Dit is een fictieve naam, die niet overeenkomt met de werkelijke naam van enige partij in de procedure.
HvJ EU, 10-04-2025, nr. C-481/23
ECLI:EU:C:2025:259
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
10-04-2025
- Magistraten
M. L. Arastey Sahún, D. Gratsias, E. Regan, J. Passer, B. Smulders
- Zaaknummer
C-481/23
- Roepnaam
Sangas
- Vakgebied(en)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2025:259, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 10‑04‑2025
Uitspraak 10‑04‑2025
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Justitiële samenwerking in strafzaken — Kaderbesluit 2002/584/JBZ — Europees aanhoudingsbevel — Artikel 4, punten 4 en 6 — Gronden tot facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging — Voorwaarde dat de feiten naar het strafrecht van de uitvoerende lidstaat onder zijn rechtsmacht vallen — Niet-definitieve veroordeling — Met het oog op strafvervolging uitgevaardigd Europees aanhoudingsbevel
M. L. Arastey Sahún, D. Gratsias, E. Regan, J. Passer, B. Smulders
Partij(en)
In zaak C-481/23 [Sangas] i.,*
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Audiencia Nacional (nationale centrale rechterlijke instantie, Spanje) bij beslissing van 24 juli 2023, ingekomen bij het Hof op 26 juli 2023, in de procedure met betrekking tot de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel tegen
JMTB,
in tegenwoordigheid van:
Ministerio Fiscal,
Abogado del Estado,
wijst
HET HOF (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: M. L. Arastey Sahún, kamerpresident, D. Gratsias, E. Regan (rapporteur), J. Passer en B. Smulders, rechters,
advocaat-generaal: J. Richard de la Tour,
griffier: L. Carrasco Marco, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 13 november 2024,
gelet op de opmerkingen van:
- —
de Ministerio Fiscal, vertegenwoordigd door R. de Miguel Morante als gemachtigde,
- —
de Spaanse regering, vertegenwoordigd door L. Aguilera Ruiz, A. Gavela Llopis en P. Pérez Zapico als gemachtigden,
- —
de Litouwse regering, vertegenwoordigd door K. Dieninis en V. Kazlauskaitė-Švenčionienė als gemachtigden,
- —
de Oostenrijkse regering, vertegenwoordigd door A. Posch, J. Schmoll en C. Leeb als gemachtigden,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door J. Baquero Cruz, H. Leupold en J. Vondung als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 4, punten 4 en 6, van kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten (PB 2002, L 190, blz. 1), zoals gewijzigd bij kaderbesluit 2009/299/JBZ van de Raad van 26 februari 2009 (PB 2009, L 81, blz. 24) (hierna: ‘kaderbesluit 2002/584’).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van de procedure betreffende de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel dat tegen JMTB is uitgevaardigd.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
3
Artikel 1 van kaderbesluit 2002/584 draagt het opschrift ‘Verplichting tot tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel’ en luidt als volgt:
- ‘1.
Het Europees aanhoudingsbevel is een rechterlijke beslissing die door een lidstaat wordt uitgevaardigd met het oog op de aanhouding en de overlevering door een andere lidstaat van een persoon die gezocht wordt met het oog op strafvervolging of uitvoering van een tot vrijheidsbeneming strekkende straf of maatregel.
- 2.
De lidstaten verbinden zich ertoe om, op grond van het beginsel van wederzijdse erkenning en overeenkomstig de bepalingen van dit kaderbesluit, elk Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer te leggen.
[…]’
4
Artikel 3 van het kaderbesluit noemt de gronden tot verplichte weigering van de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel.
5
Artikel 4 van dit kaderbesluit heeft als opschrift ‘Gronden tot facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging’ en bepaalt het volgende:
‘De uitvoerende rechterlijke autoriteit kan de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel weigeren in de volgende gevallen:
[…]
- 4.
de strafvervolging of de straf is volgens de wet van de uitvoerende lidstaat verjaard en de feiten vallen naar het strafrecht van deze lidstaat onder zijn rechtsmacht;
[…]
- 6.
het Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd met het oog op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel, terwijl de gezochte persoon verblijft in of onderdaan of ingezetene is van de uitvoerende lidstaat en deze staat zich ertoe verbindt die straf of maatregel overeenkomstig zijn nationale recht zelf ten uitvoer te leggen;
[…]’
6
Artikel 4 bis van dat kaderbesluit noemt een aantal andere omstandigheden waarin de uitvoerende rechterlijke autoriteit de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel kan weigeren, en artikel 5 daarvan heeft betrekking op de garanties die de uitvaardigende lidstaat in bijzondere gevallen moet geven.
