Einde inhoudsopgave
De geschillenregeling ten gronde (VDHI nr. 108) 2011/IV.4.3
IV.4.3 Buitenspel bij uittreding
prof.mr. C.D.J. Bulten, datum 28-04-2011
- Datum
28-04-2011
- Auteur
prof.mr. C.D.J. Bulten
- JCDI
JCDI:ADS378566:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Rapport Cie Vennootschapsrecht (1975), p. 10. Art. 6 lid 1 luidde: 'De aandeelhouder die door gedragingen van de vennootschap, van één aandeelhouder of van meer aandeelhouders, zodanig in zijn rechten of belangen wordt geschaad, dat het voortduren van zijn aandeelhouderschap in redelijkheid niet meer van hem kan worden gevergd, kan van die vennootschap, van die aandeelhouder of van die aandeelhouders in rechte vorderen, dat dezen zijn aandelen overnemen.' Ingevolge art. 8 BW van het ontwerp was de blokkeringsregeling bij de uittreding niet van overeenkomstige toepassing. Het verwijtbare gedrag wees de ovememer van de aandelen aan.
Rapport Cie Vennootschapsrecht (1975), p. 12-13.
Lubbers (1975), p. 129. Lubbers achtte het onwaarschijnlijk dat een BV zich in de praktijk 'zonder enig mede-daderschap van enig aandeelhouder' schadelijk zou gedragen ten opzichte van (slechts) één aandeelhouder, maar komt zelf met het voorbeeld van de directie die de belangen van een aandeelhouder schaadt. Een vordering voor uittreding jegens de andere aandeelhouders levert dit niet op.
Rapport Cie Vennootschapsrecht (1975), Bijlage 11, p. 23. Instemmend: Lubbers (1975), p. 129, die wees op het eigen initiatief van de aandeelhouder.
Kamerstukken 18 905, nr. 3 (MvT), p. 26.
De aandeelhouder die wil uittreden, kan zijn vordering enkel en alleen instellen tegen de medeaandeelhouder, aldus het eerste lid van art. 2:343 BW. De schadelijke gedragingen van de medeaandeelhouder vormen het belangrijkste criterium bij de beoordeling van de vordering. De vennootschap staat op twee manieren buitenspel: haar gedrag doet niet ter zake en zij kan niet tot overname van de aandelen worden veroordeeld. Bij dit laatste past een kanttekening: een veroordeling is niet mogelijk, maar onder omstandigheden kan de vennootschap de verkrijger van de over te dragen aandelen worden, zie § V.4.2.
Het rapport van de Commissie Vennootschapsrecht uit 1975 ging nog uit van een andere positie van de BV, de enige vennootschapsvorm waarop het rapport zag. Waren de gewraakte handelingen te wijten aan de vennootschap, dan kon de rechter de BV bevelen de aandelen van de uittredende aandeelhouder over te nemen.1 Indien echter door kapitaalbeschermingsregels de inkoop van eigen aandelen 'gevaarlijk' werd, en wanneer de statuten de verwerving van eigen aandelen niet toestonden, was een veroordeling van de BV krachtens de voorgestelde uittredingsbepaling niet mogelijk.2 Lubbers voorzag hier een probleem indien het uitsluitend om het gedrag van de vennootschap zou gaan. Veroordeling van de andere aandeelhouders tot overname van de aandelen was dan niet mogelijk. De theoretische ruimte voor toewijzing van de uittredingsvordering was zijns inziens dus beperkt.3 De Commissie Vennootschapsrecht wees er in haar toelichting op dat nadelen in de sfeer van de inkomstenbelasting, die kunnen spelen bij overdracht aan de vennootschap, voor rekening en risico van de uittredende aandeelhouder behoorden te komen. Met het dagvaarden van de vennootschap gaf de eisende aandeelhouder zijn beroep hierop prijs.4
In het wetsontwerp uit 1985 bestond een andere wetssystematiek: bij gedragingen van de vennootschap die aanleiding geven tot moeilijkheden, is eventueel sprake van wanbeheer. De enquêteprocedure zou in zo'n geval de aangewezen weg moeten zijn.5 Van de vennootschap eisen dat zij aandelen zou overnemen, achtte de wetgever in verband met de fiscale gevolgen voor de uittredende aandeelhouder, niet langer nuttig. De wettelijke geschillenregeling ziet nu nog slechts op geschillen tussen aandeelhouders, niet op de problemen tussen een aandeelhouder en de vennootschap.