Aanvullen van subjectieve rechten
Einde inhoudsopgave
Aanvullen van subjectieve rechten (O&R nr. 109) 2019/10.2:10.2 Inhoudelijke opzet deel II
Aanvullen van subjectieve rechten (O&R nr. 109) 2019/10.2
10.2 Inhoudelijke opzet deel II
Documentgegevens:
mr. drs. T.E. Booms, datum 01-01-2019
- Datum
01-01-2019
- Auteur
mr. drs. T.E. Booms
- JCDI
JCDI:ADS301686:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie enkele van de dissertaties genoemd in de voetnoten 9-15 van hoofdstuk 1
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
429. In deel I van dit boek heb ik uiteengezet dat subjectieve rechten worden opgebouwd en aangevuld om de maatschappelijke welvaart te verhogen. Het aanvullen van subjectieve rechten gebeurt door juridische posities toe te voegen aan een subjectief recht, zonder dat zij er onderdeel van gaan uitmaken. Zowel de overheid als partijen in de markt kunnen daarbij een rol spelen. Hoe groter het aantal van de betrokken partijen in de markt dat met een juridische regel over het aanvullen van subjectieve rechten instemt, des te zekerder het is dat de maatschappelijke welvaart wordt verhoogd. Daartegenover staat dat hoe groter het aantal van de betrokken partijen dat met een juridische regel instemt, des te smaller het werkingsbereik van die regel is. Er moet dus steeds een afweging gemaakt worden tussen de inzetbaarheid van de regel en de zekerheid dat die regel de maatschappelijke welvaart verhoogt (zie randnummer 358).
430. Juridische regels over het aanvullen van subjectieve rechten met juridische posities die door de overheid worden toegedeeld hebben een breed werkingsbereik, maar bieden minder zekerheid dat de maatschappelijke welvaart wordt verhoogd (zie randnummer 359). Juridische regels over het automatisch aanvullen van subjectieve rechten met extra juridische posities die door partijen zelf ter beschikking worden gesteld, hebben een smaller werkingsbereik, maar bieden meer zekerheid dat de maatschappelijke welvaart wordt verhoogd (zie randnummer 360 e.v.). De reden daarvoor is dat het aanvullen van subjectieve rechten met deze juridische posities afhankelijk is van zowel de partij die de extra juridische posities verschaft, als de partij die deze juridische posities kwijt zou raken als het subjectieve recht wordt overgedragen. Om ervoor te zorgen dat beiden instemmen met de transacties die nodig zijn om bij een overgang van het subjectieve recht de extra juridische posities te doen toekomen aan de verkrijger van het subjectieve recht, is het nodig dat zij door deze transacties niet benadeeld worden. Daarom is het werkingsbereik van juridische regels om subjectieve rechten automatisch aan te vullen beperkt tot gevallen waarin deze twee partijen er niet op achteruit gaan. Indien alle betrokken partijen instemmen met het aanvullen van subjectieve rechten, ten slotte, is het opstellen van regels die datzelfde beogen te bereiken niet nodig (zie randnummer 364).
431. In deel II van dit boek bekijk ik de juridische regels die er in het Nederlandse recht voor zorgen dat subjectieve rechten worden aangevuld. Om deze regels overzichtelijk te presenteren sluit ik aan bij de volgorde van bespreking in de hoofdstukken 5, 6 en 7, die ik hierboven heb herhaald. Ik begin daarom met een aanloopje. Ik bespreek eerst het opbouwen van rechtsobjecten met (extra) schaarse middelen. Dit vindt in het Nederlandse recht plaats door bestanddeelvorming (hoofdstuk 11). Vervolgens bespreek ik het opbouwen van subjectieve rechten, waarbij zowel partijen als de overheid ervoor zorgen dat juridische posities onderdeel worden van een subjectief recht (hoofdstuk 12). De rest van de hoofdstukken in deel II hebben betrekking op het aanvullen van subjectieve rechten. Ik begin met een bespreking van het mechanisme waarbij de overheid subjectieve rechten aanvult door juridische posities toe te delen (hoofdstuk 13). Het tweede mechanisme betreft het ‘automatisch’ aanvullen van subjectieve rechten, waarbij de overheid ervoor zorgt dat de juridische posities die partijen elkaar verschaffen, automatisch toekomen aan degene die het subjectieve recht verkrijgt waar ze bij horen. Dit automatische aanvullen van subjectieve rechten vindt in het Nederlandse recht plaats door aan een subjectief recht een afhankelijk recht, kwalitatief recht of nevenrecht toe te voegen (hoofdstuk 14-16). Als partijen buiten de overheid om besluiten om een subjectief recht aan te vullen, dan doen zij dat door juridische posities te verschaffen die kunnen worden ingeroepen door eenieder die de hoedanigheid heeft van rechthebbende van een specifiek subjectief recht. Dit is vooral het geval bij het verschaffen van (zelfstandige) garanties (hoofdstuk 17).
