Dit is een fictieve naam, die niet overeenkomt met de werkelijke naam van enige partij in de procedure.
HvJ EU, 24-10-2024, nr. C-347/23
ECLI:EU:C:2024:919
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
24-10-2024
- Magistraten
D. Gratsias, I. Jarukaitis, Z. Csehi
- Zaaknummer
C-347/23
- Roepnaam
Zabitoń
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
EU-recht (V)
Financieel recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2024:919, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 24‑10‑2024
Uitspraak 24‑10‑2024
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Bescherming van de consument — Richtlijn 93/13/EEG — Oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten — Artikel 2, onder b) — Begrip ‘consument’ — Hypothecaire kredietovereenkomst gekoppeld aan een vreemde valuta — Natuurlijke persoon die een woning heeft gekocht om deze onder bezwarende titel te verhuren
D. Gratsias, I. Jarukaitis, Z. Csehi
Partij(en)
In zaak C-347/23 [Zabitoń]i.,*
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Sąd Okręgowy w Warszawie (rechter in eerste aanleg Warschau, Polen) bij beslissing van 8 mei 2023, ingekomen bij het Hof op 2 juni 2023, in de procedure
LB,
JL
tegen
Getin Noble Bank S.A.,
wijst
HET HOF (Tiende kamer),
samengesteld als volgt: D. Gratsias, kamerpresident, I. Jarukaitis, president van de Vierde kamer, en Z. Csehi (rapporteur), rechter,
advocaat-generaal: A. M. Collins,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
- —
LB en JL, vertegenwoordigd door W. Budzewski, adwokat,
- —
de Poolse regering, vertegenwoordigd door B. Majczyna als gemachtigde,
- —
de Portugese regering, vertegenwoordigd door C. Alves, P. Barros da Costa en I. Gameiro als gemachtigden,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door U. Małecka, I. Rubene en N. Ruiz García als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 2, onder b), van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (PB 1993, L 95, blz. 29).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen LB en JL enerzijds en Getin Noble Bank S.A. anderzijds over een vordering tot terugbetaling van de maandelijkse aflossingen die zijn betaald uit hoofde van een hypothecaire kredietovereenkomst die gekoppeld was aan een vreemde valuta.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
3
De tiende overweging van richtlijn 93/13 luidt:
‘Overwegende dat door het vaststellen van eenvormige voorschriften op het gebied van oneerlijke bedingen een doeltreffender bescherming van de consument kan worden bewerkstelligd; dat deze voorschriften van toepassing moeten zijn op alle overeenkomsten tussen verkopers en consumenten; dat bijgevolg met name van deze richtlijn zijn uitgesloten arbeidsovereenkomsten, overeenkomsten betreffende erfrechten, overeenkomsten met betrekking tot de gezinssituatie en overeenkomsten met betrekking tot de oprichting en de statuten van vennootschappen’.
4
Artikel 2 van deze richtlijn bepaalt:
‘In deze richtlijn wordt verstaan onder:
[…]
- b)
‘consument’: iedere natuurlijke persoon die bij onder deze richtlijn vallende overeenkomsten handelt voor doeleinden die buiten zijn bedrijfs- of beroepsactiviteit vallen;
- c)
‘verkoper’: iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die bij onder deze richtlijn vallende overeenkomsten handelt in het kader van zijn publiekrechtelijke of privaatrechtelijke beroepsactiviteit.’
Pools recht
5
Volgens artikel 221 van de ustawa — Kodeks cywilny (wet houdende het burgerlijk wetboek) van 23 april 1964 (Dz. U. nr. 16, volgnr. 93), in de versie die van toepassing is op de feiten van het hoofdgeding (hierna: ‘burgerlijk wetboek’), wordt onder ‘consument’ verstaan ‘een natuurlijke persoon die met een verkoper een rechtshandeling verricht die niet rechtstreeks verband houdt met zijn bedrijfs- of beroepsactiviteit’.
6
Volgens artikel 431 van het burgerlijk wetboek is een verkoper een natuurlijke persoon, een rechtspersoon of een organisatorische eenheid als bedoeld in artikel 331, lid 1, van dit wetboek die in eigen naam een bedrijfs- of beroepsactiviteit uitoefent.