Roemeens recht
7
Artikel 99, lid 2, onder c) en g), en lid 3, van Lege nr. 302/2004 privind cooperarea judiciară internațională în materie penală (wet nr. 302/2004 betreffende internationale justitiële samenwerking in strafzaken) van 28 juni 2004 (Monitorul Oficial al României, deel I, nr. 594 van 1 juli 2004), zoals opnieuw bekendgemaakt (Monitorul Oficial al României, deel I, nr. 411 van 27 mei 2019), bepaalt:
- ‘2.
De Roemeense uitvoerende rechterlijke autoriteit kan in de volgende gevallen weigeren het Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer te leggen:
[…]
- c)
indien het Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd met het oog op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel, terwijl de gezochte persoon staatsburger of ingezetene is van Roemenië of al ten minste vijf jaar ononderbroken en legaal in Roemenië verblijft en zich verzet tegen de tenuitvoerlegging van die straf of maatregel in de uitvaardigende lidstaat;
[…]
- g)
wanneer de strafrechtelijke aansprakelijkheid voor het strafbare feit dat tot de uitvaardiging van het Europees aanhoudingsbevel heeft geleid, of de tenuitvoerlegging van de opgelegde straf, naar Roemeens recht is verjaard, indien de feiten onder de rechtsmacht van de Roemeense autoriteiten vallen;
[…]
- 3.
Indien alleen het in lid 2, onder c), bedoelde geval van toepassing is, verzoekt de Roemeense uitvoerende rechterlijke autoriteit, alvorens de in artikel 109 bedoelde beslissing vast te stellen, de uitvaardigende rechterlijke autoriteit om een gewaarmerkt afschrift van de veroordeling en alle andere noodzakelijke gegevens, waarbij zij de uitvaardigende rechterlijke autoriteit in kennis stelt van de reden waarom om deze documenten wordt verzocht. De buitenlandse strafrechtelijke veroordeling wordt — incidenteel — erkend door de rechter waarbij de procedure voor de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel aanhangig is. Indien de Roemeense uitvoerende rechterlijke autoriteit de buitenlandse strafrechtelijke veroordeling erkent, wordt het bevel tot tenuitvoerlegging van de straf uitgevaardigd op de datum waarop de in artikel 109 bedoelde beslissing wordt vastgesteld.’
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
8
Bij vonnis van 21 februari 2022, verduidelijkt bij beschikking van 3 maart 2022 (hierna: ‘vonnis van 21 februari 2022’), heeft de Audiencia Nacional (nationale centrale rechterlijke instantie, Spanje) JMTB (hierna: ‘verdachte’), een Spaanse staatsburger die ingezetene van Roemenië is, veroordeeld als mededader van drie fiscale delicten en één witwasdelict. Voor elk van deze drie fiscale delicten is verdachte veroordeeld tot twee jaar gevangenisstraf en een geldboete van 23 miljoen EUR voor boekjaar 2011, een geldboete van 135 miljoen EUR voor boekjaar 2012 en een geldboete van 140 miljoen EUR voor boekjaar 2013, naast bijkomende sancties. Voor het witwasdelict is hij veroordeeld tot zes jaar gevangenisstraf en een geldboete van 54 miljoen EUR.
9
De feiten waarvoor verdachte is veroordeeld, bestonden, samengevat, in de oprichting van verschillende vennootschappen in Spanje, geleid door stromannen die optraden als schijnbeheerders, met de bedoeling om voor de boekjaren 2011 tot en met 2013 in Spanje belasting over de toegevoegde waarde (btw) te ontduiken met betrekking tot de verkoop van koolwaterstoffen, voor in totaal meer dan 100 miljoen EUR.
