Procestaal: Spaans.
HvJ EU, 16-10-2025, nr. C-218/24
ECLI:EU:C:2025:794
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
16-10-2025
- Magistraten
F. Schalin, M. Gavalec, Z. Csehi
- Zaaknummer
C-218/24
- Roepnaam
Iberia Líneas Aéreas de España (Notion de «bagages»)
- Vakgebied(en)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2025:794, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 16‑10‑2025
Uitspraak 16‑10‑2025
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Luchtvervoer — Verdrag van Montreal — Artikel 17, lid 2 — Begrip ‘bagage’ — Artikel 22, lid 2 — Aansprakelijkheid van luchtvaartmaatschappijen bij verlies van bagage — Verlies van een huisdier van een passagier — Vergoeding voor immateriële schade
F. Schalin, M. Gavalec, Z. Csehi
Partij(en)
In zaak C-218/24,*
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Juzgado de lo Mercantil n.o 4 de Madrid (handelsrechtbank nr. 4 Madrid, Spanje) bij beslissing van 8 maart 2024, ingekomen bij het Hof op 21 maart 2024, in de procedure
Felicísima
tegen
Iberia Líneas Aéreas de España SA Operadora Unipersonal
en
IATA España SLU,
wijst
HET HOF (Zevende kamer),
samengesteld als volgt: F. Schalin, kamerpresident, M. Gavalec (rapporteur) en Z. Csehi, rechters,
advocaat-generaal: D. Spielmann,
griffier: L. Carrasco Marco, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 14 mei 2025,
gelet op de opmerkingen van:
- —
Felicísima, vertegenwoordigd door C. Villacorta Salís, abogado,
- —
Iberia Líneas Aéreas de España SA Operadora Unipersonal, vertegenwoordigd door S. Frade Sosa en D. Olmedo de Cáceres, abogados, en J. L. Pinto-Marabotto Ruiz, procurador,
- —
IATA España SLU, vertegenwoordigd door A. Dorrego de Carlos en C. Pérez Infante, abogados,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door R. Álvarez Vinagre en N. Yerrell als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 17, lid 2, en artikel 22, lid 2, van het op 28 mei 1999 te Montreal gesloten Verdrag tot het brengen van eenheid in enige bepalingen inzake het internationale luchtvervoer dat op 9 december 1999 door de Europese Gemeenschap is ondertekend en namens haar is goedgekeurd bij besluit 2001/539/EG van de Raad van 5 april 2001 (PB 2001, L 194, blz. 38) (hierna: ‘Verdrag van Montreal’) en dat voor de Europese Unie in werking is getreden op 28 juni 2004.
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen enerzijds Felicísima, een passagier op een internationale vlucht, en anderzijds Iberia Líneas Aéreas de España SA Operadora Unipersonal (hierna: ‘Iberia’), een luchtvaartmaatschappij, en IATA España SLU over de vergoeding van de immateriële schade die Felicísima heeft geleden als gevolg van het verlies van haar huisdier bij een door deze luchtvaartmaatschappij uitgevoerde vlucht.
Toepasselijke bepalingen
Internationaal recht
3
In de derde alinea van de preambule van het Verdrag van Montreal erkennen de staten die partij zijn bij dit verdrag ‘het belang van het waarborgen van bescherming van de belangen van consumenten in het internationale luchtvervoer en de noodzaak van billijke schadevergoeding gegrond op het beginsel van restitutie’.
4
De vijfde alinea van deze preambule bepaalt dat ‘een gezamenlijk optreden van de staten ter verdere harmonisatie en codificatie van enige bepalingen tot regeling van het internationale luchtvervoer door middel van een nieuw verdrag het beste middel is om een billijk evenwicht van de belangen te bereiken’.
5
Artikel 1 van dit verdrag, met als opschrift ‘Toepassingsgebied’, bepaalt in lid 1:
‘Dit verdrag is van toepassing op al het internationale vervoer van personen, bagage of goederen dat met luchtvaartuigen tegen betaling plaats heeft. Het is eveneens van toepassing op kosteloos vervoer per luchtvaartuig door een luchtvervoeronderneming verricht.’
6
Artikel 17 van dat verdrag, met als opschrift ‘Dood of letsel geleden door de passagier — Schade toegebracht aan de bagage’, dat is opgenomen in hoofdstuk III ervan, met als opschrift ‘Aansprakelijkheid van de vervoerder en omvang van de vergoeding van de schade’, luidt als volgt:
- ‘1.