7
Artikel 3851, leden 1 en 2, van het burgerlijk wetboek bepaalt:
- ‘1.
Bedingen in een consumentenovereenkomst waarover niet afzonderlijk is onderhandeld binden de consument niet indien zijn rechten en verplichtingen worden vormgegeven op een wijze die in strijd is met wat in het maatschappelijk verkeer betaamt en een kennelijke schending van zijn belangen vormt (oneerlijke contractuele bedingen). Dat geldt niet voor de bedingen over de voornaamste prestaties van de partijen, waaronder de prijs of de vergoeding, indien deze ondubbelzinnig zijn geformuleerd.
- 2.
Indien een beding de consument overeenkomstig lid 1 niet bindt, blijven partijen gebonden door de overeenkomst zonder dat beding.’
8
Artikel 3852 van het burgerlijk wetboek bepaalt:
‘Bij de beoordeling of een contractueel beding in overeenstemming is met wat in het maatschappelijk verkeer betaamt, moet worden uitgegaan van de situatie op het tijdstip waarop de overeenkomst is gesloten, rekening houdend met de inhoud ervan, de omstandigheden waarin de overeenkomst is gesloten en de overeenkomsten die verband houden met de overeenkomst waarin het onderzochte beding is opgenomen.’
Hoofdgeding en prejudiciële vraag
9
Verzoekers in het hoofdgeding, LB en JL, woonden in 2008 als echtpaar in Londen (Verenigd Koninkrijk), waar zij geen enkele commerciële activiteit uitoefenden. LB was officier van gerechtelijke politie en JL was schooldirecteur.
10
In dat jaar hebben verzoekers in het hoofdgeding met de rechtsvoorganger van Getin Noble Bank een hypothecaire kredietovereenkomst gekoppeld aan de Zwitserse frank (CHF) gesloten. Het ging om een krediet met een variabele rente dat moest worden terugbetaald in Poolse zloty (PLN) (hierna: ‘hypothecaire kredietovereenkomst’).
11
Verzoekers in het hoofdgeding hebben de hypothecaire kredietovereenkomst gesloten met het oog op de aankoop van een woning in Warschau (Polen), die zij onder bezwarende titel wilden verhuren. De huurinkomsten waren hoofdzakelijk bestemd voor de betaling van de maandelijkse aflossingen van deze kredietovereenkomst. Zij hebben geen andere onroerende goederen verhuurd.
12
Om dat project te realiseren, hebben verzoekers in het hoofdgeding een beroep gedaan op de diensten van JP, een vastgoedbeheerder die zijn beroepsactiviteit uitoefent in Polen. Deze is hun lasthebber geworden en heeft hen vertegenwoordigd bij het sluiten van de hypothecaire kredietovereenkomst, de koopovereenkomst voor het betrokken onroerend goed, de desbetreffende huurovereenkomst en de dienstverleningsovereenkomst voor de huurders.
13
In 2019 hadden verzoekers in het hoofdgeding alle uit de kredietovereenkomst voortvloeiende schulden afgelost en hebben zij dat onroerend goed verkocht.
14
Op 27 december 2019 hebben verzoekers in het hoofdgeding bij de Sąd Okręgowy w Warszawie (rechter in eerste aanleg Warschau, Polen), de verwijzende rechter, een vordering ingesteld tot terugbetaling van alle bedragen die ter uitvoering van deze hypothecaire kredietovereenkomst waren betaald. Zij betogen dat deze overeenkomst oneerlijke bedingen bevat en daarom nietig is.
15
In dit verband wijst de verwijzende rechter erop dat de bedingen van die hypothecaire kredietovereenkomst die voorzien in de koppeling van dat krediet aan de koers van de Zwitserse frank en die het eigenlijke voorwerp van die overeenkomst bepalen, oneerlijk zijn omdat er niet afzonderlijk over is onderhandeld, dat zij niet in duidelijke en begrijpelijke bewoordingen zijn opgesteld en dat zij in strijd zijn met de vereisten van goede trouw, waardoor het evenwicht tussen de uit die overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ernstig wordt verstoord ten nadele van verzoekers in het hoofdgeding.
