HR, 12-10-2012, nr. 11/04974
ECLI:NL:HR:2012:BX9942
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
12-10-2012
- Zaaknummer
11/04974
- LJN
BX9942
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
Beroepschrift, Hoge Raad, 12‑10‑2012
ECLI:NL:HR:2012:BX9942, Uitspraak, Hoge Raad, 12‑10‑2012; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHLEE:2011:BT6840, Bekrachtiging/bevestiging
In cassatie op: ECLI:NL:GHLEE:2011:BT6840, Bekrachtiging/bevestiging
In cassatie op: ECLI:NL:GHLEE:2011:BT6840, Bekrachtiging/bevestiging
- Vindplaatsen
FED 2012/121 met annotatie van E.B. PECHLER
NTFR 2012/2441 met annotatie van Mr. M.F. NOUWEN
FutD 2012-2556
Viditax (FutD) 2012101208
Beroepschrift 12‑10‑2012
Edelgrootachtbaar College,
1.
Bij brief van 10 november 2011 heeft [X] BV, belanghebbende, (hierna:[X]), voor wie als gemachtigde optreedt, [B], belastingadviseur verbonden aan [C] te [Q], beroep in cassatie ingesteld tegen de uitspraak van het Gerechtshof Leeuwarden (hierna: het Hof) van 4 oktober 2011 betreffende de aanslag vennootschapsbelastingbelasting over het jaar 2005 en de beschikking heffingsrente. De aan dit beroepschrift klevende verzuimen worden hierbij hersteld.
2. Cassatiemiddel
Met betrekking tot dit beroep worden de volgende cassatiemiddelen voorgedragen:
2.1.
Schending althans onjuiste toepassing van het recht, in het bijzonder van artikel 9, eerste lid, aanhef en onderdeel i Wet op de Vennootschapsbelasting (Wet Vpb) en/of schending van artikel 8:77 van de Algemene wet Bestuursrecht althans verzuim van vormen waarvan de niet-inachtneming met nietigheid is bedreigd. Het Hof heet ten onrechte dan wel op gronden die de beslissing, niet kunnen dragen, althans die zonder nadere motivering onbegrijpelijk zijn, beslist dat een redelijke uitleg van artikel 9, eerste lid, onderdeel i Wet Vpb meebrengt dat de daarin genoemde, schriftelijke, overeenkomst aanwezig moet zijn voordat sprake kan zijn van werkzaamheden waarmee uit te keren gelden worden verkregen.
2.2
Schending althans onjuiste toepassing van het recht, in het bijzonder van het vertrouwensbeginsel en/of schending van artikel 8:77 van de Algemene wet Bestuursrecht althans verzuim van vormen waarvan de niet-inachtneming met nietigheid is bedreigd nu het Hof zonder enige motivering voorbij is gegaan aan het beroep van [X] op het vertrouwensbeginsel.
3. Toelichting
3.1.
Ter toelichting van het eerste cassatiemiddel merkt [X] het navolgende op.
Voor wat betreft de omvang van de in aanmerking te nemen aftrek bij de bepaling van haar fiscale winst over het jaar 2005 betwist [X] het oordeel van het Hof. Het Hof is van oordeel dat een redelijke uitleg van artikel 9, eerste lid, onderdeel i Wet Vpb meebrengt dat de daarin genoemde, schriftelijke, overeenkomst aanwezig moet zijn voordat sprake kan zijn van werkzaamheden waarmee uit te keren gelden worden verkregen. Naar het oordeel van het Hof heeft [X] recht op aftrek van winst voorzover deze winst is behaald vanaf het moment dat er een schriftelijke overeenkomst is. Dit naar de mening van [X] ten onrechte.
De, overigens ongemotiveerde, overweging van het Hof verdraagt zich volgens [X] niet met de tekst van de wet, de wetsgeschiedenis — waaronder de brief van de Staatssecretaris, van Financiën van 18 april 2000 —, de uitleg die de Staatssecretaris als uitvoerder van de belastingwet heeft gegeven en de inhoud van het vraag- en antwoordbesluit van 20 november 2002, nr. CPP2002/3050M, V-N 2002/59.16 (vervangen door het besluit van 23 december 2005, CPP 2005/2731M).