432. De bespreking van de verschillende figuren in deel II is niet bedoeld als uitputtende verhandeling. Daar is in dit onderzoek geen ruimte voor; elk van deze figuren zou zelfstandig onderwerp van een proefschrift kunnen zijn.1Ik werk daarom vooral de onderwerpen uit die in de Nederlandse literatuur tot nu toe minder aandacht hebben gekregen. Dit betekent dat ik de hoofdstukken over het vaststellen van rechtsobjecten (hoofdstuk 11) en de inhoud van subjectieve (vooral beperkte) rechten (hoofdstuk 12) kort houd. Het hoofdstuk over door de overheid toebedeelde aanspraken beperk ik, vanwege de breedte van dat onderwerp, tot door de overheid toebedeelde wilsrechten (hoofdstuk 13). Het hoofdstuk over afhankelijke rechten (hoofdstuk 14) werk ik met meer diepgang uit dan de andere hoofdstukken, omdat dat me in staat stelt om in de hoofdstukken over kwalitatieve rechten (hoofdstuk 15) en nevenrechten (hoofdstuk 16) terug te verwijzen naar enkele onderwerpen die grotendeels van overeenkomstige toepassing zijn. Bij het hoofdstuk over garanties (hoofdstuk 17) beperk ik me tot twee voorbeelden die in de literatuur vaak worden verward met afhankelijke rechten en nevenrechten.
433. In elk van de hoofdstukken richt ik me met name op de aspecten van de besproken regels die kunnen worden vergeleken met de uitgangspunten uit deel I. Dit betekent onder meer dat ik veel aandacht besteed aan argumenten die in het Nederlandse recht worden aangevoerd om subjectieve rechten op een bepaalde manier aan te vullen. Meer technische discussies over casuïstiek, die zich bij elk van deze figuren kan voordoen, laat ik grotendeels achterwege. In de voetnoten zijn vaak wel verwijzingen naar verdere literatuur te vinden waarin dergelijke discussies aan bod komen. Ook laat ik beschouwingen over het overgaan van verplichtingen (bijvoorbeeld in de vorm van vergoedingen die dienen te worden voldaan voor het gebruik van een afhankelijk recht, nevenrecht of kwalitatief recht) en verweermiddelen die na overgang van het hoofdrecht kunnen worden ingeroepen, grotendeels buiten beschouwing.
434. De hoofdstukken zijn volgens een vaste volgorde opgebouwd. Ter inleiding bespreek ik steeds de ratio voor het bestaan van de relevante juridische regeling, de totstandkoming van de regeling, enkele voorbeelden van toepassing van de regeling en de praktische relevantie van de toepassing van de regeling (zie bijvoorbeeld paragraaf 14.1). Vervolgens behandel ik de toepassingsvereisten die uit de relevante juridische regeling voortvloeien (zie bijvoorbeeld paragraaf 14.2). Daarna bespreek ik achtereenvolgens wat er met de toegevoegde juridische posities gebeurt bij (gedeeltelijke) overgang van het subjectieve recht (zie bijvoorbeeld paragraaf 14.3), bezwaring, beslag of contractuele afspraken over het subjectieve recht (zie bijvoorbeeld paragraaf 14.4) en de omstandigheden waaronder de juridische posities ophouden het subjectieve recht aan te vullen (zie bijvoorbeeld paragraaf 14.5). Ten slotte bekijk ik welke ruimte partijen hebben om door onderlinge afspraken invloed uit te oefenen op de vraag of de juridische posities ook ten gunste van opvolgende verkrijgers van het subjectieve recht strekken (zie bijvoorbeeld paragraaf 14.6). Voorafgaand aan de bespreking van elke regeling geef ik kort weer welke uitgangspunten voor de regeling voortvloeien uit deel I (zie bijvoorbeeld paragraaf 14.1.2). De bespreking van elke regeling wordt afgesloten met een conclusie waarin ik aangeef in welke mate de regeling overeenstemt met deze uitgangspunten (zie bijvoorbeeld paragraaf 14.7).
435. Het inhoudelijke doel van deel II is drievoudig. Ten eerste probeer ik de verschillende regelingen die in het Nederlandse recht bestaan op het gebied van het aanvullen van subjectieve rechten overzichtelijk te presenteren. Ten tweede geef ik, waar nodig, aan hoe de verschillende regelingen zouden kunnen worden verbeterd en verhelderd op basis van de uitgangspunten uit deel I. Ten derde – en in samenhang met de eerste twee punten – doe ik een poging om de verschillende manieren te onderscheiden waarop subjectieve rechten kunnen worden aangevuld. Ik doe daarbij een beroep op de uitgangspunten die voortvloeien uit deel I, onder meer door de volgorde en indeling van de hoofdstukken die in deel II zijn opgenomen. Aan de hand van deze uitgangspunten wordt duidelijk dat in de Nederlandse literatuur niet altijd goed wordt onderscheiden, hetgeen ervoor zorgt dat discussies over de aard van met elkaar samenhangende aanspraken vaak gemankeerd verlopen. De praktijk zou er mijns inziens bij gebaat kunnen zijn een scherper onderscheid te maken. Ik kom daar in deel III meer uitgebreid op terug.