16
De verwijzende rechter vraagt zich echter af of verzoekers in het hoofdgeding kunnen worden aangemerkt als ‘consumenten’ in de zin van richtlijn 93/13. Indien dat het geval is, zijn de bepalingen van deze richtlijn van toepassing, zodat hij de hypothecaire kredietovereenkomst nietig kan verklaren.
17
In dit verband merkt de verwijzende rechter op dat de verhuur van een onroerend goed onder bezwarende titel tot doel heeft winst te maken, hetgeen het hoofddoel van de exploitatie van een onderneming is.
18
Het zou echter ook kunnen worden aangenomen dat het aangaan van een krediet voor de verwerving van één enkele voor verhuur bestemde woonruimte een handeling is voor doeleinden die geen verband houden met een bedrijfs- of beroepsactiviteit en dat een dergelijke kredietnemer derhalve moet worden aangemerkt als een ‘consument’ in de zin van artikel 2, onder b), van richtlijn 93/13.
19
Gelet op de beperkte omvang van de betrokken activiteit, is deze immers niet kenmerkend voor de activiteit van een onderneming. Aangezien verzoekers in het hoofdgeding ten tijde van het sluiten van de hypothecaire kredietovereenkomst bovendien werkzaam waren in het kader van arbeidsovereenkomsten en niet het beroep van vastgoedbeheerder uitoefenden, vormt de verhuring van onroerend goed voor hen geen belangrijk bedrijfsdoel en is zij evenmin bedoeld als voornaamste bron van inkomsten, maar gaat het om een vorm van investering die als zodanig niet met een onderneming is verbonden. Ten slotte beantwoordt de erkenning van de kredietnemer als een ‘consument’ in een situatie als aan de orde in het hoofdgeding beter aan de doelstelling van richtlijn 93/13 om de consument te beschermen tegen oneerlijke bedingen in overeenkomsten.
20
In deze omstandigheden heeft de Sąd Okręgowy w Warszawie de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:
‘Moet artikel 2, onder b) en c), van richtlijn [93/13] aldus worden uitgelegd dat een natuurlijke persoon die een overeenkomst inzake een hypothecair krediet sluit ter financiering van de aankoop van één enkele woonruimte, bedoeld voor de verhuur onder bezwarende titel (buy-to-let), moet worden aangemerkt als een ‘consument’ in de zin van deze richtlijn?’
Beantwoording van de prejudiciële vraag
21
Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 2, onder b), van richtlijn 93/13 aldus moet worden uitgelegd dat een natuurlijke persoon die een hypothecaire kredietovereenkomst sluit om de aankoop van één enkele woning te financieren, teneinde deze onder bezwarende titel te verhuren, onder het begrip ‘consument’ in de zin van die bepaling valt.
22
Vooraf moet in herinnering worden gebracht dat, zoals in de tiende overweging van richtlijn 93/13 staat te lezen, de eenvormige voorschriften op het gebied van oneerlijke bedingen, onder voorbehoud van de in die overweging vermelde uitzonderingen, van toepassing zijn op ‘alle overeenkomsten’ tussen verkopers en consumenten, zoals gedefinieerd in artikel 2, onder b) en c), van die richtlijn [arrest van 8 juni 2023, YYY. (Begrip ‘consument’), C-570/21, EU:C:2023:456, punt 33 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
23
Volgens dit artikel 2, onder b), is een ‘consument’ iedere natuurlijke persoon die bij onder deze richtlijn vallende overeenkomsten handelt voor doeleinden die buiten zijn bedrijfs- of beroepsactiviteit vallen. Voorts is een ‘verkoper’ overeenkomstig dat artikel 2, onder c), iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die bij onder deze richtlijn vallende overeenkomsten handelt in het kader van zijn publiekrechtelijke of privaatrechtelijke beroepsactiviteit.