Zorggroep licht dat als volgt toe.
3.1.1. Grammaticale uitleg
De tekst van artikel 9, eerste lid, onderdeel i Wet Vpb is helder en taalkundig voor geen andere uitleg vatbaar: voor het zijn van fondswerver is geen overeenkomst vereist. Wanneer de tekst van de wet taalkundig wordt ontleed, dan kan de overeenkomst slechts zien op de uitkering van gelden en niet op de verwerving van de voor die uitkering bestemde gelden. De wettekst spreekt immers van: ‘…gelden die ingevolge de statuten van het lichaam of op grond van een schriftelijke overeenkomst zullen worden uitgekeerd aan een instelling als bedoeld in artikel 16…’.
Indien de wetgever als bestaansvoorwaarde voor een fondswerver werkelijk zou hebben bedoeld om een voorafgaande schriftelijke overeenkomst te vereisen, dan zou redelijkerwijs mogen worden verwacht dat de wetgever de wettekst anders had geredigeerd. Een betere tekst had dan als voorbeeld kunnen zijn: ‘… of waarvan de werkzaamheid ingevolge de statuten van het lichaam of op grond van een voorafgaand aan deze werkzaamheden gesloten schriftelijke overeenkomst uitsluitend of nagenoeg uitsluitend is gericht op de verkrijging van gelden die zullen worden uitgekeerd aan een instelling […]’.
3.1.2. Wetshistorische uitleg
In de Memorie van Toelichting (Kamerstukken 2001–2002, 28.034, nr. 3) wordt verwezen naar een brief van de Staatssecretaris van Financiën van 18 april 2000. In die brief reageert de Staatssecretaris op vragen van diverse fondswervende instellingen over hun fiscale positie. Het betreft volgens de brief instellingen die uitsluitend activiteiten verrichten die zijn gericht op het inzamelen van gelden voor goede doelen. In de brief stelt de Staatssecretaris zich op het standpunt dat hij heffing over door fondsen aan goed-doelinstellingen af te dragen opbrengsten, maatschappelijk gezien onwenselijk acht. Daarom zou hij bezien hoe en onder welke voorwaarden door wetswijziging, een oplossing voor dergelijke situaties kon worden bereikt.
Uit de brief van 18 april 2000 blijkt niet dat naar de mening van de Staatssecretaris pas sprake is van een fondswerver wanneer de verkrijging van geiden voor een goed-doelinstelling blijkt uit de statuten, hetzij een overeenkomst. De feitelijke aanwezigheid van fondswervende instelling volgt als eerste al uit het antwoord van de Staatssecretaris waarin hij refereert aan: ‘de diverse fondswervende instellingen die zijn aandacht hebben gevraagd voor hun fiscale positie voor de vennootschapsbelasting’. Verder volgt dit nog sterker uit de formulering van de in de brief gestelde voorwaarde voor aftrek. Daaruit blijkt zonder meer dat de Staatssecretaris de aanwezigheid van een fondswerver blijkbaar mogelijk acht zonder dat hiervoor een voorafgaande overeenkomst is vereist. Immers, de Staatssecretaris stelt in zijn brief aan aftrek de voorwaarde dat ‘de fondswervende instelling zich tegenover een goed-doelinstelling contractueel heeft verplicht om de netto opbrengsten uit haar activiteiten af te dragen aan de goed-doelinstelling en dat deze uitkeringen ook daadwerkelijk worden gedaan’. Er kan dus naar het oordeel van de Staatssecretaris blijkbaar heel wel sprake zijn van een fondswervende instelling zonder dat er een overeenkomst tussen fondswerver en goed-doelinstelling is gesloten. Een overeenkomst vormt derhalve geen bestaansvoorwaarde voor de kwalificatie als fondswerver.