De vervoerder is aansprakelijk voor schade die wordt geleden in geval van dood of lichamelijk letsel van een passagier, op grond van het enkele feit dat het ongeval dat de dood of het letsel heeft veroorzaakt, plaats heeft gehad aan boord van het luchtvaartuig of tijdens enige handeling verband houdende met het aan boord gaan of het verlaten van het luchtvaartuig.
- 2.
De vervoerder is aansprakelijk voor schade die wordt geleden in geval van vernieling, verlies of beschadiging van aangegeven bagage, op grond van het enkele feit dat de gebeurtenis die de vernieling, het verlies of de beschadiging heeft veroorzaakt, plaats heeft gehad aan boord van het luchtvaartuig of gedurende enig tijdvak waarin de vervoerder de aangegeven bagage onder zijn hoede had. Evenwel is de vervoerder niet aansprakelijk indien en voor zover de schade enkel en alleen het gevolg is van de aard of een eigen gebrek van de bagage. In het geval van niet aangegeven bagage, daaronder begrepen persoonlijke bezittingen, is de vervoerder aansprakelijk indien de schade voortvloeit uit zijn schuld of die van zijn hulppersonen.
[…]
- 4.
Behoudens andersluidende bepalingen wordt in dit verdrag onder ‘bagage’ zowel aangegeven als niet aangegeven bagage verstaan.’
7
Artikel 22 van het Verdrag van Montreal, met als opschrift ‘Aansprakelijkheidsgrenzen met betrekking tot vertraging, bagage en goederen’, bepaalt in lid 2:
‘Bij het vervoer van bagage is de aansprakelijkheid van de vervoerder in geval van vernieling, verlies, beschadiging of vertraging beperkt tot het bedrag van 1 000 bijzondere trekkingsrechten [(hierna: ‘BTR’)] per passagier, behoudens bijzondere verklaring omtrent belang bij de aflevering, gedaan door de passagier bij de afgifte van de aangegeven bagage aan de vervoerder en tegen betaling van een eventueel verhoogd tarief. In dat geval is de vervoerder verplicht te betalen tot het bedrag van de opgegeven som, tenzij hij bewijst dat deze het werkelijke belang van de passagier bij de aflevering te boven gaat.’
8
Overeenkomstig de procedure van artikel 24 van het Verdrag van Montreal is de in artikel 22, lid 2, van dit verdrag bepaalde aansprakelijkheidsgrens met ingang van 30 december 2009 verhoogd tot 1 131 BTR per passagier voor schade toegebracht aan de bagage. Dit bedrag is met ingang van 28 december 2019 verhoogd tot 1 288 BTR.
Unierecht
9
Naar aanleiding van de ondertekening van het Verdrag van Montreal is verordening (EG) nr. 2027/97 van de Raad van 9 oktober 1997 betreffende de aansprakelijkheid van luchtvervoerders met betrekking tot het luchtvervoer van passagiers en hun bagage (PB 1997, L 285, blz. 1) gewijzigd bij verordening (EG) nr. 889/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 13 mei 2002 (PB 2002, L 140, blz. 2) (hierna: ‘verordening nr. 2027/97’).
10
Overweging 12 van verordening nr. 889/2002 luidt als volgt:
‘Uniforme aansprakelijkheidsgrenzen bij verlies, beschadiging of vernietiging van bagage en bij door vertraging veroorzaakte schade die van toepassing zijn op alle door luchtvervoerders van de [Unie] verzorgde vervoer, zullen leiden tot eenvoudige en duidelijke regels voor zowel passagiers als luchtvaartmaatschappijen, zodat passagiers zelf kunnen bepalen wanneer een bijkomende verzekering noodzakelijk is.’
11
Artikel 2 van verordening nr. 2027/97 bepaalt in lid 1:
‘In deze verordening wordt verstaan onder:
[…]
- d)
‘bagage’: tenzij uitdrukkelijk anders bepaald, zowel aangegeven als niet-aangegeven bagage in de zin van artikel 17, lid 4, van het Verdrag van Montreal;
[…]’
12
Artikel 3, lid 1, van deze verordening luidt:
‘De aansprakelijkheid van een luchtvervoerder van de [Unie] met betrekking tot de passagiers en hun bagage is onderworpen aan alle bepalingen van het Verdrag van Montreal die op die aansprakelijkheid betrekking hebben.’