24
Richtlijn 93/13 definieert de overeenkomsten waarop zij van toepassing is dus aan de hand van de hoedanigheid van de contractpartijen, naargelang zij al dan niet in het kader van hun bedrijfs- of beroepsactiviteit handelen [arrest van 8 juni 2023, YYY. (Begrip ‘consument’), C-570/21, EU:C:2023:456, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
25
De hoedanigheid van ‘consument’ van de betrokkene moet bijgevolg worden bepaald aan de hand van een functioneel criterium, namelijk of de contractuele verhouding in kwestie is ontstaan in het kader van activiteiten die buiten de uitoefening van een beroep of een bedrijf liggen. Het Hof heeft eveneens de gelegenheid gehad om te verduidelijken dat het begrip ‘consument’ in de zin van artikel 2, onder b), van richtlijn 93/13 een objectief begrip is dat losstaat van de concrete kennis waarover de betrokkene kan beschikken of van de informatie waarover die persoon werkelijk beschikt (arrest van 8 juni 2023, Lyoness Europe, C-455/21, EU:C:2023:455, punt 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
26
In dat verband zij eraan herinnerd dat de consument zich tegenover de verkoper in een zwakke onderhandelingspositie bevindt en over minder informatie dan deze laatste beschikt, wat ertoe leidt dat hij met de door de verkoper tevoren opgestelde voorwaarden instemt zonder op de inhoud daarvan invloed te kunnen uitoefenen (arrest van 21 maart 2019, Pouvin en Dijoux, C-590/17, EU:C:2019:232, punt 25 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
27
Het Hof heeft reeds geoordeeld dat een ruime opvatting van het begrip ‘consument’ in de zin van artikel 2, onder b), van richtlijn 93/13 het in voorkomend geval mogelijk maakt om de bij deze richtlijn verleende bescherming te verzekeren voor alle natuurlijke personen die zich ten aanzien van de verkoper in een zwakke positie bevinden [arrest van 8 juni 2023, YYY. (Begrip ‘consument’), C-570/21, EU:C:2023:456, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
28
Derhalve vereisen de dwingende aard van de bepalingen van richtlijn 93/13 en de daarmee verbonden bijzondere eisen van consumentenbescherming dat de voorkeur wordt gegeven aan een ruime uitlegging van het begrip ‘consument’ in de zin van artikel 2, onder b), van deze richtlijn, teneinde het nuttig effect van de richtlijn te verzekeren [arrest van 8 juni 2023, YYY. (Begrip ‘consument’), C-570/21, EU:C:2023:456, punt 38].
29
Bovendien zij eraan herinnerd dat er, in het kader van een kredietovereenkomst die met een verkoper is gesloten, wanneer de medeschuldenaar zich ten aanzien van die verkoper in een situatie bevindt die qua contractuele verplichtingen vergelijkbaar is met die van de schuldenaar, geen reden is om een onderscheid te maken tussen de schuldenaar en de medeschuldenaar wat de toepassing van richtlijn 93/13 op die specifieke overeenkomst betreft. Bijgevolg omvat het begrip ‘consument’ in de zin van artikel 2, onder b), van richtlijn 93/13 in de context van een dergelijke overeenkomst ook een natuurlijke persoon die zich in de positie van medeschuldenaar bevindt wanneer hij handelt voor doeleinden die buiten zijn bedrijfs- of beroepsactiviteit vallen [zie in die zin arrest van 8 juni 2023, YYY. (Begrip ‘consument’), C-570/21, EU:C:2023:456, punt 52 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
30
Overeenkomstig vaste rechtspraak moet de nationale rechter bij wie een geding aanhangig is over een overeenkomst die binnen de werkingssfeer van richtlijn 93/13 kan vallen, rekening houdend met alle bewijsstukken en in het bijzonder met de bewoordingen van die overeenkomst, nagaan of de betrokkene als ‘consument’ in de zin van die richtlijn kan worden aangemerkt. Daartoe moet de nationale rechter rekening houden met alle omstandigheden van de zaak, met name met de aard van het goed of de dienst waarop de betrokken overeenkomst betrekking heeft, waaruit kan blijken met welk doel dat goed is gekocht of die dienst is ontvangen (arrest van 8 juni 2023, Lyoness Europe, C-455/21, EU:C:2023:455, punt 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
31
Wanneer twee natuurlijke personen een hypothecaire kredietovereenkomst sluiten om de aankoop van een woning te financieren, staat het bijgevolg aan de nationale rechter om, rekening houdend met onder meer de aard van het goed waarop die overeenkomst betrekking heeft, vast te stellen of deze natuurlijke personen hebben gehandeld in het kader van hun beroepsactiviteit dan wel voor doeleinden die daarbuiten vallen.
