De Collateral Richtlijn
Einde inhoudsopgave
De collateral richtlijn (R&P nr. FR12) 2015/5.4.1:5.4.1 Belgisch recht
De collateral richtlijn (R&P nr. FR12) 2015/5.4.1
5.4.1 Belgisch recht
Documentgegevens:
Dr. J. Diamant, datum 27-10-2014
- Datum
27-10-2014
- Auteur
Dr. J. Diamant
- JCDI
JCDI:ADS365465:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
Financieel recht / Europees financieel recht
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In § 5.2.1 kwam aan de orde dat wanneer bij een burgerlijk pand op giraal geld de verzekerde vordering en de waarde van het pandobject de waarde van € 375 te boven gaat voor het bewijsbare bestaan van het pandrecht ofwel een authentieke akte, ofwel een geregistreerde onderhandse akte moet worden opgemaakt die een omschrijving bevat van de verschuldigde som en van de in pand gegeven schuldvorderingen (art. 2074 BBW). De Belgische wetgever ziet dit terecht als een formaliteit die tegen art. 3 Collateral Richtlijn indruist. Art. 7, § 1 WFZ verklaart deze formaliteit buiten toepassing voor financiëlezekerheidsarrangementen die onder de werkingssfeer van de WFZ vallen:
‘De verplichtingen waarvan sprake in de artikelen 1328 en 2074 van het Burgerlijk Wetboek zijn niet van toepassing op het burgerlijk pand als bedoeld in artikel 4.’
Aangezien voor de vestiging van een pand op gedematerialiseerde effecten of op effecten die onder het toepassingsbereik vallen van het KB nr. 62, specifieke regels gelden waarbij het onderscheid tussen een burgerlijk pand en een handelspand geen rol meer speelt (en dus art. 2074 BBW niet van toepassing is), is voor dergelijke effecten ‘geen wetswijziging nodig om de vereisten inzake de vestiging van een pand af te zwakken’.1
Voor het bewijs van ‘zakelijke-zekerheidsovereenkomsten’ is een bijzondere regeling opgenomen in art. 6 WFZ.2 Dat artikel luidt als volgt:
‘Het sluiten van de in artikel 4 bedoelde zakelijke-zekerheidsovereenkomsten moet schriftelijk worden bewezen, inclusief op elektronische wijze en op elke andere duurzame drager, of via alle rechtsmiddelen die in commerciële aangelegenheden zijn toegestaan. Dit geldt eveneens voor de identificatie van de activa waarop de zakelijke-zekerheidsovereenkomst betrekking heeft en, wat de financiële instrumenten betreft, voor hun verschaffing.’
Voor een burgerlijk pand op giraal geld dat onder de reikwijdte van de WFZ valt, geldt dus niet het vereiste van een authentieke of een geregistreerde onderhandse akte voor het leveren van bewijs door getuigen van een burgerlijk pand zoals neergelegd in art. 1341 BBW.3 Het bewijs van de ‘zekerheidsovereenkomst’ kan schriftelijk of op een vergelijkbare wijze worden geleverd.