Spaans recht
13
In artikel 333 bis, lid 1, van de Código Civil (burgerlijk wetboek) worden dieren gedefinieerd als levende wezens met gevoel. Volgens deze bepaling is de wettelijke regeling voor goederen en zaken alleen van toepassing op dieren voor zover dit verenigbaar is met hun aard of met de bepalingen die bedoeld zijn om hen te beschermen.
Hoofdgeding en prejudiciële vraag
14
Felicísima en haar moeder boekten vliegtickets voor een door Iberia verzorgde vlucht van Buenos Aires (Argentinië) naar Barcelona (Spanje) op 22 oktober 2019.
15
Deze passagiers reisden met hun huisdier, een hond. Vanwege de grootte en het gewicht van de hond moest deze in een reisbench of speciale, gestandaardiseerde kennel meereizen in het ruim. Felicísima heeft de reisbench waarin de hond zich bevond, afgegeven bij de incheckbalie zodat de hond naar het ruim van het vliegtuig kon worden gebracht, maar heeft bij de afgifte van de aangegeven bagage geen bijzondere verklaring omtrent belang bij de aflevering op de bestemming gedaan in de zin van artikel 22, lid 2, van het Verdrag van Montreal.
16
De hond is uit de reisbench ontsnapt en rond het vliegtuig beginnen te rennen en is niet meer teruggevonden.
17
Felicísima heeft bij de Juzgado de lo Mercantil n.o 4 de Madrid (handelsrechtbank nr. 4 Madrid, Spanje), de verwijzende rechter, een vordering ingesteld tot vergoeding van haar immateriële schade, die zij begroot op 5 000 EUR. Iberia erkent haar aansprakelijkheid en het recht van Felicísima op schadevergoeding, maar wel binnen de grenzen van artikel 22, lid 2, van het Verdrag van Montreal.
18
De verwijzende rechter betwijfelt of onder het begrip ‘bagage’ in de zin van artikel 17, lid 2, van het Verdrag van Montreal huisdieren die meereizen met passagiers kunnen worden verstaan, en of de in artikel 22, lid 2, van dat verdrag vastgestelde maximale schadevergoeding van toepassing is op huisdieren.
19
Aangezien dieren wezens met gevoel in de zin van artikel 13 VWEU, of naar Spaans recht levende wezens met gevoel, zijn en een emotionele band hebben met hun eigenaar, heeft het verlies van een dier volgens die rechter een negatieve, psychologische impact die in de regel niet kan worden vergeleken met de impact die wordt ervaren wanneer er slechts sprake is van het verlies van een hoop spullen die kunnen worden aangeduid met het begrip ‘bagage’. In die omstandigheden lijkt de in artikel 22, lid 2, van dat verdrag vastgestelde maximale schadevergoeding niet passend te zijn.
20
Bovendien kan de negatieve, psychologische impact die wordt ervaren bij het verlies van huisdieren niet worden voorkomen door middel van een ‘bijzondere verklaring omtrent belang’ in de zin van de laatstgenoemde bepaling, aldus die rechter. Die verklaring heeft namelijk betrekking op de materiële waarde van voorwerpen.
21
Tegen deze achtergrond heeft de Juzgado de lo Mercantil n.o 4 de Madrid de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:
‘Moet artikel 17, lid 2, van het [Verdrag van Montreal], gelezen in samenhang met artikel 22, lid 2, van dit verdrag, aldus worden uitgelegd dat het niet van toepassing is op [huisdieren], daar zij niet kunnen worden aangeduid als — al dan niet aangegeven — ‘bagage’?’
Beantwoording van de prejudiciële vraag
22
Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 17, lid 2, van het Verdrag van Montreal, gelezen in samenhang met artikel 22, lid 2, van dat verdrag, aldus moet worden uitgelegd dat huisdieren zijn uitgesloten van het begrip ‘bagage’ in de zin van deze bepalingen.
