Einde inhoudsopgave
Een rechtsvergelijking tussen de Nederlandse en Duitse winstbelasting van lichamen (FM nr. 153) 2018/6.4.1
6.4.1 Mindestbesteuerung gecombineerd met een onbeperkte voorwaartse verliesverrekening, een optie voor Nederland?
dr. F.J. Elsweier, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
dr. F.J. Elsweier
- JCDI
JCDI:ADS398346:1
- Vakgebied(en)
Internationaal belastingrecht / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
J.W. Bellingwout, Een win-win alternatief voor verliescompensatie, WFR 2005/1518, paragraaf 5.
De stand van de jurisprudentie is, kort samengevat, dat het Bundesfinanzhof van mening is dat de Mindestbesteuerung als zodanig als rechtmatig kan worden beschouwd. De vraag of dat ook het geval is als sprake is van definitieve verliesverdamping in samenhang met de Mindestbesteuerung ligt voor bij het Bundesverfassungsgericht.
Vergelijk E. Röder, Zur Verfassungswidrigkeit der Mindestbesteuerung (§10d Abs. 2 EStG) und der Beschränkung des Verlustabzugs nach §8c KStG, StuW 1/2012, blz. 22. Hij geeft aan dat de Mindestbesteuerung in strijd is met het draagkrachtbeginsel (en daarmee in strijd met de grondwet komt) en dat een beperkte voorwaartse verliesverrekeningsmogelijkheid geen alternatief is, omdat dit een inbreuk maakt op de totaalwinstgedachte.
Zie hieromtrent ook C.Watrin/A.Wittkowski/R.Ullmann, Deutsche Mindestbesteuerung und ihre Belastingswirkung, StuW 3/2008, blz. 247. Zij merken op dat de Duitse wetgever zich af moet vragen of de negatieve effecten van de Mindestbesteuerung op het vestigingsklimaat wel gewenst zijn.
Zie hieromtrent ook Van der Geld die opmerkt dat het bedrijfsleven het meest gebaat is bij een ruime achterwaartse verliesverrekeningsmogelijkheid. Carry-back van verlies leidt bij bedrijven in een verliessituatie tot directe teruggaaf van eerder betaalde belasting en dus tot een positieve cashflow van de fiscus op een moment dat men dat in de regel zeer goed kan gebruiken. J.A.G. van der Geld, Hoofdzaken Vennootschapsbelasting, FED Fiscale Studieseries nr. 31, Kluwer, 11e druk, 2015, paragraaf 13.1.
EY Tax & Law Magazine 01/2018, blz. 22.
In gelijke zin J.A.G. van der Geld, De toekomst van de Nederlandse vennootschapsbelasting, Afscheidsrede 30 september 2016, blz. 13.
Zowel Nederland als Duitsland kent een gevarieerd verleden wat betreft de mogelijkheden tot achterwaartse en voorwaartse verliesverrekeningstermijnen. De huidige achterwaartse verliesverrekeningsmogelijkheid is in beide landen één jaar, maar daarbij geldt in Duitsland – in tegenstelling tot Nederland – een maximale verrekening van € 1 miljoen (en geen achterwaartse verliesverrekeningsmogelijkheid in de Gewerbesteuer). De achterwaartse verliesverrekeningstermijn kan daarmee in Nederland als ruimer worden gezien. Wat betreft de voorwaartse verliesverrekeningsmogelijkheid kent Nederland een termijn van negen jaar (als de plannen uit het regeerakkoord van 10 oktober 2017 doorgaan in de toekomst zes jaar) en Duitsland een onbeperkte voorwaartse verliesverrekening gecombineerd met een Mindestbesteuerung. Het voornaamste kritiekpunt in Nederland ten aanzien van de verliesverrekeningstermijn is de inbreuk op de totaalwinstgedachte. Mijns inziens wordt hiermee niet of in mindere mate voldaan aan de fiscaal-juridische toets uit mijn toetsingskader. Daarmee samenhangend doemen er in de praktijk vragen op wat fiscaal is toegestaan (welke kunstgrepen er mogelijk zijn) om verliesverdamping te voorkomen.
