
Requirant heeft ter terechtzitting in hoger beroep ook zelf verweer gevoerd, naast het pleidooi en de dupliek van zijn raadsman. Dit verweer is neergelegd in de twee documenten die op verzoek van ondergetekende op 5 augustus 2021 in het digitaal dossier zijn geplaatst (voor zover ter terechtzitting voorgedragen), en waarna een termijnverlenging tot en met heden is gegund:
- —
de ordner, overgelegd en deels voorgedragen door requirant ter terechtzitting van het hof op 6 november 20201.
- —
het geschrift met als opschrift ‘11 redenen voor Vrijspraak’.2.
6.2
Dienaangaande heeft het hof het volgende overwogen:
‘Verweren verdachte
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep de verdediging ook zelf uitgebreid ter hand genomen. Hij heeft daartoe aan de hand van door hemzelf opgestelde ‘samenvattingen’ van een dossier dat over de 2.600 pagina's behelst een ordner genaamd Etna I en II overgelegd, waaruit de verdachte ter terechtzitting deels heeft geciteerd. In deze ordner heeft de verdachte, per feit op de tenlastelegging, minutieus aangegeven dat en waarom hij de beweerdelijke gedragingen niet heeft gepleegd, of zelfs niet heeft kunnen plegen. Hiertoe heeft hij tal van — door hem als zodanig gekwalificeerde — ‘bewijzen’ aangedragen die het tenlastegelegde zouden (kunnen) ontzenuwen. Onder (veel) meer, bijvoorbeeld op grond van de door hem betrokken stelling dat hij een erectiestoornis heeft, waar meerdere mensen van afweten, en dat geen vrouw die zijn min of meer permanent ontstoken genitale wratjes zou zien op zijn voorhuid hem (seksueel) zou (willen) benaderen.
Het hof overweegt ten aanzien van al deze ter terechtzitting aangedragen ‘verweren’ en ‘bewijzen’ van de verdachte als volgt. Het is vaste rechtspraak van de HR dat de selectie en waardering van het bewijs aan de feitenrechter is voorbehouden. Hiertoe heeft de HR het volgende gesteld.
‘Ingeval de rechter die over de feiten oordeelt het tenlastegelegde bewezen acht, is het aan die rechter voorbehouden om, binnen de door de wet getrokken grenzen, van het beschikbare, materiaal datgene tot bewijs te bezigen wat deze uit een oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en terzijde te stellen wat hij voor het bewijs van geen waarde acht. Deze beslissing inzake die' selectie en waardering, die — behoudens bijzondere gevallen — geen motivering behoeft, kan in cassatie niet met vrucht worden bestreden. Hetzelfde heeft te gelden in het tegenovergestelde geval dat de rechter op grond van de aan hem voorbehouden selectie en waardering van het bewijsmateriaal tot de slotsom komt
dat vrijspraak moet volgen. De nadere motivering van de vrij spraak maakt de gegeven beslissing niet onbegrijpelijk doordat het beschikbare bewijsmateriaal — al dan niet op grond van een andere uitleg van gegevens van feitelijke aard — een andere (bewijs)beslissing toelaat (vgl. HR 4. mei 2004, NJ 2004, 480)’.
Het voorgaande betekent dat wanneer het hof een verklaring van een verdachte omtrent de feitelijke toedracht niet geloofwaardig acht, gezien de andersluidende door het hof weergegeven bewijsmiddelen, het het hof vrij staat om die andersluidende (getuigen)verklaringen en aangiften tot het bewijs te bezigen, en de verklaringen van de verdachte terzijde te stellen. Eén en ander gelet op de aan hem als feitenrechter voorbehouden selectie en waardering van het bewijsmateriaal (vgl. HR 11 april 2006, LJN AU9130, NJ 2006, 393, rov. 3.8.1 en 3.8.2).
Het hof passeert de door de verdachte ter zitting aangedragen redeneringen en ‘bewijzen’ welke volgens hem tot zijn integrale vrijspraak zouden moeten leiden. Het hof acht deze redeneringen van de verdachte niet of onvoldoende overtuigend voor het bewijs. De bewijsredeneringen van de verdachte vinden hun weerlegging in de door het hof in zijn arrest en bewijsbijlage aangegeven bewijsmiddelen. Dit, geldt ook voor het specifieke — niet nader met medische stukken onderbouwde — verweer van de door de verdachte geclaimde erectiestoornis. Het hof gaat daaraan dan ook voorbij.’3.