10
Na de bekendmaking dat verdachte cassatieberoep had ingesteld tegen dat vonnis van 21 februari 2022, werd hem de toestemming geweigerd om naar Roemenië te reizen. Nadat verdachte echter aan de Kroatische grens werd aangetroffen op weg naar Roemenië, heeft de verwijzende rechter op 6 april 2022 ten aanzien van hem een beslissing vastgesteld en daarbij een Europees en internationaal aanhoudingsbevel uitgevaardigd voor zijn opsporing, aanhouding en voorlopige hechtenis (hierna: ‘beslissing van 6 april 2022’).
11
Bij schrijven van 4 april 2023 heeft de Curte de Apel Alba Iulia (rechter in tweede aanleg Alba Iulia, Roemenië) een afschrift toegezonden van het arrest waarbij hij de tenuitvoerlegging van dat Europees aanhoudingsbevel weigerde.
12
Uit dat arrest bleek duidelijk dat geen van de in artikel 3 van kaderbesluit 2002/584 genoemde gronden tot verplichte weigering van toepassing was op het tegen verdachte uitgevaardigde Europees aanhoudingsbevel. Wat betreft de in artikel 4 van dat kaderbesluit genoemde gronden tot facultatieve weigering, heeft de Curte de Apel Alba Iulia echter vastgesteld dat verdachte om te beginnen documenten heeft overgelegd waaruit blijkt dat hij gedurende ten minste vijf jaar ononderbroken en legaal op het grondgebied van Roemenië heeft verbleven, en dat hij voorts te kennen heeft gegeven niet aan de Spaanse rechterlijke autoriteiten te willen worden overgeleverd, hetgeen neerkomt op een weigering om het vonnis in de uitvaardigende lidstaat ten uitvoer te leggen, zodat er een grond bestaat om de overlevering van de betrokkene te weigeren.
13
Voorts heeft de Curte de Apel Alba Iulia geoordeeld dat de strafbare feiten waarvoor verdachte in eerste aanleg is veroordeeld door de rechterlijke autoriteit die het Europees aanhoudingsbevel heeft uitgevaardigd, in de Spaanse wet zijn opgenomen als belastingfraude en het witwassen van geld, waarop gevangenisstraffen van drie tot tien jaar staan, zodat indien de feiten onder de rechtsmacht van de Roemeense rechterlijke autoriteiten vallen, de verjaringstermijn voor de strafrechtelijke aansprakelijkheid voor daarmee overeenstemmende strafbare feiten tien jaar is, te rekenen vanaf de datum van het laatste handelen/nalaten.
14
De Curte de Apel Alba Iulia heeft namelijk vastgesteld dat de drie fiscale delicten waarvoor verdachte is veroordeeld, zijn gepleegd in de boekjaren 2011 tot en met 2013, en heeft hieruit afgeleid dat de verjaringstermijn uiterlijk op 31 december 2013 is ingegaan. Aangezien de Curte de Apel Alba Iulia bovendien van mening was dat de verjaringstermijn voor strafrechtelijke aansprakelijkheid niet is gestuit sinds het begaan van deze drie strafbare feiten, heeft hij hieruit geconcludeerd dat die termijn was verstreken.
15
Gelet op dat arrest merkt de verwijzende rechter op dat de Curte de Apel Alba Iulia, om de overlevering van verdachte te weigeren, heeft geoordeeld dat er twee gronden bestaan voor facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging van het in het hoofgeding aan de orde zijnde Europees aanhoudingsbevel, die verband houden met, ten eerste, de verjaring van de strafvervolging naar Roemeens recht, en, ten tweede, het verblijf van verdachte in Roemenië.
16
Wat de verjaring van de strafvervolging naar Roemeens recht betreft, merkt de verwijzende rechter op dat de beslissing tot weigering van de overlevering van verdachte is vastgesteld overeenkomstig de verjaringsregels voor strafbare feiten naar Roemeens recht, terwijl alle in het hoofdgeding aan de orde zijnde feiten in Spanje zijn gepleegd en fiscale delicten vormden die de economische belangen van het Koninkrijk Spanje schaden, wat inhoudt dat de Roemeense rechterlijke autoriteiten in geen geval bevoegd zouden zijn om kennis te nemen van deze strafbare feiten en zich bijgevolg niet op artikel 4, punt 4, van kaderbesluit 2002/584 konden beroepen.