De vraag is of de Mindestbesteuerung gecombineerd met een onbeperkte voorwaartse verliesverrekening een optie voor Nederland zou kunnen zijn. De Mindestbesteuerung met een onbeperkte voorwaartse verliesverrekening afzonderlijk beschouwd, biedt een oplossing ten aanzien van het voornaamste Nederlandse kritiekpunt. Er wordt dan namelijk, in principe, geen inbreuk gemaakt op de totaalwinstgedachte en ook vanuit praktisch oogpunt zouden er dan geen kunstgrepen meer nodig hoeven te zijn om verliesverdamping te voorkomen. Budgettair lijkt het ook een gewin voor de Nederlandse schatkist te betekenen. Vandaar dat Bellingwout spreekt van een win-win situatie. Bellingwout is enthousiast en pleit voor invoering van de Mindestbesteuerung in Nederland. Hij ziet als voordeel dat de regeling zonder enig bezwaar in de Nederlandse vennootschapsbelasting kan worden ingepast, EU proof is, er geen kunstgrepen meer hoeven te worden uitgehaald om dreigende verliesverdamping te voorkomen, de regeling geen impact op de jaarrekening heeft en budgettair het nodige kan opleveren.1
Uit mijn onderzoek naar de Mindestbesteuerung (zie hoofdstuk 6.3.1) blijkt echter dat deze verliesverrekeningstemporiserende maatregel in combinatie met andere bepalingen (bijvoorbeeld de regeling tegen handel in verlieslichamen) of omstandigheden (bijvoorbeeld faillissement) alsnog zou kunnen leiden tot een inbreuk op de “Duitse totaalwinstgedachte’’ (objektive Nettoprinzip), doordat de belastingplichtige door de temporisering niet in staat is geweest alle verliezen te verrekenen.2 Invoering van een Mindestbesteuerungsregel in Nederland zou dus mijns inziens in Nederland min of meer dezelfde structurele en systematische vragen oproepen als in Duitsland, namelijk of de Mindestbesteuerung in combinatie met andere bepalingen en omstandigheden wel in overeenstemming is met de totaalwinstgedachte.3 Daarnaast kan een verliesverrekeningstemporiserende maatregel an sich gezien worden als een regeling die een inbreuk maakt op de economische neutraliteitsgedachte. Het neutraliteitsbeginsel kan gezien worden als de wens dat de door de vennootschapsbelasting (en belastingen in het algemeen) in het leven geroepen distorsies tot een minimum worden beperkt. Dit zou betekenen dat (toch niet) in sterkere mate aan de fiscale-juridische toets uit mijn toetsingskader wordt voldaan.
Invoering zou mijns inziens ook betekenen dat in de Nederlandse vennootschapsbelasting een nieuwe regeling wordt opgenomen, die niet leidt tot een vereenvoudiging van de wetgeving. Ook het Nederlandse vestigingsklimaat zal er niet bij zijn gebaat.4 Integendeel, het (Nederlandse) bedrijfsleven zal er waarschijnlijk niet om staan te springen dat een Mindestbesteuerung zal worden ingevoerd met in ruil daarvoor een onbeperkte voorwaartse verliesverrekeningsmogelijkheid.5 Vanuit een internationale en Europese invalshoek kan gesteld worden dat enkele andere landen, waaronder Frankrijk, Spanje, Italië en de Verenigde Staten een Mindestbesteuerung kennen.6 Een dergelijke verliesverrekeningstemporiserende maatregel komt echter niet terug in het CCTB-voorstel. Kort samenvattend ben ik van mening dat Nederland gezien de internationale/Europese fiscale ontwikkelingen zonder of met Mindestbesteuerung niet uit de pas zal lopen ten opzichte van andere landen.
De Nederlandse staatssecretaris van Financiën is zelf ook niet enthousiast over een mogelijke invoering van de Mindestbesteuerung in Nederland. Zonder dit degelijk te onderbouwen, wijst hij invoering af omdat het volgens hem de schatkist enkel een rentevoordeel oplevert.7 Door deze laatste opmerking van de staatssecretaris bekruipt mij het gevoel dat invoering van een Mindestbesteuerung er toe leidt dat er ook in mindere mate wordt voldaan aan de subsidiariteit/evenredigheidseis (onderdeel van de fiscaal-beleidsanalytische toets uit mijn toetsingskader). Ik verwacht dat de baten (meer budgettaire opbrengst) niet in verhouding staan tot de lasten (zijnde geen evidente verbetering van de fiscaal-juridische toets, verslechtering van het vestigingsklimaat en meer regelgeving).
Alles overwegende, lijkt mij het invoeren van een onbeperkte voorwaartse verliesverrekening met een Mindestbesteuerung niet aanbevelenswaardig voor Nederland. Het alleen invoeren van een onbeperkte voorwaartse verliesverrekening (zonder beperking ten aanzien van het jaarlijks aftrekbare bedrag) zou mijns inziens wel aanbevelenswaardig zijn. Dit zou er toe bijdragen dat beter aan de fiscaal-juridische toets uit mijn toetsingskader wordt voldaan. Tevens past dit bij het CCTB-voorstel, waarin ook een mogelijkheid tot onbeperkte carry-forward is opgenomen. Daarnaast zou er mijns inziens een carry-back mogelijkheid moeten bestaan. Dit past namelijk ook binnen de totaalwinstgedachte (en verbetering van de fiscaal-juridische toets) en zorgt voor een economisch wenselijk anticyclisch effect.8 Volledigheidshalve merk ik op dat het CCTB voorstel een dergelijke carry-back mogelijkheid niet kent.