(onderstreping raadsman)
6.3
Hiermee heeft het hof tot uitdrukking gebracht het onder 6.1 benoemde verweer te beschouwen als ‘een verklaring van een verdachte omtrent de feitelijke toedracht’, waarop het niet uitdrukkelijk hoeft te responderen. Zulks ten onrechte. Het gaat bij dit verweer immers niet slechts om een verklaring van requirant op basis van wat hij zelf heeft waargenomen en ondervonden. Het verweer is doorspekt met verwijzingen naar andere potentiële bewijsmiddelen in het politiedossier, teneinde de ontkenningen van requirant te adstrueren en zijn vrijspraak te bepleiten. Het is geen verklaring, maar een pleidooi. Aan het verweer komt dan ook eenzelfde processuele betekenis toe als het pleidooi van de raadsman (die ook in dit opzicht een van de verdachte afgeleid recht heeft). Dit betekent dat het hof ook had moeten responderen op de daarin vervatte uitdrukkelijk onderbouwde standpunten. Dit uiteraard slechts voor zover daarvan is afgeweken, zodat het geldt voor de standpunten die zien op het onder 2, 5 en 7 bewezenverklaarde. Het hof heeft ten onrechte gemeend hieraan voorbij te kunnen gaan met een verwijzing naar de aan de feitenrechter voorbehouden selectie en waardering van het bewijs.
6.4
Het verzuim de redenen op te geven die hebben geleid tot het afwijken van deze standpunten heeft ingevolge artikel 359 lid 8 Wetboek van Strafvordering nietigheid tot gevolg.
Aanvullende redenen waarom het bestreden arrest niet in stand kan blijven.
Maastricht, 13 augustus 2021
mr. H.M.W. Daamen
Beroepschrift 02‑08‑2021
CASSATIESCHRIFTUUR
Griffienummer: S 20/04172
Aan de Hoge Raad der Nederlanden
te 's‑Gravenhage
Geeft eerbiedig te kennen:
[verdachte].
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum]-1940,
requirant van cassatie (hierna te noemen: requirant),
voor deze aangelegenheid woonplaats kiezende te (6224 AH) Maastricht aan de Meerssenerweg 273A ten kantore van zijn raadsman, mr. H.M.W. Daamen, advocaat, die door hem bepaaldelijk is gemachtigd deze cassatieschriftuur te ondertekenen en in te dienen;
dat requirant ter zake een hem betreffend arrest van het gerechtshof te Den Haag, uitgesproken op 4 december 2020 onder de parketnummers 22-004492-16 en 22-001038-18, de navolgende vijf middelen van cassatie voordraagt:
Aan de middelen voorafgaande opmerking
Heden is nog een (aanvullend) verzoek om toevoeging van stukken aan het webportaal ingediend, met een verzoek om termijnverlenging om — na verstrekking van die stukken — dienaangaande nog middelen van cassatie te kunnen indienen.
Omvang cassatieberoep
De omvang van het cassatieberoep is beperkt bij akte van partiële intrekking, opgemaakt naar aanleiding van de daartoe strekkende, heden naar de griffier van het hof gezonden volmacht.
Middel 1 Wijziging samenstelling hof bij onderbreking
Het recht is geschonden en/of naleving is verzuimd van op straffe van nietigheid in acht te nemen vormvoorschriften;
in het bijzonder zijn de artikelen 277, 322, 348, 349, 350 en 358 juncto 415 Wetboek van Strafvordering, art. 6 EVRM en het onmiddellijkheidsbeginsel geschonden,
doordat de samenstelling van het hof is gewijzigd na de onderbreking van het onderzoek ter terechtzitting van 9 november 2020,
althans doordat het bestreden arrest is gewezen door andere raadsheren dan de raadsheren die laatstelijk aan het onderzoek ter terechtzitting hebben deelgenomen.
