Einde inhoudsopgave
Verhandelbare emissierechten in broeikasgassen (SteR nr. 34) 2017/7.2.2
7.2.2 Rapportage en Verificatie
mr. T.J. Thurlings, datum 01-08-2017
- Datum
01-08-2017
- Auteur
mr. T.J. Thurlings
- JCDI
JCDI:ADS606995:1
- Vakgebied(en)
Energierecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Artikel 12 lid 3 Richtlijn ETS.
Artikel 67 lid 1 Verordening (EU) 601/2012. De lidstaten mogen ook bepalen dat het geverifieerde emissieverslag eerder wordt ingediend, maar niet eerder dan 28 februari. Nederland heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.
Artikel 16 leden 2-4 Richtlijn ETS.
Artikel 67 lid 3 Verordening (EU) 601/2012.
Artikel 70 lid 1 Verordening (EU) 601/2012 jo artikel 35 lid 7 Verordening (EU) 389/2013.
Immers, artikel 67 Verordening (EU) 389/2013 staat er niet aan in de weg dat een exploitant op een eerder moment reeds emissierechten inlevert ten behoeve van de naleving. Indien het aantal ingeleverde emissierechten gelijk is aan het geschatte aantal emissierechten, kan er niet geconcludeerd worden dat de exploitant meer heeft uitgestoten dan hij aan emissierechten heeft ingeleverd.
Dit volgt uit artikel 37 jo artikel 109 jo bijlage XIV Verordening (EU) 389/2013. Uit artikel 37 volgt dat de nalevingsstatus van een exploitant gelijk is aan de ingeleverde emissierechten – het aantal geverifieerde emissies. Ingevolge artikel 109 jo bijlage XIV moet een symbool en verklaring worden ingeschreven in het EUTL, die weergeven of de exploitant uiterlijk op 30 april een aantal emissierechten heeft ingeleverd dat gelijk staat aan zijn emissies over het voorgaande kalenderjaar. Blijkens de mogelijke symbolen en verklaringen is het mogelijk een positief nalevingscijfer te hebben (boven 0), en toch te laat te zijn met optekenen van geverifieerde emissies.
Artikel 10 lid 2 jo artikel 67 Verordening (EU) 389/2013.
HvJ EU 29 april 2015, C-148/14 (Nordzucker), r.o. 31 en 32.
HvJ EU 29 april 2015, C-148/14 (Nordzucker), r.o. 27.
Artikel 37 jo artikel 109 jo bijlage XIV Verordening (EU) 389/2013.
Artikel 35 lid 7 Verordening (EU) 389/2013.
Idem.
Artikel 36 Verordening (EU) 389/2013. Daarnaast staat het lidstaten vrij eigen handhavingsmiddelen toe te passen overeenkomstig artikel 16 lid 1 Richtlijn ETS.
Te raadplegen op: https://ec.europa.eu/clima/policies/ets/monitoring/documentation_en.htm (geraadpleegd op 14 februari 2017).
De definitie voor ‘verificateur’ is terug te vinden in artikel 3 lid 3 Verordening (EU) 600/2012: ‘een rechtspersoon of een andere juridische entiteit die krachtens deze verordening verificatieactiviteiten uitvoert en krachtens Verordening (EG) nr. 765/2008 en deze verordening door een nationale accreditatie-instantie is geaccrediteerd of een natuurlijke persoon die, onverminderd artikel 5, lid 2, van die verordening, op het moment dat het verificatierapport wordt uitgebracht anderszins gemachtigd is’.
Artikel 3 lid 4 Verordening (EU) 600/2012. Bij de verificatie moet, wanneer wordt uitgegaan van de AVR Explanatory Guidance, tevens door de verificateur worden nagegaan of de fundamentele principes van Verordening (EU) 601/2012 en 600/2012 zijn nageleefd, waaronder de beginselen van volledigheid, consistentie, vergelijkbaarheid, nauwkeurigheid en integriteit als verwoord in de artikelen 5-9 Verordening (EU) 601/2012 (AVR Explanatory Guidance, p. 14). Overigens dient volgens ditzelfde document de evaluatie van al deze beginselen te worden meegenomen in het beoordelen van het verslag op materiële onjuistheden (AVR Explanatory Guidance, p. 14).
Artikel 6 Verordening (EU) 600/2012.
Artikel 7 lid 1 Verordening (EU) 600/2012. ‘Redelijke mate van onzekerheid’ wordt door de AVR Explanatory Guidance uitgelegd als: ‘reasonable level of assurance mean-ing a high but not absolute level of assurance that the subject matter conforms in all material aspects with the required criteria’ (AVR Explanatory Guidance, p. 15).
Artikel 7 lid 2 Verordening (EU) 600/2012.
Artikel 7 lid 3 Verordening (EU) 600/2012.
Artikel 23 lid 1 voor categorieën A en B, lid 2 voor categorie C. Met betrekking tot vliegtuigexploitanten geldt een materialiteitsniveau van 5% voor vliegtuigexploitanten met een jaarlijkse emissie van ten hoogste 500 kiloton fossiel CO2 (lid 1) en een materialiteitsniveau van 2% voor vliegtuigexploitanten met een jaarlijkse emissie van meer dan 500 kiloton fossiel CO2 (lid 2).