23
Om te beginnen zij eraan herinnerd dat artikel 3, lid 1, van verordening nr. 2027/97 bepaalt dat de aansprakelijkheid van luchtvervoerders van de Unie ten aanzien van de passagiers en hun bagage onderworpen is aan alle bepalingen van het Verdrag van Montreal die op die aansprakelijkheid betrekking hebben (arrest van 20 oktober 2022, Laudamotion, C-111/21, EU:C:2022:808, punt 18).
24
Volgens artikel 17, lid 2, van dat verdrag is de vervoerder aansprakelijk voor schade die wordt geleden in geval van vernieling, verlies of beschadiging van aangegeven bagage, op grond van het enkele feit dat de gebeurtenis die de vernieling, het verlies of de beschadiging heeft veroorzaakt, plaats heeft gehad aan boord van het luchtvaartuig of gedurende enig tijdvak waarin de vervoerder de aangegeven bagage onder zijn hoede had. In het geval van niet aangegeven bagage, daaronder begrepen persoonlijke bezittingen, is de vervoerder aansprakelijk indien de schade voortvloeit uit zijn schuld of die van zijn hulppersonen.
25
Het in die bepaling genoemde begrip ‘bagage’ wordt niet gedefinieerd in het Verdrag van Montreal en ook niet in verordening nr. 2027/97, waarvan artikel 2, lid 1, onder d), naar dat verdrag verwijst en bepaalt dat dit begrip, tenzij uitdrukkelijk anders bepaald, zowel aangegeven als niet-aangegeven bagage in de zin van artikel 17, lid 4, van dat verdrag omvat.
26
Dit begrip moet, met name gelet op het doel van het Verdrag van Montreal, namelijk het brengen van eenheid in enige bepalingen inzake het internationale luchtvervoer, in de Unie en haar lidstaten op eenvormige en autonome wijze worden uitgelegd. Bijgevolg kan het Hof geen rekening houden met de verschillende betekenissen die eventueel in het nationale recht van de lidstaten aan dat begrip zijn gegeven, maar dient het de voor de Unie geldende uitleggingsregels van het algemene volkenrecht in aanmerking te nemen (zie in die zin arrest van 20 oktober 2022, Laudamotion, C-111/21, EU:C:2022:808, punt 21 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
27
In dat opzicht bepaalt artikel 31 van het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht, gesloten op 23 mei 1969 (United Nations Treaty Series, deel 1155, blz. 331), dat het internationaal gewoonterecht weerspiegelt en waarvan de bepalingen deel uitmaken van de rechtsorde van de Unie, dat een verdrag te goeder trouw moet worden uitgelegd overeenkomstig de gewone betekenis van de termen ervan in hun context en in het licht van het voorwerp en het doel van het verdrag. Voorts bepaalt artikel 32 van dit verdrag dat er een beroep kan worden gedaan op aanvullende middelen van uitlegging en in het bijzonder op de voorbereidende werkzaamheden van het verdrag in kwestie en op de omstandigheden waaronder het is gesloten (zie in die zin arrest van 20 oktober 2022, Laudamotion, C-111/21, EU:C:2022:808, punt 22 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
28
In zijn gewone betekenis verwijst de term ‘bagage’ in de regel naar elk voorwerp dat iemand meeneemt op reis. Hoewel dit voorwerp de vorm kan hebben van een draagbaar opbergsysteem zoals een tas, een koffer of een doos en persoonlijke bezittingen kan bevatten, is dit niet noodzakelijkerwijs het geval. Zo kan ook een kinderwagen als bagage worden beschouwd.
29
Hoewel de gewone betekenis van de term ‘bagage’ verwijst naar voorwerpen, is dit op zichzelf niet voldoende om te concluderen dat huisdieren niet onder dit begrip vallen.
30
Wat de context betreft waarin het woord ‘bagage’ in artikel 17, lid 2, van het Verdrag van Montreal wordt gebruikt, moet er namelijk op worden gewezen dat deze term ook voorkomt in artikel 1 van dat verdrag, dat de werkingssfeer van dat verdrag bepaalt. Deze bepaling geeft een limitatieve opsomming van drie categorieën internationaal vervoer dat tegen betaling met luchtvaartuigen wordt verricht, te weten het internationale vervoer van personen, bagage en goederen.