Toelichting op het middel
1.1
1.2
Op 5, 6 en 9 november 2020 was het hof samengesteld uit de raadsheren mrs. Van Delden, Van Walree en Limborgh.2. Op 23 november 2020 was het hof samengesteld uit de raadsheren mrs. Van Delden, Wijnnobel-van Erp en Limborgh.3.
1.3
Vervolgens is op 4 december 2020 het bestreden arrest gewezen, in de samenstelling mrs. Van Delden, Van Walree en Limborgh.4.
1.4
In de eerste plaats biedt de wet niet de ruimte voor een wijziging van de samenstelling van het hof bij onderbreking van het onderzoek ter terechtzitting.
1.5
Uit art. 277 Sv blijkt ook de wens van de wetgever dat het onderzoek zoveel mogelijk onafgebroken wordt voortgezet.
1.6
Ook uit de omstandigheid dat de wet in art. 322 Sv wel een voorziening bevat voor de wijziging van de samenstelling na schorsing, terwijl een dergelijke voorziening voor onderbreking ontbreekt, moet worden afgeleid dat de wetgever niet heeft willen weten van wijziging van de samenstelling na onderbreking. Dit geldt temeer nu art. 319 Sv nog voor zowel schorsing als onderbreking geldt. Volgens de memorie van toelichting bij de Wet herziening onderzoek ter terechtzitting ( Stb. 1998, 33) zijn op grond van praktische overwegingen de bepalingen over het kort onderbreken van de terechtzitting bewust afgesplitst van de bepalingen over schorsing van het onderzoek, waaraan immers specifieke processuele consequenties zijn verbonden.5. In ‘Melai’ wordt in dat verband bij wijze van voorbeeld gewezen op verschillen tussen schorsing en onderbreking bij na de voortzetting gedane verzoeken om onderzoekshandelingen of bij die voortzetting meegebrachte getuigen.6.
1.7
's Hofs kennelijke, andersluidende oordeel geeft dan ook blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Als gevolg hiervan lijden het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep en (bijgevolg) de naar aanleiding daarvan gewezen uitspraak aan nietigheid.
1.8
Dat de raadsman geen medegedeeld geen bezwaar te hebben tegen sluiting van het onderzoek door een andere samenstelling van het hof7. doet hieraan niet af, nu de wet deze mogelijkheid niet kent.
1.9
In de tweede plaats is het bestreden arrest gewezen door een samenstelling die niet dezelfde was als de samenstelling ten tijde van de sluiting van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep. De arrest-wijzende samenstelling was namelijk wel gelijk aan de samenstelling van 5, 6 en 9 november 2020. Dit roept de vraag op in welke samenstelling de beraadslaging in raadkamer, die in regel plaatsvindt aansluitend aan de sluiting van het onderzoek ter terechtzitting, heeft plaatsgevonden: met mr. Van Walree of mr. Wijnnobel-van Erp?
1.10
Aldus blijkt niet dat de raadsheren die het vonnis hebben gewezen hebben beraadslaagd en beslist naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting. Vergelijk (voor een dergelijke situatie maar met schorsing i.p.v. onderbreking) Hoge Raad 12 april 1983, NJ 1983, 602.
Middel 2 beperking spreektijd requirant
Het recht is geschonden en/of naleving is verzuimd van op straffe van nietigheid in acht te nemen vormvoorschriften;
in het bijzonder zijn de artikelen 311 Wetboek van Strafvordering en 6 EVRM geschonden, doordat het hof requirant onvoldoende in de gelegenheid heeft gesteld ter terechtzitting zijn verdediging te voeren.
Toelichting op het middel
2.1
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 5, 6, 9 en 23 november 2020 houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:
‘De raadsman deelt mede dat zijn cliënt ter voorbereiding op de inhoudelijke behandeling.van de gevoegde zaken een verweerschrift heeft opgesteld en daarop doelt. De raadsman deelt voorts mede dat het verweerschrift omvangrijk is en dat hij ‘zijn cliënt heeft geadviseerd hier een samenvatting van te maken. De raadsman acht het wenselijk het verweerschrift in te brengen, omdat zijn cliënt de indruk heeft onvoldoende tijd te krijgen om de inhoud daarvan tijdens de inhoudelijke behandeling naar voren te brengen.’8.