Artikel 3 lid 9 Verordening (EU) 600/2012.
Artikel 22 lid 3, derde alinea Verordening (EU) 600/2012.
Artikel 3 lid 12 resp. lid 27 Verordening (EU) 600/2012.
Artikel 22 lid 3, laatste alinea Verordening (EU) 600/2012. Een uitleg hierover is te vinden in: AVR Explanatory Guidance, p. 27 en 28.
Artikel 27 lid 1 Verordening (EU) 600/2012.
Artikel 8 Verordening (EU) 600/2012.
Artikel 8 lid 1 onder a Verordening (EU) 600/2012.
Artikel 8 lid 1 onder b Verordening (EU) 600/2012.
Artikel 8 lid 1 onder c Verordening (EU) 600/2012. De verificateur mag geen verificatie-rapport verstrekken aan een exploitant ten aanzien van wiens activiteiten de verificateur niet geaccrediteerd is (artikel 34 Verordening (EU) 600/2012).
Artikel 8 lid 1 onder d Verordening (EU) 600/2012.
Artikel 8 lid 1 onder e Verordening (EU) 600/2012.
Artikel 8 lid 1 onder f jo artikel 9 Verordening (EU) 600/2012.
Artikel 8 lid 2 Verordening (EU) 600/2012.
Onder deze informatie valt onder meer: het meest recente MP, de broeikasgasemissie-vergunning, een beschrijving van dataflow-activiteiten.
Artikel 11 lid 1 Verordening (EU) 600/2012. Voor de EU ETS-hoofdauditor, de EU ETS-auditor, de technisch deskundige en de onafhankelijke beoordelaar zijn competentie-eisen vastgelegd in resp. art.37, 39 en 38 Verordening (EU) 600/2012.
Artikel 11 lid 2 Verordening (EU) 600/2012.
Artikel 11 lid 4 Verordening (EU) 600/2012.
Artikel 12 lid 1 en AVR Key note II.2, p. 2.
Artikel 3 lid 15 Verordening (EU) 600/2012.
AVR Key note II.2, p. 5.
Artikel 3 lid 15 Verordening (EU) 600/2012.
AVR Key note II.2, p. 7.
Dit volgt onder meer uit artikel 13 lid 1 jo lid 4 Verordening (EU) 600/2012. In lid 4 wordt bepaald: ‘De verificateur stelt het verificatieplan zo op en voert het zo uit dat het verificatierisico tot een aanvaardbaar niveau wordt beperkt, zodat een redelijke mate van zekerheid bestaat dat het verslag van de exploitant of vliegtuigexploitant geen materiële onjuistheden bevat.’ Verificatierisico wordt door artikel 3 lid 17 Verordening (EU) 600/ 2012 gedefinieerd als: ‘het risico, dat afhangt van het intrinsieke risico, het controlerisico en het detectierisico, dat de verificateur een onjuist verificatieadvies uitbrengt wanneer het verslag van de exploitant of vliegtuigexploitant materiële onjuistheden bevat’. Het detectierisico wordt door artikel 3 lid 1 Verordening (EU) 600/2012 gedefinieerd als: ‘het risico dat de verificateur een materiële onjuistheid niet detecteert’. Het aanvaardbare niveau is het niveau waarmee een redelijke mate van zekerheid bestaat. Dit niveau is volgens AVR Key note II.2 5% (AVR Key note II.2, p. 10). Wanneer het intrinsieke risico en controlerisico laag zijn, kan die 5% verificatierisico eerder worden bereikt. In formulevorm: verificatierisico = intrinsiek risico * controle risico * detectierisico. Hoe hoger het intrinsieke en/of controlerisico, hoe lager het detectierisico moet zijn om het gewenste verificatierisico van 5% te bereiken (zie voor een nadere uitleg: AVR Key note II.2, p. 2, 10 en 11).
Artikel 58 Verordening (EU) 601/2012 jo artikel 27 lid 3 aanhef en onder p jo artikel 30 lid 1 aanhef en onder a Verordening (EU) 600/2012.
AVR Key note II.2, p. 11.
Artikel 13 Verordening (EU) 600/2012.
Artikel 13 lid 1 jo lid 2 jo lid 3 Verordening (EU) 600/2012.
Artikel 13 lid 4 Verordening (EU) 600/2012.
Artikel 13 lid 5 Verordening (EU) 600/2012.
AVR Key note II.2, p. 11.
Artikel 14 jo artikel 15 Verordening (EU) 600/2012.
Artikel 14 jo artikel 16 Verordening (EU) 600/2012.
Artikel 14 jo artikel 17 Verordening (EU) 600/2012.
Artikel 14 onder a Verordening (EU) 600/2012.
Artikel 14 onder b Verordening (EU) 600/2012.
Artikel 14 onder c Verordening (EU) 600/2012.
Artikel 18 lid 1 Verordening (EU) 600/2012 jo artikel 65 Verordening (EU) 601/2012.
Idem.