Het voorgaande heeft geresulteerd in artikel 9, eerste lid, onderdeel i Wel Vpb. Op meerdere plaatsen in de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever met de overeenkomst slechts het oog heeft gehad op de uit te keren gelden en niet de te verrichten werkzaamheden als fondswerver. Zie onder andere:
- 1.
artikelsgewijze toelichting artikel IV, onderdeel D (artikel 9 van de Wet op de Vennootschapsbelasting 1969); ‘De fondswervende instelling moet ingevolge de statuten of op grond van een schriftelijke overeenkomst, verplicht zijn om deze gelden aan de goed-doelinstelling af te dragen’;
- 2.
brief van 18 april 2000 zoals bedoeld in de Memorie van Toelichting ‘Daarvoor is in ieder geval van belang dat de fondswervende instelling zich tegenover een goed-doelinstelling contractueel heeft verplicht om de netto opbrengsten uit haar activiteiten af te dragen aan de goed-doelinstelling en dat deze uitkeringen ook daadwerkelijk worden gedaan’.
3.1.3. Uitleg Staatssecretaris als uitvoerder van de belastingwet
In het ‘Vraag en antwoordbesluit’ van 20 november 2002, nr. CPP2002/3050M, V-N 2002/59. 16 (vervangen door het Besluit van 23 december 2005, CPP 2005/2731 M), onder B.3., is door de Staatssecretaris van Financiën geantwoord dat door onderbrenging van commerciële activiteiten in een afzonderlijke rechtspersoon, bijvoorbeeld een BV, door een charitatieve instelling, er een zelfstandige fondswervende rechtspersoon ontstaat. De Staatssecretaris schrijft: ‘De BV zal wel kunnen worden aangemerkt als een lichaam waarvan de werkzaamheid (nagenoeg) uitsluitend is gericht op de verkrijging van gelden die zullen worden uitgekeerd aan een instelling als bedoeld in artikel 16, eerste of derde lid’. Een voorafgaande schriftelijke overeenkomst wordt in het besluit van de Staatssecretaris niet als voorwaarde gesteld voor het worden van fondswerver c.q. een lichaam gericht op de verkrijging van gelden in de zin van artikel 9 eerste lid, onderdeel i Wet Vpb. Integendeel, zodra commerciële activiteiten worden geëntameerd in een lichaam waarvan de algemeen nuttige instelling de aandelen houdt, ontstaat in de visie van de Staatssecretaris, althans op grond van de letterlijke tekst van zijn besluit, een fondswerver in de zin van, artikel 9, eerste lid, onderdeel i Wet Vpb. Een schriftelijke, voorafgaande, overeenkomst vormt aldus de Staatssecretaris, in zijn kwaliteit als uitvoerder van de belastingwet, geen voorwaarde voor het ontstaan/bestaan van een fondswerver.
3.2.
Ter toelichting van het tweede cassatiemiddel merkt [X] het navolgende op.
[X] en Stichting [F] hebben niet meer gedaan dan het letterlijk toepassen van, artikel 9, eerste lid, onderdeel i Wet Vpb conform de toelichting zoals de Staatssecretaris van Financiën die heeft gegeven in zijn vraag- en antwoordbesluit van 20 november 2002, nr. CPP2002/3050M (vervangen door hel besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 23 december 2005, nr. CPP2005/2731M).
Daarin wordt het volgende vermeld:
‘B.3.
Kan een BV ook gebruik maken van de aftrekbepaling van artikel 9, lid 1, onderdeel i?
Vraag
Kan een BV met commerciële activiteiten, die is opgericht door en ten behoeve van haar moedermaatschappij — een charitatieve instelling waarvoor de giftenaftrek geldt — en dividend ter beschikking stelt aan haar aandeelhoudster, gebruik maken van de regeling van artikel 9, eerste lid, onderdeel i?