‘De verdachte verklaart:
Het door mij opgestelde verweerschrift behelst in totaal 2.600 pagina's. Ik weet dat ik op alle aan mij tenlastegelegde punten onschuldig ben. Alle zaken liggen anders dan aan mij is tenlastegelegd dus ik heb er behoefte aan om het door mij opgestelde verweerschrift in te brengen.’9.
‘Ook op andere door het hof aangehaalde punten wil ik nog reageren. Bij de vorige rechtszaken werd mij niet de gelegenheid geboden om in te brengen wat ik wilde inbrengen. Ik heb drie jaar in een cel doorgebracht.
Opmerking van de griffier: de verdachte wordt emotioneel’.
De raadsman deelt mede reeds voorafgaand aan de zitting te kennen te hebben gegeven minstens vijf dagen voor de inhoudelijke behandeling nodig te hebben en dat er door het hof slechts vier dagen, waarvan één dag als uitloopdag, voor de inhoudelijke behandeling zijn uitgetrokken. De raadsman deelt voorts mede dat zijn cliënt zich tekort gedaan voelt en verzoekt het hof een beslissing te nemen over het in ontvangst nemen van de schriftelijke uitweiding van zijn cliënt.
De oudste raadsheer deelt mede dat vandaag de hele dag en morgenochtend zijn ingepland voor de verklaring van de verdachte en dat hij daarmee uitgebreid de gelegenheid krijgt zijn standpunten kenbaar te maken.’10.
‘De raadsman deelt mede dat zijn cliënt heeft aangegeven zich te willen verweren en verzoekt het hof kennis te nemen van de inhoud van het door zijn cliënt opgestelde verweerschrift en dit verweerschrift in het dossier te voegen. Voorlezen van de inhoud van dit verweerschrift zou tot.de mogelijkheden behoren maar dat is lastig voor cliënt. In het verweerschrift toont cliënt aan. dat hij onschuldig is. Er hangt dan ook veel vanaf voor cliënt.
De inhoud van het. verweerschrift zou mogelijk tot aanhouding van behandeling van de zaak kunnen leiden, aldus de raadsman.
De advocaat-generaal deelt in reactie hierop het volgende mede :
De verdachte heeft in eerste aanleg ook een verweerschrift opgesteld. Al op voorhand is door de verdediging bekend gemaakt dat de verdachte zich ook ter terechtzitting in hoger beroep wil verweren en dat de verdediging vijf dagen voor de inhoudelijke behandeling uitgetrokken wilde zien. Hierbij is niet kenbaar gemaakt dat het door de verdachte opgestelde verweerschrift 2.600 pagina's behelst. Het Openbaar Ministerie acht voeging van het verweerschrift in het dossier in strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde en verzet zich hier dan ook tegen. Het Openbaar Ministerie begrijpt dat de verdachte zich wil verdedigen, en hij krijgt daartoe ook kenbaar alle gelegenheid. Ik heb de verdediging ook iets horen zeggen over een samenvatting en ik vraag mij af uit hoeveel pagina's die samenvatting- bestaat.
Het Openbaar Ministerie verzet zich tegen aanhouding van de behandeling van de zaak nu er voldoende tegemoet wórdt gekomen aan de wensen van de verdediging. De verdachte heeft alle .aan'hem gestelde vragen uitvoerig beantwoord.
De raadsman deelt mede dat de verdediging an sich niet. om aanhouding van de behandeling van de zaak verzoekt en dat het de wens van cliënt is dat het hof en het Openbaar Ministerie op enig moment, welk moment ook na de inhoudelijke behandeling van de zaken.kan liggen, kennis kunnen nemen van de inhoud van het verweerschrift..
Op de vraag van de. .voorzitter hoe omvangrijk de samenvatting van het verweerschrift is deelt de verdachte het volgende mede:
De samenvatting betreft een ‘praatpapier’ zodat ook kennis wordt genomen van het uit 2.600 pagina's bestaande verweerschrift., De zaak van [slachtoffer 5] heb ik nog niet in het verweerschrift kunnen verwerken. Dat zal ik komend weekend doen. De samenvatting van het verweerschrift behelst nu ongeveer 150 pagina's, maar is nog niet compleet.