Artikel 18 lid 1 Verordening (EU) 600/2012.
Artikel 18 lid 2 Verordening (EU) 600/2012.
MRR Guidance document no. 4, p. 8. Dit document ziet alleen op de risicobeoordeling van installaties, en is dus niet geschreven als leidraad voor vliegtuigexploitanten (MRR Guidance document no. 4, p. 3).Voor een overzicht van de risicobeoordeling die moet worden uitgevoerd door vliegtuigexploitanten zij verwezen naar artikel 55 Verordening (EU) 601/2012 en MRR Guidance document no. 2, p. 41 en 42.
Zie voor een uitwerking van deze risicobeoordeling: MRR Guidance document no. 4.
Artikel 19 Verordening (EU) 600/2012. Voor een nadere toelichting op deze beoordeling: paragraaf 4.1 AVR Key note II.3. Voor vliegtuigexploitanten zie AVR Explanatory Guidance (GD III), p. 48.
Artikel 21 Verordening (EU) 600/2012. Voor een uitgebreide uiteenzetting hierover: AVR Key note II.5, voor vliegtuigexploitanten zie: AVR Explanatory Guidance (GD III), p. 23 en 24.
AVR Key note II.5, p. 2.
Artikel 31 Verordening (EU) 600/2012. Voor vliegtuigexploitanten is het een en ander geregeld in artikel 32 Verordening (EU) 600/2012. Voor een uitwerking hiervan zie AVR Explanatory Guidance (GD III), p. 23 en 24 en 56.
Zie voor een uitwerking van deze criteria: AVR Key note II.5, p. 4-8. Voor vliegtuigexploitanten gelden andere voorwaarden, vastgelegd in artikel 32 Verordening (EU) 600/2012. Voor een uitwerking van de voorwaarden waaronder van een fysiek bezoek aan de vliegtuigexploitant kan worden afgezien: AVR Explanatory Guidance (GD III), p. 23 en 24 en 56.
Hieronder vallen in ieder geval de wijzigingen die goedkeuring van de bevoegde autoriteit behoeven (artikel 31 lid 3 aanhef en onder c Verordening (EU) 600/2012 jo artikel 15 leden 3 en 4Verordening (EU) 601/2012).
Artikel 31 lid 3 Verordening (EU) 600/2012.
Artikel 27 Verordening (EU) 600/2012.
Waaronder, ‘indien van toepassing, de vergunning en de verschillende versies van het door de bevoegde autoriteit goedgekeurde monitoringplan, alsook de geldigheidsperiode van elk monitoringplan’ (artikel 27 lid 3 onder e Verordening (EU) 600/2012).
Deze wijzigingen moeten immers verplicht worden gemeld overeenkomstig artikel 24 lid 1 Besluit 2011/278/EU. Zie over capaciteitswijzigingen en kosteloze toewijzingen tevens: hoofdstukken 3 en 4.
Ten behoeve van het opstellen van een verificatierapport heeft de Commissie een template beschikbaar gesteld, waarin alle vereisten van artikel 27 Verordening (EU) 600/2012 zijn verwerkt. Zie voor een nadere uitwerking van deze template: AVR Key note II. 6. De template is te downloaden van: https://ec.europa.eu/clima/policies/ets/monitoring/documentation_en.htm (geraadpleegd op 14 februari 2017).
Artikel 25 Verordening (EU) 600/2012.
Artikel 25 lid 2 Verordening (EU) 600/2012.
Artikel 25 lid 3 Verordening (EU) 600/2012.
Idem.
Artikel 25 lid 4 Verordening (EU) 600/2012.
Artikel 25 lid 5 Verordening (EU) 600/2012.
Een exploitant dient ieder jaar uiterlijk op 30 april een hoeveelheid emissierechten in te leveren die gelijk is aan de hoeveelheid geverifieerde emissies in het voorgaande jaar.1 Hiertoe dient de exploitant op uiterlijk 31 maart een geverifieerd emissieverslag in te leveren bij de bevoegde autoriteit.2 Op het niet of te weinig inleveren van emissierechten staat vanaf 2013 een boete van € 100,- x CPI per ton CO2(e) waarover geen emissierecht is ingeleverd. Bovendien moet de naam van de betrokken exploitant worden gepubliceerd.3 De minimuminhoud van het emissieverslag is terug te vinden in bijlage X Verordening (EU) 601/2012.4 Indien een exploitant zijn emissieverslag niet voor de uiterlijke datum voor inlevering verifieert, kan dit leiden tot de genoemde boete. Immers, voor hem zal dan onduidelijk zijn hoeveel emissierechten hij dient in te leveren. Bij het ontbreken van de geverifieerde emissies, schat de bevoegde autoriteit deze weliswaar, maar deze worden pas op zijn vroegst op 1 mei in het EU-register opgetekend.5 De exploitant zal slechts onder die boete uit kunnen komen, indien hij voor 1 mei een aantal emissierechten inlevert dat gelijk is aan, of groter is dan, het uiteindelijk aantal geschatte emissies.6 Immers, in dat geval kan niet worden geconcludeerd dat de exploitant te weinig emissierechten ter dekking van zijn emissies heeft ingeleverd.