17
Met betrekking tot het verblijf van verdachte in Roemenië oordeelt de verwijzende rechter dat artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584 de weigering van de overlevering van de gezochte persoon alleen toestaat indien aan drie cumulatieve voorwaarden is voldaan, te weten, ten eerste, dat het Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd met het oog op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel, ten tweede, dat de betrokken persoon verblijft in dan wel ingezetene of onderdaan is van de uitvoerende lidstaat en, ten derde, dat de uitvoerende lidstaat zich ertoe verbindt om die straf of maatregel zelf ten uitvoer te leggen overeenkomstig zijn nationale recht. In casu is echter niet aan de eerste voorwaarde voldaan, aangezien verdachte enkel in eerste aanleg is veroordeeld en er een cassatieberoep tegen deze veroordeling aanhangig is. Bovendien, zelfs indien verdachte als ingezetene van Roemenië wordt beschouwd, hebben de Roemeense autoriteiten, bij de weigering om hem over te leveren, zich er niet toe verbonden om de straf die definitief aan de betrokkene zou kunnen worden opgelegd, in Roemenië uit te voeren.
18
Volgens de verwijzende rechter is een dergelijke weigering niet gerechtvaardigd in het licht van de rechtspraak van het Hof die voortvloeit uit het arrest van 31 januari 2023, Puig Gordi e.a. (C-158/21, EU:C:2023:57). Zoals in wezen blijkt uit de punten 75 en 76 van dat arrest, zou, indien wordt aanvaard dat een lidstaat aan de in de artikelen 3, 4 en 4 bis van kaderbesluit 2002/584 neergelegde gronden tot weigering van de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel andere aan het nationale recht ontleende gronden kan toevoegen die het mogelijk maken om geen gevolg te geven aan dat aanhoudingsbevel, dit in de weg staan aan de goede werking van de bij dat kaderbesluit ingestelde vereenvoudigde regeling voor de overlevering van personen.
19
Tegen deze achtergrond heeft de Audiencia Nacional de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een beslissing over de volgende prejudiciële vragen:
- ‘1)
Voor zover in artikel 4, punt 6, van kaderbesluit [2002/584] is bepaald dat de gronden voor facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel het geval omvatten waarin het Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd met het oog op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel jegens een gezochte persoon die verblijft in of onderdaan of ingezetene is van de uitvoerende lidstaat en deze staat zich ertoe verbindt om die straf of maatregel zelf ten uitvoer te leggen overeenkomstig zijn nationale recht:
- a)
Mag deze grond voor facultatieve weigering van overlevering ook worden toegepast in gevallen waarin nog geen definitieve beslissing is genomen jegens de gezochte persoon?
- b)
Zo ja, kan overlevering dan worden geweigerd op grond dat de gezochte persoon verblijft in de uitvoerende staat, zonder dat deze staat zich ertoe verbindt om de betreffende straf of maatregel overeenkomstig zijn nationale recht ten uitvoer te leggen?
- 2)
Voor zover in artikel 4, punt 4, van kaderbesluit [2002/584] is bepaald dat de gronden voor facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel het geval omvatten waarin de strafvervolging of de straf volgens de wetgeving van de uitvoerende lidstaat is verjaard en de feiten naar het strafrecht van deze lidstaat onder zijn rechtsmacht vallen: kan deze grond voor facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel ook worden toegepast in gevallen waarin de strafvervolging of de straf volgens de wetgeving van de uitvoerende lidstaat wordt geacht te zijn verjaard, ook al zijn de gerechten van die staat niet bevoegd om kennis te nemen van de feiten?’
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Eerste vraag
20
Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584 aldus moet worden uitgelegd dat de voor de uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel bevoegde rechterlijke autoriteit op grond van deze bepaling kan weigeren om dit aanhoudingsbevel ten uitvoer te leggen indien het niet is uitgevaardigd met het oog op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel, aangezien verdachte nog niet definitief is veroordeeld, en indien de uitvoerende lidstaat zich er niet toe heeft verbonden om de vrijheidsstraf of de tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel die definitief aan deze persoon zou kunnen worden opgelegd, zelf ten uitvoer te leggen overeenkomstig zijn nationale recht.
21
In dit verband is het van belang om te preciseren dat het Europees aanhoudingsbevel op twee situaties kan zien, zoals is bepaald in artikel 1, lid 1, van kaderbesluit 2002/584. Het Europees aanhoudingsbevel kan worden uitgevaardigd met het oog op de instelling van een strafvervolging dan wel ter uitvoering van een tot vrijheidsbeneming strekkende straf of maatregel (arrest van 21 oktober 2010, B., C-306/09, EU:C:2010:626, punt 49).