De voorzitter legt de verdachte uit wat het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep en de rollen van de verschillende procespartijen inhouden. De voorzitter deelt mede dat het hof rekening houdt met de verdachte en zijn wens tot het voeren van de verdediging, en dat het hof op een later moment ter zitting een beslissing zal nemen op het verzoek tot voeging van het verweerschrift in het dossier.
De verdachte deelt mede dat wat buiten de aangiften om aan stukken beschikbaar is niet bij het hof bekend is en dat hij om die reden een verweerschrift heeft opgesteld. Het is van groot belang om aan te geven en te bewijzen hoe alles is gegaan, omdat hij de schijn tegen heeft, aldus de verdachte.’11.
‘De gehele dag ben ik aan het malen over stukken. Ik denk dat ik eind november 2018 op vrije voeten ben gekomen en vanaf dat moment ben ik mijn verweerschrift gaan opstellen. Ik schrijf 12 uren per dag aan mijn verweerschrift om te bewijzen dat ik onschuldig ben.. Ten gevolge hiervan heb ik een ontsteking aan mijn pezen opgelopen. (…)
De voorzitter deelt als beslissing van het hof mede dat het verzoek tot overlegging van het door de verdachte opgestelde stuk in het dossier wordt afgewezen. Het- hof overweegt in dit verband dat een dergelijk verzoek dient te worden beoordeeld aan de hand van de beginselen van een behoorlijke procesorde waarbij dient te worden bezien in welk stadium van het geding het verzoek is ingediend en voorts wat de omvang en de aard. van het in te brengen geschrift is. Het hof is van oordeel dat het verzoek tijdens de inhoudelijke behandeling van de feiten in hoger beroep en derhalve in een zeer laat stadium van het geding is gedaan. Daarnaast betreft het geschrift een verweerschrift dat 2.600 pagina's behelst en aldus zodanig groot van omvang is dat voeging ervan in het dossier een enorme impact op het strafproces tot gevolg zou' hebben. Wat betreft de aard van het in te brengen geschrift oordeelt het hof dat door de verdachte en zijn raadsman een omschrijving van. het verweerschrift is gegeven en dat de verdachte op de terechtzitting van heden uitgebreid in de gelegenheid is gesteld om datgene naar voren te brengen wat hij noodzakelijk acht. De verdachte zal op de terechtzitting van 6 november 2020, tot aan de lunchpauze, hiertoe alsnog en eveneens in de gelegenheid worden gesteld.
De voorzitter deelt mede dat het onderzoek tot 6 november 2020 te 09.00 uur wordt onderbroken en dat alsdan de verdachte tot aan de lunchpauze in de gelegenheid zal worden gesteld om nog- uit eigen beweging datgene in te brengen wat hij van belang acht en dat vervolgens na de lunch het reguisitoir zal plaatsvinden.’12.
‘Daartoe door de voorzitter in de gelegenheid gesteld deelt de verdachte mede een ordner te hebben meegenomen met daarin schema's die hij verbaal niet kan uitleggen.
De ordner behelst door hemzelf opgestelde samenvattingen van zijn stuk van 2.600 pagina 's.
De verdachte legt vervolgens een ordner met als opschrift ‘Etna I + II, Samenvattingen, samengesteld door [verdachte]’ aan het hof en de advocaat-generaal over en deelt: mede dat hij wegens tijdgebrek hedenochtend niet zal toekomen aan bespreking van de zaak [slachtoffer 5]. De voorzitter geeft aan dat de verdachte uitsluitend deze ochtend naar voren kan brengen wat hem daartoe dienstig voorkomt.
De verdachte voert vervolgens het woord overeenkomstig de inhoud van de hem overgelegde en in het dossier gevoegde ordner, met uitzondering van hetgeen is gesteld, bij feiten 1 en 2 pagina's 7 (punten 4 en 5) en 28–29 (punten M en N), bij feit 3 pagina's 23 (punt I), 24 en 27–29, en bij feit 4 pagina's 16–18 en 21–24, en .legt (aanvullend) de volgende verklaring af:’13.
‘Na hervatting van het onderzoek deelt de voorzitter mede dat de verdachte tot aan de lunchpauze de gelegenheid krijgt om nog datgene naar voren te brengen wat hij noodzakelijk acht.
De verdachte vervolgt zijn (aanvullende) verklaring, inhoudende (…)’14.