Hoewel ‘inlevering’ door Verordening (EU) 389/2013 wordt gedefinieerd als: ‘de boeking van een emissierecht door een exploitant of vliegtuigexploitant tegen de geverifieerde emissies van zijn installatie of vliegtuig’, is het mogelijk meer emissierechten in te leveren dan door de installatie is uitgestoten.7 Blijkbaar is het dus mogelijk emissierechten in te leveren zonder dat hier emissies tegenover staan. Een exploitant die zijn emissieverslag niet op tijd geverifieerd kan krijgen doet er dus verstandig aan toch emissierechten in te leveren op basis van de door hem verwachte grootte van zijn emissies, om zo de genoemde boete te kunnen ontwijken. Het staat een lidstaat overigens wel vrij eigen handhavingsmechanismen toe te passen op een exploitant die geen geverifieerd emissieverslag heeft ingediend. Bovendien wordt de rekening waar de emissierechten van de exploitant op staan geblokkeerd indien niet uiterlijk op 1 april van een lopend jaar het aantal geverifieerde emissies over het voorgaande jaar van de exploitant is opgetekend in het EU-register. Pas wanneer de geverifieerde emissiegegevens zijn opgetekend in het EU-register wordt deze blokkade opgeheven. Vanaf een geblokkeerde rekening kunnen echter nog wel emissierechten worden ingeleverd.8 In dit kader is het van belang om het arrest Nordzucker van het Hof van Justitie in beschouwing te nemen. In dit arrest overwoog het Hof als volgt:
‘Zoals valt op te maken uit artikel 14, lid 3, van richtlijn 2003/87, heeft de inleveringsverplichting als uitgangspunt de verslagen die exploitanten van een installatie volgens de in de richtsnoeren vervatte regels opstellen. Overeenkomstig het vereiste van een strikte registratie van de verleende emissierechten en op grond van de artikelen 6, lid 2, onder e), en 12, lid 3, van deze richtlijn, worden deze verslagen, voordat zij worden ingediend bij de bevoegde nationale autoriteiten, onderworpen aan een verificatieproces zoals bedoeld in artikel 15 van die richtlijn.’
En:
‘Uit laatstgenoemde bepaling, gelezen in samenhang met bijlage V bij richtlijn 2003/87, volgt dat de verificatie van de emissieverslagen een noodzakelijke voorwaarde is voor de inlevering van emissierechten. Een exploitant wiens verslag niet is geverifieerd en als bevredigend is beoordeeld, mag namelijk geen emissierechten meer overdragen totdat een verslag van zijn kant als bevredigend is beoordeeld.’9
Uit deze overwegingen lijkt te volgen dat het Hof van Justitie artikel 15 jo bijlage V Richtlijn ETS zo interpreteert dat bij het niet verifiëren van een emissieverslag, de inlevering van emissierechten onmogelijk moet worden geacht. Nu Verordening (EU) 389/2013 haar grondslag vindt in artikel 15 Richtlijn ETS, zou dit betekenen dat de Verordening in strijd is met de Richtlijn, voor zover het toestaat dat emissierechten kunnen worden ingeleverd zonder dat hier geverifieerde emissies tegenover staan. Mijns inziens heeft het Hof een dergelijk oordeel echter niet voor ogen gehad. Daarbij zij erop gewezen dat het arrest van het Hof er niet aan in de weg lijkt te staan dat reeds voor de uiterlijke datum van verificatie emissierechten worden ingeleverd. Bovendien heeft het arrest betrekking op de eerste handelsperiode. Mijns inziens moet ervan worden uitgegaan dat dit arrest slechts invult van welke emissies voor de boete gekoppeld aan de inleverplicht moet worden uitgegaan: de geverifieerde emissies, of een eventuele latere wijziging van de emissies door achteraf gebleken onjuistheden, waarbij het Hof uitgaat van het eerste. Dit was in essentie ook de vraag die aan het Hof was voorgelegd.10 Het betreft mijns inziens geen analyse van de toepassing van de boete in het geval geverifieerde emissies ontbreken, maar er wel emissierechten zijn ingeleverd. Aangezien Verordening (EU) 389/2013 ten behoeve van de huidige handelsperiode is opgesteld, met een expliciete rechtsgrondslag in artikel 19 Richtlijn ETS, en blijkens deze Verordening een positief nalevingscijfer mogelijk is zonder geverifieerde emissies,11 moet in het geval van het ontbreken van geverifieerde emissies worden gekeken naar de geschatte emissies. Daarbij is van belang erop te wijzen dat ook Verordening (EU) 389/2013 ervan uitgaat dat de geschatte emissies in dat geval de ontbrekende geverifieerde emissies vervangen.12
Desalniettemin neemt de verificatie van emissies een centrale rol in. Het schatten van emissies door de bevoegde autoriteit vindt immers pas plaats, indien geverifieerde emissies ontbreken.13 Bovendien wordt het ontbreken van geverifieerde emissies wel degelijk gesanctioneerd, door onder meer de rekening van de betreffende exploitant te blokkeren.14
Gezien het belang van de verificatie voor het functioneren van de broeikasgasemissiehandel, wordt het verificatieproces hier beknopt uiteengezet. Voor een uitgebreidere beschrijving zij verwezen naar de relevante ‘guidance documents’ van het DG Climate Action van de Commissie.15
