Einde inhoudsopgave
Acting in concert-regeling inzake verplicht bod op effecten (VDHI nr. 136) 2016/6.4.2
6.4.2 Uitleg van het doel aan de hand van objectieve maatstaven
mr. J.H.L. Beckers, datum 01-01-2016
- Datum
01-01-2016
- Auteur
mr. J.H.L. Beckers
- JCDI
JCDI:ADS366322:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Het Zwitserse Bundesgerichtshof overwoog expliciet dat gelet op de inherente bewijsmoeilijkheden het subjectieve oogmerk van de samenwerkende partijen niet bepalend kan zijn voor het ontstaan van een biedplicht, zie eerder § 5.8.2.2 sub I.
Uiteraard voorzover deze intentie zich heeft geopenbaard in verklaringen en/of gedragingen. In de zuiver interne gedachtewereld van partijen is het recht niet geïnteresseerd, vgl. Tjittes 2009, p. 12.
HR 13 maart 1981, NJ 1981/635 m.nt. Brunner (Haviltex). Later herhaald in onder andere HR 12 januari 2001, NJ 2001, 199 (Steinbusch/Van Alphen).
Zie annotator Stein onder HR 30 juni 2000, NJ 2000/586. Vgl. over dit leerstuk verder Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-III 2014/364.
Zie ook de toelichting op het inmiddels ingetrokken wetsvoorstel personenvennootschappen (Kamerstukken II, 2002/03, 28 746, nr. 3, p. 6-8) volgens welke het (rechts)feit of partijen een overeenkomst tot samenwerking als bedoeld in art. 7:800 lid 1-wetsvoorstel beogen “moet worden afgeleid uit de inhoud van de overeenkomst, mede in verband met de wijze waarop zij in feite wordt ten uitvoer gelegd; de subjectieve wil van partijen is derhalve niet beslissend.”
Zie voor een toepassing van de geobjectiveerde bedoeling buiten contractuele verhoudingen Hof Amsterdam 16 februari 1979, NJ 1979/536 (totstandkoming van een informele vereniging).
Vgl. HvJ EG 21 februari 2006, ECLI:EU:C:2006:121 (Halifax). Zie nader hierover Brandsma/Braun/Pancham/Weber 2009, p. 130 e.v. met verwijzingen naar literatuur en relevante rechtspraak.
Brandsma/Braun/Pancham/Weber 2009, p. 130.
Zie meest recent HvJ EG 4 juni 2009, ECLI:EU:C:2009:343; NJ 2009/432 m.nt. Mok (T-Mobile Netherlands e.a./NMA), punt 27 (met verwijzingen), aangehaald in HvJ EU 19 maart 2015, ECLI:EU:C:2015:184 (Dole Food Company Inc e.a./Commissie).
In de Memorie van Toelichting is opgemerkt dat de “subjectieve intentie” van partijen niet van doorslaggevend belang is bij het bepalen van het doel van de samenwerking. Dit moet naar “objectieve maatstaven” worden bezien.1 In de onderzochte landen geldt waarschijnlijk hetzelfde, maar daar is dit niet altijd even duidelijk.2
Vermoedelijk bestond bij de wetgever de vrees dat partijen de kwalificatie van hun onderlinge samenwerking konden beïnvloeden. Tegen die achtergrond heeft men willen verduidelijken dat het er niet om gaat hoe partijen het door hun nagestreefde doel zien of noemen – hun subjectieve intentie3 – maar om de vraag of dit rechtens en in objectieve zin is te kwalificeren als het oogmerk overwegende zeggenschap te verwerven of een bod te dwarsbomen. Bij die kwalificatie moet acht worden geslagen op alle omstandigheden van het geval, maar met name de wijze waarop partijen uitvoering geven of hebben gegeven aan de overeenkomst (§ 6.4.3.3). De achterliggende intenties bij het verwerven van overwegende zeggenschap of het dwarsbomen van een bod kunnen van belang zijn, doch zijn op zichzelf niet doorslaggevend.
Dat het doel van de samenwerking objectief geduid moet worden, is overigens gebruikelijk wanneer rechtsgevolgen voor derden zijn verbonden aan het bestaan of de inhoud van een overeenkomst. In zekere zin volgt dit ook al uit de Haviltex-maatstaf.4 Volgens die maatstaf wordt de uitleg van een overeenkomst niet alleen bepaald door de wil van partijen (subjectief), maar ook door de zin die zij daaraan gegeven de omstandigheden redelijkerwijze mochten geven (objectief). Dit laatste wordt ook wel aangeduid als de geobjectiveerde partijbedoeling.5 Meestal wordt de Haviltex-maatstaf enkel toegepast bij de uitleg van de overeenkomst voor wat betreft de vaststelling van hetgeen tussen partijen geldt. Evenwel valt niet in te zien waarom dit criterium niet evengoed zou gelden voor de kwalificatie van de overeenkomst6, ook voor wat betreft de externe rechtsgevolgen daarvan (§ 6.4.3.2).
Ook buiten het Haviltex-kader komt men de geobjectiveerde beoordeling van de bedoeling van rechtssubjecten tegen7, vooral bij anti-misbruikregels. Zo wordt in het belastingrecht aangenomen dat er sprake is van misbruik bij een transactie i) die, in weerwil van de formele toepassingsvoorwaarden, ertoe leidt dat in strijd met het doel van deze bepalingen een belastingvoordeel wordt toegekend, en ii) uit een geheel van objectieve factoren blijkt dat het wezenlijke doel van de betrokken transacties erin bestaat een belastingvoordeel te verkrijgen.8 Algemeen wordt aangenomen dat het bij het tweede element gaat om de werkelijke of geobjectiveerde intentie.9 Ook in het mededingingsrecht is dit het geval. Volgens vaste rechtspraak van het Europese Hof van Justitie zijn bij de vraag of een onderling afgestemde feitelijke gedraging (waarover nader § 9.3.5) mededingingsbeperkend is, “met name relevant de objectieve doelstellingen die zij nastreeft en de economische en juridische context ervan”.10