‘De voorzitter onderbreekt in samenspraak met de verdediging het onderzoek voor een lunchpauze. Het hof constateert dat de verdachte tot aan pagina 20 van feit 5 is gekomen met het naar voren brengen van de door hem opgestelde samenvatting.’15.
‘Na hervatting van het onderzoek deelt de raadsman het volgende mede:
Tijdens de onderbreking heeft cliënt aangegeven in de gelegenheid te willen worden gesteld zich te verweren in de zaak [slachtoffer 5] en hij wenst dat op de terechtzitting van heden te doen. Voorts heeft hij aangegeven te willen reageren op het reguisitoir van de advocaat-generaal en wenst daar morgen de gelegenheid voor te krijgen. Mijn cliënt is van mening hier thans onvoldoende tijd voor te hebben gehad. (…)
De verdediging begrijpt de standpunten van het Openbaar Ministerie. We hebben echter wel te maken met een verdachte met een bijzondere persoonlijkheid. Er zijn vier dagen voor de inhoudelijke behandeling van de zaken uitgetrokken, dus er is nog tijd om cliënt morgen het woord te laten voeren. Namens cliënt heb ik het woord tot' verdediging gevoerd. Het is zijn goed recht om datgene naar voren te brengen wat hij van belang acht.
De verdachte deelt mede dat het voor hem — gezien zijn hoge leeftijd en de omstandigheid dat hij blind aan het worden is — moeilijk is om in een snel tempo iets vanaf een computerscherm' op papier te krijgen en dat het reguisitoir nu op tafel ligt zonder dat hij zijn reactie hierop heeft gegeven.
De voorzitter onderbreekt het onderzoek voor beraad.
Na hervatting van het onderzoek deelt de voorzittër als beslissing van het hof het volgende mede. De verdachte is op de terechtzitting van 5 en 6 november 2020 reeds zeer uitgebreid in de gelegenheid gesteld het woord te voeren, hetgeen op zich al een uitzonderlijke situatie betreft.
De aan de verdachte verstrekte tijd voor het voeren van het woord ter verdediging is reeds van tevoren door het hof afgeschermd en aan de verdachte kenbaar gemaakt. De verdachte heeft de aan hem verstrekte tijd naar eigen inzicht besteed en de wijze waarop hij dat heeft gedaan, komt naar het oordeel van het hof voor zijn eigen rekening. Om desondanks aan dé wensen van de verdachte tegemoet te komen, zal het hof de verdachte andermaal in de gelegenheid stellen om datgene naar voren te brengen wat hij thans wenselijk acht. Deze spreektijd zal gelet op het hiervoor overwogene worden beperkt tot een 'half uur.
De verdachte voert vervolgens het woord overëenkomstig hem overgelegde en in het dossier gevoegde geschrift met als opschrift ‘11 redenen voor Vrijspraak’ — behoudens pagina's 4,10 (punten 5 tot en met 30), 20–30, 32–34, 42–46 en 48–59 — en legt (aanvullend) de volgende verklaring af, inhoudende: (…)’16.
‘De verdachte deelt mede drie USB-sticks te hebben meegenomen met daarop digitaal het uit 2.600 pagina's bestaande verweerschrift.
De voorzitter deelt de verdachte mede dat het hof deze USB-sticks niet in ontvangst kan nemen, reeds omdat op deze USB-sticks zaken kunnen staan waar de advocaat- generaal niet mee bekend is.’17.
2.2
Aldus heeft de verdachte niet alles naar voren kunnen brengen wat hem in het belang van zijn verdediging dienstig voorkwam.
2.3
In aanmerking genomen dat voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling om meer spreektijd is verzocht, het aantal en de ernst van de feiten waarvan requirant werd verdacht, onder meer tot uitdrukking komende in de geëiste en opgelegde gevangenisstraf, alsook de omvang van het strafdossier, is deze gang onverenigbaar met de verdedigingsrechten zoals neergelegd in art. 311 Sv en zoals die ook uit art. 6 EVRM voortvloeien. Dit leidt tot nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting en het naar aanleiding daarvan gewezen arrest.