De regeling omtrent de verificatie van emissieverslagen is te vinden in Verordening (EU) 600/2012, dat zijn rechtsgrondslag vindt in artikel 15 Richtlijn ETS. De verificatie van een emissieverslag wordt verricht door een verificateur.16 Een verificateur dient overeenkomstig de Verordening emissieverslagen te verifiëren.17 De verificatie dient betrouwbaar te zijn voor haar gebruikers.18 De algemene verplichtingen van de verificateur zijn beschreven in artikel 7 Verordening (EU) 600/2012. Deze houden onder meer in dat hij de verificatieactiviteiten zodanig uitvoert, dat hij in het verificatierapport met een redelijke mate van zekerheid kan concluderen dat het emissieverslag van de exploitant geen materiële onjuistheden bevat,19 dat hij een professionele scepsis aan de dag legt,20 en dat hij onafhankelijk handelt.21 Wanneer een emissieverslag materiële onjuistheden bevat wordt bepaald door artikel 23 en artikel 22 lid 3, laatste alinea Verordening (EU) 600/2012. Ingevolge artikel 23 geldt voor categorie A en B installaties een materialiteitsniveau van 5%, voor categorie C installaties is dit niveau vastgesteld op 2% van de totale emissies die in de geverifieerde verslagperiode zijn gerapporteerd.22 Een emissieverslag bevat materiële onjuistheden, wanneer de emissiegegevens van een installatie onjuistheden bevat die apart of gezamenlijk leiden tot een afwijking van de emissiegegevens met een hoger percentage dan het geldende materiëliteitsniveau.23 De verificateur moet verder nagaan of een ‘niet-gecorrigeerde non-conformiteit, die afzonderlijk of in combinatie met andere non-conformiteiten voorkomt, een impact heeft op de ingediende gegevens en of dat tot materiële onjuistheden leidt’.24
Onjuistheden en non-conformiteiten worden als volgt gedefinieerd:
‘”non-conformiteit”: heeft een van de volgende betekenissen:
”onjuistheid”: een omissie, verkeerde voorstelling of fout in de ingediende gegevens van de exploitant of vliegtuigexploitant, met uitzondering van de krachtens artikel 12, lid 1, onder a), van Verordening (EU) nr. 601/2012 toelaatbare onzekerheid.’25
Verder heeft de verificateur de mogelijkheid onjuistheden in een emissieverslag als materieel te kwalificeren, zonder dat het toepasselijke materialiteitsniveau wordt bereikt. Deze mogelijkheid bestaat evenwel slechts indien de aard en de omvang van de onjuistheden en de bijzondere omstandigheden waarin ze voorkomen zulks rechtvaardigen.26 Wanneer een emissieverslag materiële onjuistheden bevat, kan dit verslag niet als bevredigend worden geverifieerd.27
Voor de verificatie wordt een overeenkomst gesloten met de exploitant. Voordat de verificateur deze overeenkomst aanvaardt, dient hij zich een juist beeld van de exploitant te vormen. Hij dient daarbij ook na te gaan of hij de verificatie op zich kan nemen.28 Hij dient daarbij de risico’s te evalueren die zich bij verificatie kunnen voordoen,29 hij onderzoekt de informatie die hij van de exploitant heeft gekregen om de reikwijdte van de verificatie te bepalen,30 hij bepaalt of de overeenkomst binnen het toepassingsgebied van zijn eigen accreditatie valt,31 hij beoordeelt of hij over de vereiste competentie, medewerkers en middelen beschikt om een verificatieteam samen te stellen dat met de complexiteit van de installatie kan omgaan en hij beoordeelt of hij in staat is de verificatieactiviteiten binnen het vereiste tijdschema met goed gevolg te voltooien.32 Verder dient de verificateur te beoordelen of hij in staat is ervoor te zorgen dat het op te zetten verificatieteam over de vereiste competentie en medewerkers beschikt om de verificatieactiviteiten voor de specifieke exploitant uit te voeren.33 De verificateur dient daarnaast voor elke aangevraagde verificatieovereenkomst te bepalen hoeveel tijd moet worden toegewezen om de verificatie naar behoren uit te voeren.34 Ten behoeve van bovengenoemde controles dient de exploitant alle relevante informatie te verstrekken die de verificateur in staat stellen deze controles uit te voeren.35
Alvorens vervolgens aan de verificatie te beginnen, dient de verificateur een strategische analyse uit te voeren. De exploitant dient ten behoeve van deze analyse, en overigens ook op andere tijdstippen van de verificatie, de informatie genoemd in artikel 10 lid 1 Verordening (EU) 600/2012 aan de verificateur te bezorgen.36 Middels de strategische analyse beoordeelt de verificateur de waarschijnlijke aard, reikwijdte en complexiteit van de verificatietaken door alle aan de installatie verwante activiteiten aan deze analyse te onderwerpen.37 De verificateur dient daarbij de vereiste informatie te verzamelen en te beoordelen om na te gaan of het verificatieteam voldoende competent is, of de in het contract vermelde tijdstoewijzing correct is, en of hij de noodzakelijke risicoanalyse kan uitvoeren. Hij onderzoekt daarbij ten minste:
de door de exploitant overeenkomstig artikel 10 lid 1 Verordening (EU) 600/2012 verstrekte gegevens;
het vereiste materialiteitsniveau dat op de installatie van toepassing is;
indien de verificateur in voorbije jaren eveneens de verificatie voor de exploitant heeft verzorgd: de informatie uit verificaties van voorbije jaren.38
