Einde inhoudsopgave
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/12.4.5.5
12.4.5.5 Toerekening aan degene die heeft gehandeld alsof de desbetreffende (onmiddellijke) voorzieningen van kracht zijn
F. Eikelboom, datum 01-06-2017
- Datum
01-06-2017
- Auteur
F. Eikelboom
- JCDI
JCDI:ADS367311:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Dit standpunt leek te worden verdedigd door Josephus Jitta in JOR 2000/75.
Dit is misschien anders in gevallen waarin de desbetreffende beschikking van de ondernemingskamer alleen tot stand kon komen omdat bij de presentatie van de feiten sprake was van bedrog, bedreiging of misbruik van omstandigheden en de contractuele wederpartij daarbij betrokken was. Zie HR 17 december 1982, NJ 1983, 480 (Bibolini).
Zie par. 8.3.2.2 en 8.3.2.3.
Asser/Hartkamp en Sieburgh 6-IV, nr. 109.
Asser/Hartkamp en Sieburgh 6-IV, nr. 109.
Zie par. 7.6.1.
Zie daarover par. 12.4.5.7.
Een uitweg uit de in par. 12.4.5.3 en 12.4.5.4 besproken dilemma’s wordt wellicht geboden door in de onderhavige gevallen het onrechtmatige handelen niet toe te rekenen aan verzoeker of de Staat, maar aan degenen die hebben gehandeld alsof de desbetreffende (onmiddellijke) voorzieningen van kracht waren. Dus de rechtspersoon die een aandeelhouder zijn stemrecht niet heeft laten uitoefenen, omdat de rechtspersoon er achteraf bezien ten onrechte vanuit ging dat de aandelen van deze aandeelhouder ten titel van beheer waren overgedragen, of de persoon die zich heeft gedragen alsof hij tijdelijk door de ondernemingskamer als bestuurder was aangesteld.1 Een groot deel van deze vragen is reeds beantwoord in par. 12.3.3.
In par. 12.3.3.2 is uiteengezet waarom ik het algemeen niet wenselijk acht, indien personen die uitgaan van de geldigheid van beschikkingen van de ondernemingskamer met aansprakelijkheidsrisico’s rekening moeten houden. In par. 12.3.3.3 en 12.3.3.4 ben ik ingegaan op de vraag of personen, die zich ten onrechte (niet) gedragen als (tijdelijke) bestuurders en commissarissen, daarvoor aansprakelijk kunnen worden gehouden. Het antwoord op die vraag is kort gezegd dat dit niet kan. In aanvulling daarop geldt het volgende.
Als degene die (niet) handelden namens de rechtspersoon niet aansprakelijk kunnen worden gehouden, zijn er twee (typen) personen die wel aansprakelijk zouden kunnen worden gehouden voor het feit dat tijdelijk inbreuk is gemaakt op rechten, omdat werd uitgegaan van de toepasselijkheid van (onmiddellijke) voorzieningen, maar achteraf is komen vast te staan dat deze toch niet toepasselijk waren: (i) de rechtspersoon zelf en (ii) degenen die hebben gehandeld met de rechtspersoon.
Bij die laatste categorie kan dan gedacht worden aan de situatie dat de vennootschap een overeenkomst sloot, daarbij werd vertegenwoordigd door een tijdelijke bestuurder terwijl de contractuele wederpartij op zijn vingers kon natellen dat de aanstelling van deze tijdelijke bestuurder in cassatie geen stand zou houden. Deze contractuele wederpartij zou dan de schade moeten vergoeden die de vennootschap heeft geleden door het sluiten van deze overeenkomst. Vanwege de par. 12.3.3.2 besproken redenen, meen ik dat contractuele wederpartijen in beginsel geen rekening hoeven te houden met de mogelijkheid van vernietiging.2
Wat betreft de toerekening aan de rechtspersoon op grond van schuld geldt dat deze dwaalde ten aanzien van het objectieve recht. De rechtspersoon ging er vanuit dat de regels van de deelrechtsorde anders waren dan ze in werkelijkheid waren. Meer specifiek ging de rechtspersoon ervan uit dat de regels van de deelrechtsorde door een beschikking van de ondernemingskamer tijdelijk waren gewijzigd,3 maar als gevolg van de vernietiging van deze beschikking bleek dat met terugwerkende kracht toch niet zo te zijn. Een dergelijke rechtsdwaling kan in beginsel in de weg staan aan toerekening van een onrechtmatige daad op grond van schuld.4 In de rechtspraak wordt een beroep op rechtsdwaling echter zelden gehonoreerd, omdat de dwaling voor risico van de dwalende komt of wordt gewijd aan eigen schuld.5 Van eigen schuld zal mijns inziens geen sprake kunnen zijn als de rechtspersoon verweer voert tegen het desbetreffende verzoek om (onmiddellijke) voorzieningen. Indien de rechtspersoon zelf verzoekt om (onmiddellijke) voorzieningen lijkt mij dat anders.
Neem bijvoorbeeld het geval dat een aandeelhouder van een beurs-NV gebruik wil maken van zijn agenderingsrecht door een bepaald besluit te agenderen. Het bestuur geeft daaraan gehoor door het desbetreffende besluit op de agenda voor de aandeelhoudersvergadering te zetten, maar tegelijkertijd stapt (het bestuur van) de vennootschap naar de ondernemingskamer om een verbod te vragen om dit besluit in stemming te brengen. De ondernemingskamer legt vervolgens het verzochte verbod op. De desbetreffende aandeelhouder is het hiermee niet eens en gaat in cassatie. Hangende deze cassatieprocedure vindt de aandeelhoudersvergadering plaats. De voorzitter van de aandeelhoudersvergadering, tevens voorzitter van het bestuur, voldoet aan het verbod om het desbetreffende besluit in stemming te brengen, ondanks het verzoek van de aandeelhouder om de stemming toch doorgang te laten vinden. In cassatie wordt, al dan niet na het stellen van prejudiciële vragen, duidelijk dat een dergelijk verbod niet tot de mogelijkheden van het Nederlandse recht behoort, althans niet in de desbetreffende omstandigheden6 en wordt de desbetreffende beschikking van de ondernemingskamer vernietigd. De vraag of de vennootschap hiervoor in haar hoedanigheid als verzoeker aansprakelijk kan worden gehouden, of de Staat, laat ik hier even buiten beschouwing. Waar het om gaat, is of de vennootschap aansprakelijk kan worden gehouden, omdat zij in strijd heeft gehandeld met het agenderingsrecht. Mijns inziens kan de vennootschap zich niet verschuilen achter de beschikking van de ondernemingskamer. Meer specifiek kan zij zich niet wegens een rechtsdwaling beroepen op het ontbreken van schuld, omdat zij er zelf schuldig aan is dat het desbetreffende verbod is opgelegd.
Dit ligt mijns inziens anders als niet (het bestuur van) de vennootschap heeft verzocht om het verbod, maar een enquêtebevoegde vakbond en de vennootschap verweer heeft gevoerd tegen dit verzoek. In het bijzonder indien de vennootschap heeft aangevoerd dat een dergelijk verbod strijdig is met Europees recht maar de ondernemingskamer dat standpunt ten onrechte heeft verworpen.
In gevallen waarin het de rechtspersoon niet op grond van (eigen) schuld kan worden toegerekend dat in strijd is gehandeld met rechten van (bijvoorbeeld) aandeelhouders, zou toerekening nog steeds kunnen plaatsvinden op grond van de verkeersopvatting. Een dergelijke toerekening komt mij onredelijk voor, behoudens in het geval dat zou inhouden dat niemand anders aansprakelijk kan worden gehouden.7