Middel 3 strafmotivering onbegrijpelijk
Het recht is geschonden en/of naleving is verzuimd van op straffe van nietigheid in acht te nemen vormvoorschriften;
in het bijzonder zijn de artikelen 350, 359 en 361 juncto 415 Wetboek van Strafvordering geschonden,
doordat de oplegging van de straffen en maatregelen en de beslissing op de vordering benadeelde partij van [slachtoffer 1] niet naar behoren met redenen zijn omkleed.
Toelichting op het middel
3.1
In het bestreden arrest heeft het hof aan requirant (onder meer) een gevangenisstraf voor de duur van 66 maanden opgelegd.
3.2
Deze strafoplegging is onder meer als volgt gemotiveerd:
‘Het misbruik vond telkens gedurende een periode van jaren herhaaldelijk plaats’18.
3.3
Deze overweging is echter niet — althans niet zondere nadere motivering, welke ontbreekt — begrijpelijk, nu voor elk van de drie bewezenverklaarde feiten is bewezenverklaard dat het heeft plaatsgevonden ‘op een of meerdere tijdstippen in de periode…’19. (onderstreping DD). Daarin wordt dus telkens de mogelijkheid opengelaten dat de bewezenverklaarde ontucht zich per betrokkene op één tijdstip heeft geconcentreerd en mitsdien niet zo herhaaldelijk en langdurig was als het hof in de strafmotivering heeft overwogen.
3.4
Deze omstandigheid, die niet uit de bewezenverklaring kan worden afgeleid, zal onmiskenbaar fors in de duur van de gevangenisstraf hebben doorgewogen. Het zal ook zijn doorwerking hebben gehad in onder meer de waardering van de slachtofferverklaringen en daarom ook op die manier in het oordeel omtrent de aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten, welke ook bij de oplegging van de maatregel ex art. 38v Sr is meegewogen.20. In de motivering van de ontzetting van het recht om een beroep uit te oefenen heeft het hof expliciet overwogen dat de bewezenverklaarde feiten ‘jarenlang’ zijn begaan.21. Daarnaast zal het hebben meegewogen in de bepaling van de ‘aard en de ernst van de normschending’ en daarmee van de hoogte van de aan [slachtoffer 1] en [slachtoffer 4] via de vordering benadeelde partij en/of schadevergoedingsmaatregelen toegekende bedragen aan vergoeding voor immateriële schade,22. welke bedragen (€ 25.000 resp. € 35.000) niet zonder nadere motivering passend zijn bij eenmalige ontucht.
3.5
De oplegging van voornoemde straffen, maatregelen en betalingsverplichting aan benadeelde partij [slachtoffer 1] niet zonder meer begrijpelijk gemotiveerd.
Middel 4 vrijheidsbeperkende maatregel
Het recht is geschonden en/of naleving is verzuimd van op straffe van nietigheid in acht te nemen vormvoorschriften;
in het bijzonder zijn de artikelen 1, 38v en 38w Wetboek van Strafrecht en 350 en 359 juncto 415 Wetboek van Strafvordering en art. 7 EVRM geschonden,
doordat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat ter zake van de bewezen verklaarde feiten vrijheidsbeperkende maatregel van art. 38v Sr kon worden opgelegd,
althans doordat het hof bij oplegging van de vrijheidsbeperkende maatregel, ingevoerd per 1 april 2012, niet heeft vastgesteld dat de bewezenverklaring op of na 1 april 2012 gepleegde feiten omvat, terwijl de bewezenverklaarde pleegperiodes hoofdzakelijk daarvóór zijn gelegen, zodat de strafoplegging ontoereikend is gemotiveerd
Toelichting op het middel
4.1
Het hof heeft requirant een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd, inhoudende een contactverbod met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 4] voor de duur van 2 jaren.23.
4.2
De door het hof bewezenverklaarde pleegperiodes bij de feiten m.b.t. [slachtoffer 1] en [slachtoffer 4] lopen respectievelijk van 1 december 2008 tot en met 30 september 2012 en van 9 september 2004 tot en met 31 december 2012. Bewezenverklaard is dat de gedragingen op een of meer tijdstippen in die periodes hebben plaatsgevonden.24.