De verificateur dient daarbij ten minste de onderdelen genoemd in artikel 11 lid 3 Verordening (EU) 600/2012 te evalueren. Tevens dient hij te controleren:
of het voorgelegde MP de meest recente door de bevoegde autoriteit goedgekeurde versie is;
of het MP tijdens de verslagperiode is gewijzigd;
of deze wijzigingen ingevolge artikel 15 lid 1 of artikel 23 Verordening (EU) 601/2012 aan de bevoegde autoriteit zijn bekendgemaakt, dan wel overeenkomstig artikel 15, lid 2, van die verordening door de bevoegde autoriteit zijn goedgekeurd.39
Na de strategische analyse, vindt de risicoanalyse plaats. De risicoanalyse concentreert zich op:
intrinsieke risico’s en;
controlerisico’s.40
Intrinsiek risico wordt daarbij gedefinieerd als: ‘de kans op mogelijk materiële onjuistheden van een parameter in het verslag van de exploitant of vliegtuigexploitant, die afzonderlijk of in combinatie met andere onjuistheden voorkomen, zonder rekening te houden met het effect van enige bijbehorende controleactiviteiten’.41 Oorzaken voor deze risico’s kunnen bijvoorbeeld bestaan uit: complexiteit en het aantal bronstromen en emissiebronnen, aantal handmatige overdrachten en invoer van data betreffende brandstoftoevoer, complexiteit van het datamanagementsysteem voor het verzamelen van data en het bepalen van de hoeveelheid emissies.42
Controlerisico wordt gedefinieerd als: ‘de kans op mogelijke materiële onjuistheden van een parameter in het verslag van de exploitant of vliegtuigexploitant, die afzonderlijk of in combinatie met andere onjuistheden voorkomen, en die door het controlesysteem niet tijdig worden voorkomen of gedetecteerd en gecorrigeerd’.43 Dit ziet op het risico dat de controlesystemen die de exploitant hanteert niet op tijd fouten voorkomt, opspoort of oplost.44
Tezamen bepalen ze de intensiteit van de verificatie door de verificateur. Immers, indien de intrinsieke risico’s en controlerisico’s beiden laag zijn, is het risico dat zich fouten in het emissieverslag voordoen ook laag. De verificateur kan in dat geval een minder intensieve verificatie uitvoeren, om een verificatierapport te kunnen afleveren waarin met een redelijke mate van zekerheid wordt geconcludeerd dat het emissieverslag geen materiële onjuistheden bevat.45
Bij de risicoanalyse moet de verificateur rekening houden met het controlesysteem dat de exploitant overeenkomstig artikel 58 Verordening (EU) 601/2012 heeft ingesteld. Dit controlesysteem moet de exploitant instellen, documenteren, uitvoeren en onderhouden om te garanderen dat het emissieverslag geen onjuiste opgaven bevat. Het controlesysteem bevat de beoordeling van de exploitant omtrent de intrinsieke- en controlerisico’s en schriftelijke procedures met betrekking tot controleactiviteiten ter beperking van de gesignaleerde risico’s. De exploitant dient toe te zien op de doeltreffendheid van dit systeem, waarbij hij onder andere rekening moet houden met de bevindingen van de verificateur tijdens de verificatie van de jaarlijkse emissieverslagen.46 De verificateur dient op zijn beurt de exploitant op de hoogte te stellen van inherente- en controlerisi- co’s waarmee het controlesysteem geen rekening houdt.47 Zo nodig dient de exploitant het MP of de ondersteunende documenten aan te passen.48
Na de strategische analyse gaat de verificateur over op de daadwerkelijke verificatie of ‘procesanalyse’. Deze wordt uitgevoerd aan de hand van een verificatieplan.49 Dit plan bevat:
een verificatieprogramma waarin de aard en het toepassingsgebied van de verificatieactiviteiten wordt beschreven en het tijdstip en de manier waarop deze worden uitgevoerd;
een testplan waarin het toepassingsgebied en de methodiek voor het testen van controleactiviteiten en de procedures voor de controleactiviteiten worden uiteengezet;
een gegevensbemonsteringplan, waarin het toepassingsgebied en de methodiek worden uiteengezet voor de gegevensbemonstering van meetgegevens die ten grondslag liggen aan de geaggregeerde emissies in het emissieverslag.50
Het verificatieplan dient zo te worden opgesteld en uitgevoerd dat het verificatierisico tot een aanvaardbaar niveau wordt beperkt, zodat er een redelijke mate van zekerheid bestaat dat het emissieverslag geen materiële onjuistheden bevat.51 Zoals hierboven is gesteld, geldt: hoe lager het intrinsieke- en controlerisico, hoe minder intensief de verificatie door de verificateur hoeft te zijn. Indien tijdens de verificatie echter aanvullende risico’s worden vastgesteld, die moeten worden ingeperkt, dan dient zowel de risicoanalyse als het verificatieplan en de verificatieactiviteiten van de verificateur te worden aangepast, om hiermee rekening te houden. Dit geldt echter mutatis mutandis ook indien tijdens de verificatie wordt vastgesteld dat het feitelijke risico kleiner is dan aanvankelijk gedacht.52 De risicoanalyse is daarmee dus een zich herhalend proces.53
Bij het uitvoeren van het verificatieplan dient de verificateur de uitvoering van het door de bevoegde autoriteit goedgekeurde MP te controleren.
