Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken
Einde inhoudsopgave
Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken (SteR nr. 31) 2016/17.4.3:17.4.3 Vertrouwen op verplichtingen
Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken (SteR nr. 31) 2016/17.4.3
17.4.3 Vertrouwen op verplichtingen
Documentgegevens:
Thomas Kraniotis, datum 01-08-2016
- Datum
01-08-2016
- Auteur
Thomas Kraniotis
- JCDI
JCDI:ADS456992:1
- Vakgebied(en)
Bestuursprocesrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het beeld bij het vertrouwen dat betrekking heeft op de naleving van verplichtingen is diverser. Het gaat doorgaans om vrij concrete verplichtingen. Het specialiteitsbeginsel, met name, maar niet alleen, bij uitlevering is een voorbeeld. Ook de beperking van een sanctie als die reeds gedeeltelijk ten uitvoer is gelegd (bij uitlevering en overdracht van executie) en de beperking van het strafmaximum bij overdracht van strafvervolging in geval van afgeleide rechtsmacht vormen verplichtingen op de naleving waarvan wordt vertrouwd. Verder zijn daar het verbod de positie van de veroordeelde te verzwaren bij overdracht van executie en de terugleveringsgarantie bij uitlevering. Bij kleine rechtshulp kan worden gedacht aan de verplichting tot teruggave van het materiaal, de aan een naar de andere staat overgebrachte of vrijwillige afgereisde getuige, deskundige of verdachte en de garantie de veiligheid te waarborgen van afreizende getuigen. Van een iets andere aard is het vertrouwen op de naleving van een in een bijzonder verdrag vastgelegde plicht tot strafbaarstelling van bepaalde delicten in het kader van de eis van dubbele strafbaarheid.
De verplichtingen die voor de samenwerking binnen het kader van de EU de grootste veranderingen met zich zullen brengen zijn de verplichtingen op grond van het EU-recht. Dat kunnen meer algemene verplichtingen zijn, denk met name aan verplichtingen uit het Handvest voor de grondrechten of algemene beginselen ontleend aan het primaire EU-recht, maar ook verplichtingen die voortvloeien uit EU-wetgeving. In het bijzonder kunnen hier weer worden genoemd minimumnormen en procedurele waarborgen die in het kader van de vertrouwensagenda zijn en worden geformuleerd. De vraag is of er reden is sterker te vertrouwen op de naleving van verplichtingen die voortvloeien uit het EU-recht dan op de naleving van andere, klassiek-volkenrechtelijke verplichtingen. De rol van het Hof van Justitie is daarbij cruciaal. Met een procedure bij het Hof kan het niet voldoen aan bepaalde verplichtingen, zowel op grond van primair als op grond van secundair EU-recht, aan de orde worden gesteld. Dat werkt in de hand dat een lidstaat aan die verplichtingen zal voldoen. Daar komt nog bij dat bepaalde verplichtingen eenduidiger worden doordat het hof er uitleg aan geeft. Een directe mogelijkheid voor een bij strafrechtelijke samenwerking betrokken burger om het niet voldoen aan bepaalde verplichtingen aanhangig te maken ontbreekt echter op EU-niveau. Gaat het verder om het niet voldoen aan bepaalde verplichtingen door de opsporingsinstanties dan kan het Hof in het geheel niet in de beoordeling ervan treden (art. 276 VWEU).
Daarnaast zal het EHRM aan het EU-recht ontleende normen bij zijn uitleg van bijvoorbeeld artikel 6 EVRM betrekken. Op die manier kan de betrokken burger alsnog bij een supranationale rechter een beroep doen op deze minimumnormen en procedurele waarborgen, zij het niet rechtstreeks, maar langs de band van artikel 6 EVRM.
Al met al is er reden om uit te gaan van een sterker vertrouwen op de naleving van verplichtingen die voortvloeien uit het EU-recht. Deze verplichtingen zijn veelal concreet toepasbaar en inroepbaar. Daarnaast zijn zij ingebed in het EU-kader dat, zij het niet in het concrete geval, dat een zekere garantie vormt voor de naleving ervan. Voor het concrete geval is daarnaast het EHRM te adiëren dat EU-normen zal betrekken bij zijn beoordeling. Deze omstandigheden gezamenlijk maken dat de uit het EU-recht voortvloeiende verplichtingen door de bank genomen beter zullen worden nageleefd en dus dat een sterker vertrouwen op die naleving te rechtvaardigen is.