Antwoord
Wanneer een charitatieve instelling haar commerciële activiteiten onderbrengt in een afzonderlijke rechtspersoon, bijvoorbeeld een BV, dan behartigt die BV niet zelf het algemeen belang. Er is een zelfstandige fondswervende rechtspersoon (ontstaan) met een eigen commercieel doel. De BV zal wel kunnen worden aangemerkt als een-lichaam waarvan de werkzaamheid (nagenoeg) uitsluitend is gericht op de verkrijging van gelden die zullen worden uitgekeerd aan een instelling als bedoeld in artikel 16, eerste of derde lid (hierna artikel 16-instelling). Aftrek op grond van onderdeel i is mogelijk indien de (dividend)uitkering plaatsvindt overeenkomstig statuten (en/of oprichtingsakte) of op grond van een schriftelijke overeenkomst; dit onder het voorbehoud dat terzake van de aftrek geen ernstige concurrentieverstoring optreedt en binnen de beperkingen van artikel 9, vijfde lid.
Overigens zal in de situatie waarin de aandeelhoudster tevens als fondswerver voor een andere goed-doelinstelling optreedt, de uitkering niet opnieuw tot aftrek kunnen leiden. De deelneming zal namelijk tot het niet ondernemingsdeel van de. artikel 16-instelling behoren.
In de statuten van de BV of de schriftelijke overeenkomst op grond waarvan de BV de uitkeringen doet, zal immers expliciet naar het (fondsen behoevende) algemeen belang van het ontvangende lichaam zijn verwezen.’
Zoals blijkt uit bovenstaand gedeelte van het ‘Vraag en antwoordbesluit’ is de Staatssecretaris van mening dat onderbrenging van commerciële activiteiten in een afzonderlijke rechtspersoon, bijvoorbeeld een BV, door een charitatieve instelling, leidt tot het ontstaan van een zelfstandige, fondswervende rechtspersoon.
Dit volgt naar de mening van [X] uit de passage: ‘De BV zal wel kunnen worden aangemerkt als een lichaam waarvan de werkzaamheid (nagenoeg) uitsluitend is gericht op de verkrijging van gelden die zullen worden uitgekeerd aan een instelling als bedoeld in artikel 16, eerste of derde lid’. Een voorafgaande schriftelijke overeenkomst wordt in het besluit van de Staatssecretaris niet als voorwaarde gesteld voor de kwalificatie als fondswerver dan wel een lichaam dat gericht is op de verkrijging van gelden in de zin van artikel 9, eerste lid, onderdeel i Wet Vpb. Zodra commerciële activiteiten worden ontwikkeld in een lichaam waarvan de algemeen nuttige instelling de aandelen houdt, ontstaat naar de mening van de Staatssecretaris en diens letterlijke tekst in het besluit, een fondswerver in de zin van artikel 9, eerste lid, onderdeel i Wet Vpb. De schriftelijke overeenkomst is derhalve geen voorwaarde voor het ontstaan/bestaan van een fondswerver.
Naar de mening van [X] voldoet zij geheel aan de voorwaarden en de uitleg van de Staatssecretaris van Financiën zoals verwoord in genoemd vraag- en antwoordbesluit en is zij sinds haar oprichting een fondswerver. Door het sluiten van de overeenkomst met Stichting [F] eind 2005 ontstaat vervolgens de verplichting voor [X] om binnen 6 maanden na afloop van enig boekjaar haar fiscale winst uit te keren aan Stichting [F]. Van ernstige concurrentieverstoring respectievelijk oneerlijke concurrentie als gevolg van de aftrek, is niet gebleken.
Op grond van rechtens te beschermen, door de Staatssecretaris in zijn besluit, gewekt vertrouwen dient aan [X] voor de gehele, aan Stichting [F] uitgekeerde, fiscale winst, aftrek te worden verleend ex artikel 9, eerste lid, onderdeel i Wet Vpb.