Daartoe dient de verificateur de volgende grondige tests uit te voeren:
analytische procedures (wanneer uit de risicoanalyse en controle van de controleactiviteiten blijkt dat zulks nodig is, kunnen nadere analyses worden uitgevoerd, dit kan tot gevolg hebben dat verificatieactiviteiten worden aangepast);54
gegevensverificatie;55
controleren van de monitoringmethodiek (onder meer het controleren van de correcte uitvoering van de in het goedgekeurde MP vastgelegde monitoringsmethoden, eventuele bemonsteringsplan dat is gebruikt voor de laboratoriumanalyse van rekengegevens, en indien van toepassing de controle van overgebracht CO2);56
controleren van dataflow-activiteiten, alsook de voor dataflow gebruikte systemen, waaronder IT-systemen;57
controleren of de controleactiviteiten van de exploitant correct worden gedocumenteerd, uitgevoerd en gehandhaafd en of deze effectief zijn om de intrinsieke risico’s te beperken;58
controleren of de in het MP vermelde procedures de intrinsieke risico’s en controlerisico’s kunnen beperken en of de procedures worden uitgevoerd, voldoende worden gedocumenteerd en correct worden gehandhaafd.59
Verder dient de verificateur na te gaan of de eventueel door de exploitant in het MP goedgekeurde gebruikte methoden om ontbrekende gegevens aan te vullen, geschikt waren voor de specifieke situatie en of ze correct zijn toegepast.60 Indien de exploitant goedkeuring heeft gekregen van het bevoegd gezag om een andere dan in het MP genoemde methode te gebruiken, controleert de verificateur of deze aanpak correct wordt toegepast en passend wordt gedocumenteerd.61 Indien voor de methode geen tijdige goedkeuring van het bevoegd gezag kan worden verkregen, controleert de verificateur of de door de exploitant gevolgde aanpak om ontbrekende gegevens aan te vullen, waarborgt dat de emissies niet worden ondergewaardeerd en dat deze aanpak niet tot materiële onjuistheden leidt.62 De verificateur dient de gebruikte methoden ook op zijn effectiviteit te controleren.63
De exploitant dient op grond van artikel 12 lid 1 aanhef en onder b Verordening (EU) 601/2012 een risicobeoordeling uit te voeren en het resultaat daarvan in een ondersteunend document neer te leggen, om aan te tonen dat:
‘de voorgestelde controleactiviteiten en procedures inzake controleactiviteiten in de juiste verhouding staan tot de vastgestelde inherente risico's en controlerisico's.’
In het ondersteunende document zou volgens MRR Guidance document no. 4 in ieder geval de volgende informatie moeten zijn vastgelegd: 64
bewijs dat de onzekerheidsniveaus voor de data van activiteitsgegevens worden behaald;
bewijs dat onzekerheidsniveaus van rekenfactoren worden gehaald;
bewijs dat onzekerheidsniveaus voor meetmethoden worden gehaald;
indien een ‘fall-back’ methode is gebruikt voor (een deel van) de installatie, dient een risicobeoordeling te worden uitgevoerd voor de totale emissieomvang van de installatie, om aan te tonen dat het onzekerheidsniveau bedoeld in artikel 22 onder c wordt gehaald.65
Deze risicobeoordeling moet door de verificateur worden gecontroleerd.66
Van belang om op te merken is dat een verificateur als onderdeel van zijn werkzaamheden ook controles ter plaatse moet uitvoeren.67 Artikel 21 lid 1, resp. lid 3 Verordening (EU) 600/2012 bepaalt in dit verband:
‘1. Op een of meer gepaste momenten tijdens het verificatieproces brengt de verificateur een bezoek ter plaatse om de werking van meettoestellen en monitoringsystemen te beoordelen, gesprekken te voeren en de in dit hoofdstuk vereiste activiteiten uit te voeren, alsook om voldoende informatie en bewijsmateriaal te verzamelen zodat hij kan concluderen dat het verslag van de exploitant of vliegtuigexploitant geen materiële onjuistheden bevat.’
3. Met het oog op de verificatie van het emissieverslag van de exploitant zal de verificateur ook een bezoek ter plaatse aanwenden om de grenzen van de installatie en de volledigheid van bronstromen en emissiebronnen te beoordelen.’