31
Uit de door de verwijzende rechter verstrekte informatie blijkt dat hij zich afvraagt of het verlies van een huisdier dat plaatsvindt in het kader van luchtvervoer onder de aansprakelijkheidsregeling voor ‘bagage’ van artikel 17, lid 2, en artikel 22, lid 2, van het Verdrag van Montreal valt, dan wel onder de regeling die van toepassing is op ‘passagiers’ en is neergelegd in artikel 17, lid 1, en artikel 21 van dat verdrag.
32
De mogelijke uitlegging dat een huisdier onder het begrip ‘passagiers’ valt, moet zonder meer van de hand worden gewezen, aangezien artikel 1 van het Verdrag van Montreal onderscheid maakt tussen personen en bagage. Uit de duidelijke bewoordingen van deze bepaling volgt dan ook dat het begrip ‘personen’ overeenkomt met het begrip ‘passagiers’ en dat een huisdier niet kan worden gelijkgesteld met een ‘passagier’.
33
Dit wordt bevestigd door de voorbereidende werkzaamheden die hebben geleid tot de aanname van het Verdrag van Montreal. Uit die werkzaamheden blijkt niet dat de verdragsluitende staten een huisdier hebben willen gelijkstellen met een passagier of huisdieren aan de aansprakelijkheidsregeling voor passagiers hebben willen onderwerpen (zie in die zin verslagen van de vergaderingen van de plenaire commissie van 10 tot en met 28 mei 1999, Internationale Luchtrechtconferentie, Montreal, 10–28mei 1999, Doc 9775-DC/2, deel I — Verslagen, deel II — Documenten, en deel III — Voorbereidende werkzaamheden).
34
Bijgevolg moet worden aangenomen dat een huisdier, waar het gaat om luchtvervoer, onder het begrip ‘bagage’ valt en dat de vergoeding van de schade die ontstaat doordat het dier bij dat vervoer verloren gaat, onderworpen is aan de aansprakelijkheidsregeling voor bagage die is neergelegd in artikel 17, lid 2, en artikel 22, lid 2, van het Verdrag van Montreal.
35
Deze uitlegging vindt steun in de doelstellingen die ten grondslag lagen aan de aanname van het Verdrag van Montreal.
36
De staten die partij zijn bij het Verdrag van Montreal, die zich volgens de derde alinea van de preambule van dit verdrag bewust zijn van ‘het belang van het waarborgen van bescherming van de belangen van consumenten in het internationale luchtvervoer en [van] de noodzaak van billijke schadevergoeding gegrond op het beginsel van restitutie’, hebben immers besloten te voorzien in een stelsel van risicoaansprakelijkheid van luchtvervoerders. Zoals voortvloeit uit de vijfde alinea van die preambule, impliceert een dergelijk stelsel evenwel dat een ‘billijk evenwicht van de belangen’ tussen luchtvervoerders en passagiers wordt bewaard [arrest van 6 juli 2023, Austrian Airlines (Eerste hulp aan boord van een luchtvaartuig), C-510/21, EU:C:2023:550, punt 25 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
37
Met het oog op het behoud van een dergelijk evenwicht voorziet het Verdrag van Montreal in bepaalde gevallen — met name, volgens artikel 22, lid 2, bij vernieling, verlies, beschadiging of vertraging van bagage — in een beperking van de aansprakelijkheid van de luchtvervoerders, waarbij de daaruit voortvloeiende schadevergoedingslimiet ‘per passagier’ moet gelden (zie in die zin arrest van 22 november 2012, Espada Sánchez e.a., C-410/11, EU:C:2012:747, punt 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
38
Aan de hand van een aldus vormgegeven schadevergoedingsbeperking kunnen passagiers gemakkelijk en snel schadeloos worden gesteld zonder dat aan de luchtvervoerders een zeer zware, moeilijk vast te stellen en te berekenen restitutieverplichting wordt opgelegd die hun economische activiteit zou kunnen ontwrichten of zelfs lamleggen (zie in die zin arresten van 6 mei 2010, Walz, C-63/09, EU:C:2010:251, punt 36, en 19 december 2019, Niki Luftfahrt, C-532/18, EU:C:2019:1127, punt 40).
39
In casu heeft verzoekster in het hoofdgeding, zoals blijkt uit de door de verwijzende rechter verstrekte informatie, de reisbench waarin haar huisdier zich bevond, afgegeven bij de incheckbalie zonder bij de afgifte van de aangegeven bagage een bijzondere verklaring omtrent belang bij de aflevering te doen in de zin van artikel 22, lid 2, van het Verdrag van Montreal.