4. Conclusie
[X] concludeert op grond van het vorenstaande:
- —
vernietiging van de uitspraak van het Hof voor zover dit de bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank betreft;
- —
vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank voor zover dit ziet op de tijdsevenredige toerekening van de op grond van artikel 9, eerste lid, onder deel 1 Wet VPB te verlenen aftrek;
- —
vernietiging van de uitspraak op bezwaar;
- —
vermindering van de aanslag naar een belastbaar bedrag van nihil; en
- —
veroordeling van de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van dit geding;
Uitspraak 12‑10‑2012
Inhoudsindicatie
Vennootschapsbelasting. Art. 9, lid 1, letter i Wet Vpb 1969. Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 20 november 2002, nr. CPP2002/3050M, BNB 2003/56. Geen gewekt vertrouwen.
Partij(en)
12 oktober 2012
nr. 11/04974
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van X B.V. te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden van 4 oktober 2011, nr. 10/00228, betreffende een aanslag in de vennootschapsbelasting.
1. Het geding in feitelijke instanties
Aan belanghebbende is voor het jaar 2005 een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
De Rechtbank te Leeuwarden (nr. AWB 09/1685) heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd en de aanslag verminderd.
De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Belanghebbende heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.
Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
De Staatssecretaris heeft een conclusie van dupliek ingediend.
3. Beoordeling van de middelen
3.1.
Middel 1 faalt. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3.2.1.
Middel 2 betoogt dat het Hof ten onrechte is voorbijgegaan aan de stelling dat de Staatssecretaris van Financiën in onderdeel B.3 van het Besluit van 20 november 2002, nr. CPP2002/3050M, BNB 2003/56 (hierna: het Besluit), het vertrouwen heeft gewekt dat voor toepassing van artikel 9, lid 1, letter i, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (hierna: de Wet) niet een voorafgaande schriftelijke overeenkomst nodig is. Het middel wordt terecht voorgesteld, maar kan op grond van het hiernavolgende niet tot cassatie leiden.
3.2.2.
Het gedeelte van het Besluit waarop belanghebbende zich heeft beroepen, luidt:
"B.3. Kan een BV ook gebruikmaken van de aftrekbepaling van artikel 9, lid 1, onderdeel i?
Vraag
Kan een BV met commerciële activiteiten, die is opgericht door en ten behoeve van haar moedermaatschappij - een charitatieve instelling waarvoor de giftenaftrek geldt - en dividend ter beschikking stelt aan haar aandeelhoudster, gebruikmaken van de regeling van artikel 9, eerste lid, onderdeel i?
Antwoord
Wanneer een charitatieve instelling haar commerciële activiteiten onderbrengt in een afzonderlijke rechtspersoon, bijvoorbeeld een BV, dan behartigt die BV niet zelf het algemeen belang. Er is een zelfstandige fondswervende rechtspersoon (ontstaan) met een eigen commercieel doel. De BV zal wel kunnen worden aangemerkt als een lichaam waarvan de werkzaamheid (nagenoeg) uitsluitend is gericht op de verkrijging van gelden die zullen worden uitgekeerd aan een instelling als bedoeld in artikel 16, eerste of derde lid (hierna artikel 16-instelling). Aftrek op grond van onderdeel i is mogelijk indien de (dividend)uitkering plaatsvindt overeenkomstig statuten (en/of oprichtingsakte) of op grond van een schriftelijke overeenkomst; dit onder het voorbehoud dat terzake van de aftrek geen ernstige concurrentieverstoring optreedt en binnen de beperkingen van artikel 9, vijfde lid. (...)"
Uit dit antwoord kan niet worden afgeleid dat de Staatssecretaris in afwijking van de tekst van artikel 9, lid 1, letter i, van de Wet ermee instemt dat onder werkzaamheden die uitsluitend zijn gericht op verkrijging van gelden die op grond van een schriftelijke overeenkomst moeten worden uitgekeerd, ook kunnen worden begrepen werkzaamheden die zijn verricht voordat een dergelijke overeenkomst tot stand is gekomen.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren C.B. Bavinck en C.H.W.M. Sterk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 12 oktober 2012.