NJB 2021/1514:Witwassen en bestanddeel ‘afkomstig is uit enig misdrijf’, art. 420bis e.v. Sr: de Hoge Raad vat eerdere rechtspraak over dit thema samen. Dat een voorwerp ‘afkomstig is uit enig misdrijf’, kan, als op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht als het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Het is aan het openbaar ministerie bewijs aan te dragen van dergelijke feiten en omstandigheden. Indien de aangedragen feiten en omstandigheden een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. Indien de verdachte zo’n verklaring geeft, ligt het op de weg van het openbaar ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. In casu heeft het hof – naar aanleiding van nader onderzoek door het openbaar ministerie naar de verklaring van de verdachte – niet zonder meer begrijpelijk geoordeeld dat het vermoeden van witwassen niet is ontzenuwd. De Hoge Raad casseert