32
In casu blijkt uit het verzoek om een prejudiciële beslissing dat verzoekers in het hoofdgeding natuurlijke personen zijn die ten tijde van het sluiten van de hypothecaire kredietovereenkomst respectievelijk werkzaam waren als officier van gerechtelijke politie en als schooldirecteur. Bovendien oefenden zij geen professionele commerciële activiteiten op het gebied van vastgoedbeheer uit. Uit het verzoek blijkt ook dat zij deze hypothecaire kredietovereenkomst hebben gesloten om de aankoop van één enkele woning in Warschau te financieren, die bestemd was om onder bezwarende titel te worden verhuurd, en dat de huurinkomsten hoofdzakelijk zijn gebruikt om de maandelijkse termijnen van de lening te betalen. Verzoekers in het hoofdgeding hebben geen andere onroerende goederen verhuurd.
33
Onder voorbehoud van de door de verwijzende rechter te verrichten verificaties blijkt bijgevolg dat verzoekers in het hoofdgeding met het sluiten van de betrokken hypothecaire kredietovereenkomst geen beroepsmatig doel nastreefden, maar hun privévermogen wilden consolideren, aangezien de aankoop van de met dit krediet gefinancierde woning voor hen een vorm van investering was.
34
Aan deze conclusie wordt niet afgedaan door het feit dat verzoekers in het hoofdgeding de bedoeling hadden die woning te verhuren om er financieel voordeel uit te halen, noch door de omstandigheid dat zij voor de aankoop ervan en het beheer van de verhuur een beroep hebben gedaan op de diensten van een professional.
35
In het bijzonder blijkt uit de rechtspraak dat een uitlegging van het begrip ‘consument’ in de zin van artikel 2, onder b), van richtlijn 93/13 waarbij een natuurlijke persoon die handelt voor doeleinden die buiten een bedrijfs- of beroepsactiviteit vallen, van dit begrip wordt uitgesloten omdat hij er bepaalde financiële voordelen uit behaalt, erop zou neerkomen dat de bescherming die deze richtlijn verleent aan alle natuurlijke personen die zich ten opzichte van een verkoper in een zwakke positie bevinden en die geen beroepsmatig gebruik maken van de door deze laatste aangeboden diensten, niet kan worden gewaarborgd (zie in die zin arrest van 8 juni 2023, Lyoness Europe, C-455/21, EU:C:2023:455, punt 53).
36
Gelet op een en ander moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat artikel 2, onder b), van richtlijn 93/13 aldus moet worden uitgelegd dat een natuurlijke persoon die een hypothecaire kredietovereenkomst sluit om de aankoop van één enkele woning te financieren, teneinde die onder bezwarende titel te verhuren, onder het begrip ‘consument’ in de zin van deze bepaling valt wanneer hij handelt voor doeleinden buiten zijn bedrijfs- of beroepsactiviteit. Het enkele feit dat deze natuurlijke persoon inkomsten uit het beheer van dit onroerend goed tracht te verkrijgen, kan er op zich niet toe leiden dat hij niet langer onder het begrip ‘consument’ in de zin van die bepaling valt.
Kosten
37
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Tiende kamer) verklaart voor recht:
Artikel 2, onder b), van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten
moet aldus worden uitgelegd dat
een natuurlijke persoon die een hypothecaire kredietovereenkomst sluit om de aankoop van één enkele woning te financieren, teneinde die onder bezwarende titel te verhuren, onder het begrip ‘consument’ in de zin van deze bepaling valt wanneer hij handelt voor doeleinden buiten zijn bedrijfs-of beroepsactiviteit. Het enkele feit dat deze natuurlijke persoon inkomsten uit het beheer van dit onroerend goed tracht te verkrijgen, kan er op zich niet toe leiden dat hij niet langer onder het begrip ‘consument’ in de zin van die bepaling valt.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 24‑10‑2024
Procestaal: Pools.