22
Hoewel de systematiek van kaderbesluit 2002/584 steunt op het beginsel van wederzijdse erkenning, impliceert deze erkenning niet dat de tenuitvoerlegging van het uitgevaardigde aanhoudingsbevel een absolute verplichting is, aangezien dit kaderbesluit uitdrukkelijk de gronden tot verplichte (artikel 3) en tot facultatieve (artikel 4 en artikel 4 bis) weigering van de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel noemt, alsmede de garanties die de uitvaardigende lidstaat in bijzondere gevallen moet geven (artikel 5) [zie in die zin arresten van 21 oktober 2010, B., C-306/09, EU:C:2010:626, punt 50, en 25 juli 2018, Minister for Justice and Equality (Gebreken in het gerechtelijk apparaat), C-216/18 PPU, EU:C:2018:586, punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
23
De regeling van kaderbesluit 2002/584, zoals deze voortvloeit uit met name de artikelen ervan, laat de lidstaten in het bijzonder de mogelijkheid om in specifieke gevallen de bevoegde rechterlijke autoriteiten toe te staan te beslissen dat een opgelegde straf ten uitvoer moet worden gelegd op het grondgebied van de uitvoerende lidstaat (arresten van 21 oktober 2010, B., C-306/09, EU:C:2010:626, punt 51, en 13 december 2018, Sut, C-514/17, EU:C:2018:1016, punt 30).
24
Dienaangaande bepaalt artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584 dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel kan weigeren wanneer dit is uitgevaardigd met het oog op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel, terwijl de gezochte persoon verblijft in of onderdaan of ingezetene is van de uitvoerende lidstaat en deze staat zich ertoe verbindt om die straf of maatregel zelf ten uitvoer te leggen overeenkomstig zijn nationale recht.
25
Uit de bewoordingen van artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584 blijkt dus dat, om binnen de werkingssfeer van deze bepaling te vallen, er een Europees aanhoudingsbevel tegen de gezochte persoon moet zijn uitgevaardigd ‘met het oog op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel’, te weten de tweede van de in punt 21 van het onderhavige arrest genoemde situaties. Er kan namelijk uitsluitend in die situatie worden voldaan aan de laatste voorwaarde van deze bepaling.
26
In casu blijkt echter uit het verzoek om een prejudiciële beslissing dat verdachte bij vonnis van 21 februari 2022 weliswaar in eerste aanleg werd veroordeeld tot meerdere straffen als dader van drie fiscale delicten en één witwasdelict, maar dat hij tegen dit vonnis cassatieberoep heeft ingesteld, zodat de strafvervolging met betrekking tot deze veroordeling nog steeds loopt bij de Spaanse rechterlijke instanties. Uit de gegevens waarover het Hof beschikt blijkt dat, vanwege dit cassatieberoep, dat vonnis naar Spaans recht niet uitvoerbaar is.
27
Bovendien blijkt uit deze gegevens dat de beslissing waarop de verwijzende rechter het in het hoofdgeding aan de orde zijnde Europees aanhoudingsbevel heeft gebaseerd, niet het vonnis van 21 februari 2022 is, maar de beslissing van 6 april 2022, waarbij de opsporing, aanhouding en voorlopige detentie van verdachte zijn bevolen. Deze rechter heeft die laatste beslissing namelijk vastgesteld omdat verdachte de voorlopige maatregelen waaraan hij in het kader van de tegen hem ingestelde strafvervolging onderworpen was, niet heeft nageleefd. In het bijzonder werd verdachte, terwijl hij voorwaardelijk in vrijheid was gesteld met het uitdrukkelijke verbod om het Spaanse grondgebied te verlaten en de verplichting om op de terechtzittingen te verschijnen, aan de Kroatische grens aangetroffen op weg naar Roemenië. De beslissing van 6 april 2022 en het Europees aanhoudingsbevel dat op basis daarvan werd uitgevaardigd, zijn bijgevolg vastgesteld om zijn aanwezigheid tijdens de voortzetting van de procedure te verzekeren.