4.3
Waar een nadere duiding van de specifieke pleegdata wellicht niet noodzakelijk is voor een toereikend gemotiveerde bewezenverklaring, is het dat voor de oplegging van de vrijheidsbenemende maatregel in casu wel. Die is immers pas aan ons sanctiestelsel toegevoegd per 1 april 2012. Bij beide bewezenverklaarde feiten ligt de pleegperiode deels voor en deels na die datum, maar grotendeels ervóór. In Hoge Raad 23 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:79 is overwogen dat de invoering van art. 38v Sr een wijziging van de toepasselijke regels van sanctierecht inhoudt die als verzwaring van het sanctiepakket kan worden opgevat — bij feiten die zijn begaan vóór 1 april 2012 die bepaling niet van toepassing is omdat de oude regeling gunstiger is. Hoewel ook in die zaak de pleegperiode (van belaging) deels na 1 april 2012 was gelegen, vond de Hoge Raad dat het hof dat had miskend en casseerde.
4.4
Het hof heeft in elk geval in het bestreden arrest geen (kenbare) aandacht besteed aan deze problematiek en in elk geval niet expliciet overwogen en gemotiveerd dat er ook ontucht zou zijn gepleegd na 1 april 2012.
4.5
Aldus heeft het hof deze maatregel ten onrechte, doch minstgenomen onvoldoende gemotiveerd, opgelegd. Dit raakt ook de door het hof daaraan verbonden dadelijke uitvoerbaarheid.
Middel 5 maximale duur gijzeling overschreden
Het recht is geschonden en/of naleving is verzuimd van op straffe van nietigheid in acht te nemen vormvoorschriften;
in het bijzonder zijn de artikelen 36f en 88 Wetboek van Strafrecht en 350 en 359 juncto 415 Wetboek van Strafvordering en art. 7 EVRM geschonden,
doordat de in het bestreden arrest bepaalde gijzeling in het kader van de opgelegde schadevergoedingsmaatregelen in totaal meer dan één jaar bedraagt.
Toelichting op het middel
5.1
Het hof heeft requirant in totaal 2 schadevergoedingsmaatregelen opgelegd. Daaraan is een gijzeling gekoppeld van 160 resp. 205 dagen.25. Dat zijn in totaal 365 dagen.
5.2
De maximale duur van de gijzeling is één jaar (art. 36f lid 5 Sr).
5.3
In een periode tussen de bewezenverklaarde periodes en het bestreden arrest, namelijk tussen 1 januari 2020 en 25 juli 2020 was een jaar in de zin van art. 36f lid 5 Sr niet 365 maar 360 dagen (art. 88 Sr oud). Deze bepaling is voor de verdachte ‘of all the laws in force during the period between the commission of the offence and delivery of the final judgment’ de meest gunstige en dient derhalve te worden toegepast op grond van het Scoppola-arrest.
5.4
Kortheidshalve wordt verder verwezen naar ECLI:NL:HR:2021:812, waarin de conclusie ECLI:NL:PHR:2021:113 werd gevolgd.
Redenen waarom het bestreden arrest niet in stand kan blijven.
Maastricht, 2 augustus 2021
mr. H.M.W. Daamen
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 02‑08‑2021
Proces-verbaal terechtzitting 5, 6, 9 en 23 november 2020, resp. p. 29, 35 en 41.
Proces-verbaal terechtzitting 5, 6, 9 en 23 november 2020, resp. p. 1, 30 en 36.
Proces-verbaal terechtzitting 5, 6, 9 en 23 november 2020, p. 42.
Bestreden arrest, p. 51.
A.L. Melai/M.S. Groenhuijsen e.a., WvSv, artikel 277 Sv, aant. 4, actueel t/m 01-12-2003, online geraadpleegd.
Proces-verbaal terechtzitting 5, 6, 9 en 23 november 2020, p. 41.
P. 13
P. 14
P. 15.
P. 25–26
P. 28–29
P. 30–31
P. 32–33.
P. 33
P. 38–39
P. 41
Bestreden arrest, p. 41.
Bestreden arrest, p. 38–39.
Bestreden arrest, p. 44.
Bestreden arrest, p. 45.
Bestreden arrest, p. 45 en 48.
Bestreden arrest, p. 44–45
Bestreden arrest, p. 38–39.
Bestreden arrest, p. 50 en 51.