Met andere woorden, een verificateur kan niet volstaan met een controle op afstand, maar dient ook ter plaatse onderzoek te verrichten om met een redelijke mate van zekerheid te kunnen concluderen dat het emissieverslag van de exploitant geen materiële onjuistheden bevat.68 In uitzonderingsgevallen mag echter van een onderzoek ter plaatse worden afgezien.69
Het afzien van een onderzoek ter plaatse is slechts mogelijk indien:
de verificateur op basis van zijn risicoanalyse het gerechtvaardigd acht van een onderzoek ter plaatse af te zien;
de verificateur op basis van zijn risicoanalyse heeft vastgesteld dat tot alle relevante data op afstand toegang kon worden verkregen;
aan de criteria van de Commissie is voldaan;
het bevoegd gezag toestemming heeft gegeven van een onderzoek ter plaatse af te zien.70
Wanneer de verificateur voor het eerst een emissieverslag van de betreffende exploitant verifieert, indien de verificateur geen bezoek ter plaatse heeft afgelegd in twee verslagperioden die onmiddellijk voorafgaan aan de huidige verslagperiode, of indien tijdens de verslagperiode belangrijke wijzigingen in het monitoringplan zijn aangebracht,71 mag niet worden afgezien van een onderzoek ter plaatse.72
Ook aan het verificatierapport zelf zijn eisen gesteld.73 Artikel 27 lid 3 beschrijft de elementen die het verificatierapport in ieder geval moet bevatten.
Dit betreft: de naam van de exploitant, de doelstellingen van de verificatie, het toepassingsgebied van de verificatie, een verwijzing naar het geverifieerde verslag van de exploitant, de criteria die zijn gebruikt om het verslag van de exploitant te verifiëren.74 Verder bevat het de in bijlage I Richtlijn bedoelde geaggregeerde emissies per activiteit en per installatie, de verslagperiode waarop de verificatie betrekking heeft, de verantwoordelijkheden van de exploitant, de bevoegde autoriteit en de verificateur en het verificatieadvies. Ook dient het een beschrijving van alle vastgestelde onjuistheden en non-conformiteiten die niet werden gecorrigeerd voordat het verificatierapport werd uitgegeven te bevatten. Alsook de data waarop bezoeken ter plaatse zijn uitgevoerd, en door wie ze zijn uitgevoerd, of dat er van bezoeken ter plaatse is afgezien, en de redenen daarvoor. Verder dienen alle gevallen van niet-naleving van Verordening (EU) 601/2012 die tijdens de verificatie zijn vastgesteld te worden vermeld. Wanneer niet tijdig goedkeuring is verkregen van de bevoegde autoriteit voor het gebruik van een bepaalde methode voor het aanvullen van ontbrekende gegevens, dient een bevestiging dat de gebruikte methode conservatief is en al dan niet tot materiële onjuistheden leidt in het rapport te worden opgenomen. Wijzingen in de capaciteit, het activiteitenniveau en de werking van de installatie, indien deze van invloed zijn op de kosteloze toewijzing van emissierechten, dienen in het rapport te worden opgenomen voor zover deze niet voor 31 december van de verslagperiode aan de bevoegde autoriteit zijn gemeld.75 Verder dienen aanbevelingen voor verbetering, indien van toepassing, in het verslag te worden opgenomen. Ook dient het rapport de naam van de EU ETS-hoofd=auditor, de onafhankelijke beoordelaar en, indien van toepassing, de ETS-auditor en technische deskundige die bij de verificatie van het verslag van de exploitant of vliegtuigexploitant betrokken waren te worden vermeld. Tot slot dient het rapport de datum, naam en handtekening van een gevolmachtigde namens de verificateur te bevatten.76
Het verificatieverslag en de interne verificatiedocumentatie moet worden beoordeeld door een onafhankelijke beoordelaar.77 De onafhankelijke beoordelaar mag zelf geen verificatieactiviteiten hebben uitgevoerd waarover hij moet oordelen.78 De onafhankelijke beoordeling omvat het volledige verificatieproces. De onafhankelijk beoordelaar dient de beoordeling zodanig uit te voeren, dat wordt gewaarborgd dat het verificatieproces overeenkomstig Verordening (EU) 600/2012 is uitgevoerd en dat de verificatieactiviteiten overeenkomstig de door de verificateur opgestelde procedures is verlopen en dat de nodige professionaliteit en oordeelkundigheid aan de dag zijn gelegd.79 De onafhankelijk beoordelaar gaat ook na of het verzamelde bewijsmateriaal volstaat om de verificateur in staat te stellen met een redelijke mate van zekerheid een verificatierapport uit te brengen.80 Wanneer na de beoordeling nog wijzigingen in het verificatierapport moeten worden aangebracht, worden ook deze wijzigingen en bijbehorend bewijsmateriaal beoordeeld.81
De verificateur dient nog een persoon te machtigen om het verificatierapport op basis van de conclusies van de onafhankelijke beoordelaar en het bewijs in de interne verificatiedocumentatie authentiek te verklaren.82