Einde inhoudsopgave
Individuele straftoemeting in het fiscale bestuurlijke boeterecht (FM nr. 151) 2018/2.2.2
2.2.2 De bestuurlijke boetebepalingen
mr. I.J. Krukkert, datum 01-02-2018
- Datum
01-02-2018
- Auteur
mr. I.J. Krukkert
- JCDI
JCDI:ADS466893:1
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Fiscaal strafrecht
Fiscaal bestuursrecht / Boete
Voetnoten
Voetnoten
Plakkaatboek, deel 4, 1744, p. 154.
Van der Poel noemt de artikelen 102, 116 en 118 van het Generaal Plakkaat van 1725 als mogelijke boetebepalingen, maar spreekt tegelijkertijd zijn twijfel daarbij uit (Van der Poel 1942, p. 268). Koopman verwijst naar Feteris, die artikel 48 van het Generaal Plakkaat van 1725 als bestuurlijke boetebepaling bestempelt (Koopman, p. 177). Artikel 48 (Plakkaatboek, deel 4, 1744, p. 144) maakt echter niet expliciet melding van een boete (‘De schippers […] komende te laden of te lossen, alvoorens daar toe behoorlijck pasporten […] bekoomen te hebben, sullen verbeuren vijf honderd guldens […]’.
Plakkaatboek, deel 4, 1744, p. 151.
Door het gebruik van het woord ‘tenzij’ (‘Ten waare…’) lijkt het er m.i. sterk op.
De meeste in het Generaal Plakkaat vermelde boeten werden in beginsel opgelegd naar vaste bedragen en waren vrijwel rechtstreeks uit hoofde van de wet verschuldigd. Daarbij werd over het algemeen niet gelet op de mate van verwijtbaarheid. Deze systematiek was overigens kenmerkend voor andere vormen van bestuurlijke beboeting ten tijde van de Republiek.
Een voorbeeld van een bestuurlijke boetebepaling is artikel 94 van het Generaal Plakkaat:1
“De schippers, na gedane visitatie komende op nieuws eenige goederen in te neemen, sullen andermaal seyn (aangifte, IK) moeten doen, en sal de nadere visitatie en klaringe op deselve wyse moeten geschieden, op gelijcke (direct verschuldigde, IK) boete van driehonderd guldens.” Het Generaal Plakkaat van 1725 bevat meer van dit soort boetebepalingen.2
Uit artikel 81 van het Generaal Plakkaat volgt echter dat niet alle boeten werden opgelegd zonder oog te hebben voor de mate van verwijtbaarheid: “Geen schippers […] vermogen de goederen te schepen of te laden […] voor en aleer zij daar van vooraf van wegens de geinteresseerden sullen hebben ontvangen, ende machtigh zijn de pasporten van van haare in te ladene goederen, op de boete van vijfhonderd guldens […] Ten waare deselve den rechten genoegh konden bewijsen dat sulcks buyten haare kennisse, of tegens haar wil was geschiedt […].” 3
Hoewel ik niet met zekerheid kan zeggen dat dit daadwerkelijk volledig boeteverval met zich bracht,4 meen ik in artikel 81 een tweetal strafuitsluitingsgronden te ontwaren: afwezigheid van alle schuld (hierna: avas) in de zin van feitelijke dwaling (‘buyten haare kennisse’) en overmacht (‘tegens haar wil’). Beide strafuitsluitingsgronden komen mij voor als schulduitsluitingsgronden, waarmee ik het standpunt van Koopman, dat boeten ten tijde van de Republiek vrijwel steeds werden opgelegd zonder dat gelet werd op schuld of opzet, wil nuanceren. Immers, als er destijds sprake was van een van de genoemde schulduitsluitingsgronden, dan werd vermoedelijk niet tot beboeting overgegaan ondanks dat het beboetbare feit wel degelijk was begaan.
Schuld of opzet speelde dus wél een rol, in die zin dat in geval van achteraf geconstateerde afwezigheid van schuld of opzet (verwijtbaarheid) niet tot beboeting werd overgegaan. Beboeting had derhalve een alles-of-niets karakter. Was het beboetbare feit begaan en was er geen sprake van een schulduitsluitende omstandigheid, dan was in beginsel de volledige wettelijke boete verschuldigd. Wanneer werd vastgesteld dat er wel een schulduitsluitingsgrond aanwezig was, dan werd vermoedelijk geen boete opgelegd. Met de mate van verwijtbaarheid (opzet, grove schuld of lichte schuld) werd toentertijd geen rekening gehouden.
Ook merk ik op dat degene die van mening was dat hij een beroep op een strafuitsluitingsgrond kon doen, dit blijkbaar zelf diende te stellen en te bewijzen (‘deselve den rechten genoegh konden bewysen’).