40
Het Hof heeft artikel 22, lid 2, van het Verdrag van Montreal aldus uitgelegd dat bij het vervoer van bagage de aansprakelijkheid van de luchtvervoerder in geval van vernieling, verlies, beschadiging of vertraging met ingang van 30 december 2009 en tot en met 28 december 2019 ‘beperkt [is]’ tot het bedrag van 1 131 BTR per passagier, maar ook geoordeeld dat de in die bepaling vastgestelde limiet een maximale vergoeding vormt die niet van rechtswege forfaitair aan elke passagier wordt toegekend, ook niet bij verlies van zijn bagage (arrest van 9 juli 2020, Vueling Airlines, C-86/19, EU:C:2020:538, punt 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
41
Het Hof heeft er tevens op gewezen dat de mogelijkheid voor de passagier om op grond van artikel 22, lid 2, van het Verdrag van Montreal een bijzondere verklaring omtrent belang te doen bij de afgifte van de aangegeven bagage aan de vervoerder, bevestigt dat de begrenzing van de aansprakelijkheid van de luchtvervoerder voor schade ten gevolge van het verlies van bagage, bij het ontbreken van enige verklaring, een absolute begrenzing is die zowel de materiële als de immateriële schade omvat (zie in die zin arrest van 9 juli 2020, Vueling Airlines, C-86/19, EU:C:2020:538, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
42
Is een passagier van mening dat de aansprakelijkheidslimiet die in geval van uit het verlies van bagage voortvloeiende schade voor de luchtvervoerder geldt te laag is, dan bestaat overeenkomstig artikel 22, lid 2, van het Verdrag van Montreal dus de mogelijkheid om deze limiet door middel van die bijzondere verklaring omtrent belang bij de aflevering en tegen betaling van een eventueel verhoogd tarief te verhogen, mits de luchtvervoerder daarmee instemt.
43
Ten slotte kan de in punt 34 van dit arrest gegeven uitlegging niet in twijfel worden getrokken door de bewoordingen van artikel 13 VWEU, waar de verwijzende rechter naar verwijst. Volgens dit artikel houden de Unie en de lidstaten bij het formuleren en uitvoeren van het beleid van de Unie op het gebied van landbouw, visserij, vervoer, interne markt en onderzoek, technologische ontwikkeling en de ruimte ten volle rekening met hetgeen vereist is voor het welzijn van dieren als wezens met gevoel, onder eerbiediging van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen en gebruiken van de lidstaten met betrekking tot met name godsdienstige riten, culturele tradities en regionaal erfgoed.
44
Zowel uit de rechtspraak van het Hof als uit artikel 13 VWEU blijkt dat de bescherming van het dierenwelzijn een door de Unie erkende doelstelling van algemeen belang is (arrest van 29 februari 2024, cdVet Naturprodukte, C-13/23, EU:C:2024:175, punt 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
45
Artikel 13 VWEU verbiedt echter niet dat dieren worden vervoerd als ‘bagage’ in de zin van artikel 17, lid 2, van het Verdrag van Montreal en als zodanig worden beschouwd in het kader van de bij dit verdrag ingevoerde aansprakelijkheidsregeling, mits bij het vervoer ten volle rekening wordt gehouden met hetgeen vereist is voor het welzijn van de dieren.
46
Gelet op een en ander moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat artikel 17, lid 2, van het Verdrag van Montreal, gelezen in samenhang met artikel 22, lid 2, van dat verdrag, aldus moet worden uitgelegd dat huisdieren niet zijn uitgesloten van het begrip ‘bagage’ in de zin van deze bepalingen.
Kosten
47
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Zevende kamer) verklaart voor recht:
Artikel 17, lid 2, van het op 28 mei 1999 te Montreal gesloten Verdrag tot het brengen van eenheid in enige bepalingen inzake het internationale luchtvervoer, dat op 9 december 1999 door de Europese Gemeenschap is ondertekend en namens haar is goedgekeurd bij besluit 2001/539/EG van de Raad van 5 april 2001, gelezen in samenhang met artikel 22, lid 2, van dat verdrag,
moet aldus worden uitgelegd dat
huisdieren niet zijn uitgesloten van het begrip ‘bagage’ in de zin van deze bepalingen.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 16‑10‑2025