28
Derhalve is het in het hoofdgeding aan de orde zijnde Europees aanhoudingsbevel, zoals de Ministerio Fiscal (openbaar ministerie, Spanje), de Spaanse regering en de Europese Commissie aanvoeren en de verwijzende rechter in wezen opmerkt in het verzoek om een prejudiciële beslissing, niet vastgesteld ‘met het oog op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel’ in de zin van artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584, maar met het oog op de andere in artikel 1, lid 1, van kaderbesluit 2002/584 bedoelde en in punt 21 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte situatie, te weten strafvervolging.
29
Hieruit volgt dat de situatie van verdachte niet binnen de werkingssfeer van artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584 valt, zodat de weigering om het tegen hem uitgevaardigde Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer te leggen niet op deze bepaling kan worden gebaseerd.
30
Gelet op een en ander moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584 aldus moet worden uitgelegd dat de voor de uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel bevoegde rechterlijke autoriteit niet op grond van deze bepaling kan weigeren dit aanhoudingsbevel ten uitvoer te leggen wanneer het niet is uitgevaardigd met het oog op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel.
Tweede vraag
31
Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 4, punt 4, van kaderbesluit 2002/584 aldus moet worden uitgelegd dat de voor de uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel bevoegde rechterlijke autoriteit op grond van deze bepaling kan weigeren om dit aanhoudingsbevel ten uitvoer te leggen op grond dat de strafvervolging of de straf volgens de wetgeving van de uitvoerende lidstaat is verjaard, ook al vallen de feiten naar het strafrecht van de uitvoerende lidstaat niet onder zijn rechtsmacht.
32
Dienaangaande dient eraan te worden herinnerd dat artikel 4, punt 4, van kaderbesluit 2002/584 de uitvoerende rechterlijke autoriteit toestaat om de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel te weigeren wanneer de strafvervolging volgens de wetgeving van de uitvoerende lidstaat is verjaard en de feiten naar het strafrecht van deze staat onder zijn eigen rechtsmacht vallen.
33
Uit de bewoordingen van artikel 4, punt 4, van kaderbesluit 2002/584 blijkt dus dat de twee daarin neergelegde voorwaarden cumulatief zijn. Bijgevolg kan de uitvoerende rechterlijke autoriteit zich niet beroepen op de in deze bepaling genoemde grond tot facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel wanneer de feiten waarop de strafvervolging of de straf betrekking heeft, naar het strafrecht van deze lidstaat niet onder zijn eigen rechtsmacht vallen, zelfs als die vervolging of straf zou zijn verjaard indien dat recht van toepassing was geweest.
34
Gelet op een en ander moet op de tweede vraag worden geantwoord dat artikel 4, punt 4, van kaderbesluit 2002/584 aldus moet worden uitgelegd dat de voor de uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel bevoegde rechterlijke autoriteit niet op grond van deze bepaling kan weigeren om dit aanhoudingsbevel ten uitvoer te leggen wanneer de feiten naar het strafrecht van de uitvoerende lidstaat niet onder zijn rechtsmacht vallen, zelfs als de strafvervolging of de straf zou zijn verjaard indien de wet van deze lidstaat van toepassing was geweest.
Kosten
35
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Vijfde kamer) verklaart voor recht:
- 1)
Artikel 4, punt 6, van kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten, zoals gewijzigd bij kaderbesluit 2009/299/JBZ van de Raad van 26 februari 2009,
moet aldus moet worden uitgelegd dat
de voor de uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel bevoegde rechterlijke autoriteit niet op grond van deze bepaling kan weigeren dit aanhoudingsbevel ten uitvoer te leggen wanneer het niet is uitgevaardigd met het oog op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel.
- 2)
Artikel 4, punt 4, van kaderbesluit 2002/584, zoals gewijzigd bij kaderbesluit 2009/299,
moet aldus moet worden uitgelegd dat
de voor de uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel bevoegde rechterlijke autoriteit niet op grond van deze bepaling kan weigeren om dit aanhoudingsbevel ten uitvoer te leggen wanneer de feiten naar het strafrecht van de uitvoerende lidstaat niet onder zijn rechtsmacht vallen, zelfs als de strafvervolging of de straf zou zijn verjaard indien de wet van deze lidstaat van toepassing was geweest.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 10‑04‑2025
Procestaal: Spaans.